ECLI:NL:PHR:2016:761

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2016
Publicatiedatum
29 juli 2016
Zaaknummer
14/03383
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 402.3 Sv Sint MaartenArt. 402.8 Sv Sint MaartenArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid vonnis wegens ontbreken bewijsmiddelen en terugwijzing zaak in Antilliaanse diefstalzaak

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf voorwaardelijk, wegens diefstal met braak. Bij cassatie werd aangevoerd dat het vonnis niet de gebruikte bewijsmiddelen bevatte, wat leidt tot nietigheid.

De Hoge Raad constateerde dat het hof verzuimd had het vonnis aan te vullen met de bewijsmiddelen zoals vereist op grond van artikel 402 lid 8 van Pro het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten. Ondanks verzoeken van de raadsman om deze stukken te ontvangen, bleken deze niet te zijn toegevoegd aan het dossier dat aan de Hoge Raad was gezonden.

De Hoge Raad oordeelde dat dit verzuim tot nietigheid leidt en vernietigde het bestreden vonnis. De zaak werd terugverwezen naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, om de zaak in hoger beroep opnieuw te behandelen en af te doen. Tevens werd kort ingegaan op de rechtsvraag omtrent geoorloofde eigenrichting, waarbij de Hoge Raad bevestigde dat het beschikken over andermans goederen ter vereffening van niet-betaalde werkzaamheden geen vrijbrief is tot toe-eigening.

Uitkomst: Het vonnis is nietig verklaard wegens het ontbreken van bewijsmiddelen en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 14/03383 A
Zitting: 21 juni 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij vonnis van 2 juli 2014 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, na verkregen informatie van de rolraadsheer, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat het vonnis van het hof niet de gebezigde bewijsmiddelen bevat en daarom aan nietigheid lijdt.
3.1. Uit de stukken van het geding en de daartoe gemaakte digitale aantekeningen van de griffie en het gerechtssecretariaat alhier, is het volgende af te leiden.
3.2. Op 8 oktober 2015 heeft verdachtes raadsman de rolraadsheer – tijdig – verzocht om toezending van een afschrift van twee ontbrekende stukken. Het ging om de bijlage met de bewijsmiddelen, die zou zijn gehecht aan het vonnis van het hof van 2 juli 2014, alsmede om een proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 12 juni 2014.
3.3. De griffie van de Hoge Raad heeft daartoe op 12 oktober 2015 navraag gedaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarop zijn de zittingsaantekeningen van de zitting van 12 juni 2014 ontvangen en is de Hoge Raad, bij e-mail van 29 oktober 2015, kort gezegd het volgende bericht. De griffie van het hof betreurt het dat het dossier destijds ongemerkt onvolledig naar de Hoge Raad is gezonden, dat voor het uitwerken van de bewijsmiddelen het dossier nodig is en dat betekent weer een enorm tijdsverlies in de behandeling. Voorgesteld wordt daarom deze afweging aan de Hoge Raad voor te leggen.
3.4. In overleg met de rolraadsheer is daarop, zo leid ik uit een digitale, administratieve voortgangsnotitie af, beslist dat het dossier niet wordt teruggestuurd naar het Gemeenschappelijk Hof om de bewijsmiddelen te laten uitwerken. Verdachtes raadsman is bij brief van 4 november 2015 het proces-verbaal van de zitting van 12 juni 2014 toegezonden, dat wil zeggen: de uitgetypte zittingsaantekeningen van die zitting. Ten aanzien van de aanvraag van de bijlage houdende bewijsmiddelen houdt de brief het volgende in:
“Hierbij deel ik u mede dat het door u opgevraagde stuk geen deel uitmaakt van het dossier dat op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad is toegestuurd.”
De raadsman is daarop een nieuwe termijn voor het wijzigen, aanvullen dan wel (deels) intrekken van de reeds ingediende middelen. Deze nieuwe termijn liep tot 11 november 2015.
3.5. De raadsman had, volgens de datum op de faxverzending, op 12 oktober 2015 een schriftuur ingediend, nadat hem een andere (nadere) termijn was verleend tot 6 november 2015. Op 6 november 2015 heeft de raadsman nog een schriftuur ingediend, vrijwel gelijkluidend aan de eerste schriftuur maar daarin is ook de verklaring van de verdachte in hoger beroep opgenomen bij het tweede middel. Kennelijk dient de tweede schriftuur als vervanging van de eerste. Ik zal dan ook van de meest recent ingediende schriftuur bij de bespreking van de middelen uitgaan.
3.6. Het
eerste middeldat klaagt dat het vonnis van het hof niet de gebezigde bewijsmiddelen bevat en daarom aan nietigheid lijdt, is gelet op de hiervoor uiteengezette gang van zaken terecht voorgesteld. De raadsman heeft de rolraadsheer tijdig verzocht om, onder meer, een afschrift van de in het verkorte vonnis aangekondigde aanvulling met bewijsmiddelen in geval van cassatie. Na correspondentie met het Gemeenschappelijk Hof is de raadsman namens de rolraadsheer bericht dat de aanvulling geen onderdeel uitmaakt van het dossier dat op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad is toegestuurd. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.7. Het middel is terecht voorgesteld en de zaak moet worden teruggewezen.
4. Dat betekent dat aan het
tweede middelniet wordt toegekomen. De door de steller van het middel gestelde rechtsvraag – wanneer is er sprake van geoorloofde eigenrichting – is echter in de jurisprudentie van de Hoge Raad beantwoord met betrekking tot de vraag of sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening indien de toe-eigening wordt ingegeven door een tekortkoming ‘in civilibus’ van de wederpartij. [1] In die zaken werd over andermans spullen als heer en meester beschikt met het doel de ander te bewegen diens verplichtingen na te komen. De Hoge Raad achtte dat geen vrijbrief goederen van een ander weg te nemen. Datzelfde heeft denkelijk te gelden in geval een verdachte, zoals in de onderhavige zaak, als heer en meester over goederen gaat beschikken ter vereffening van niet-betaalde werkzaamheden.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1426 en HR 26 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1425.