Conclusie
eerste middelklaagt dat het vonnis van het hof niet de gebezigde bewijsmiddelen bevat en daarom aan nietigheid lijdt.
eerste middeldat klaagt dat het vonnis van het hof niet de gebezigde bewijsmiddelen bevat en daarom aan nietigheid lijdt, is gelet op de hiervoor uiteengezette gang van zaken terecht voorgesteld. De raadsman heeft de rolraadsheer tijdig verzocht om, onder meer, een afschrift van de in het verkorte vonnis aangekondigde aanvulling met bewijsmiddelen in geval van cassatie. Na correspondentie met het Gemeenschappelijk Hof is de raadsman namens de rolraadsheer bericht dat de aanvulling geen onderdeel uitmaakt van het dossier dat op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad is toegestuurd. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
tweede middelniet wordt toegekomen. De door de steller van het middel gestelde rechtsvraag – wanneer is er sprake van geoorloofde eigenrichting – is echter in de jurisprudentie van de Hoge Raad beantwoord met betrekking tot de vraag of sprake is van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening indien de toe-eigening wordt ingegeven door een tekortkoming ‘in civilibus’ van de wederpartij. [1] In die zaken werd over andermans spullen als heer en meester beschikt met het doel de ander te bewegen diens verplichtingen na te komen. De Hoge Raad achtte dat geen vrijbrief goederen van een ander weg te nemen. Datzelfde heeft denkelijk te gelden in geval een verdachte, zoals in de onderhavige zaak, als heer en meester over goederen gaat beschikken ter vereffening van niet-betaalde werkzaamheden.