Voor en ten tijde van het tenlastegelegde hebben verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een relatie. Op enig moment vertelt verdachte aan [medeverdachte] dat zij last heeft van iemand en dat zij er niet meer tegen kan. Verdachte deelt [medeverdachte] mede: “Ik ken een jongen en door hem ben ik verkracht. En hij chanteert mij.” Voorts laat verdachte aan [medeverdachte] weten dat zij niet met rust wordt gelaten door deze jongen. Vervolgens belt [medeverdachte] met de bewuste “jongen”, genaamd [slachtoffer] . [medeverdachte] laat [slachtoffer] in een normaal verlopen telefoongesprek weten dat hij verdachte beter met rust kan laten.
In de periode voorafgaande aan het tenlastegelegde heeft verdachte aan [betrokkene 1] , de vriendin van [betrokkene 2] (de vader van verdachte), gevraagd of haar vader haar zou helpen als zij -verdachte- een probleem zou hebben. [betrokkene 1] beantwoordt deze vraag bevestigend. Een paar weken vóór 21 juli 2012 -de pleegdatum- brengt verdachte met [medeverdachte] een bezoek aan [betrokkene 2] . Verdachte vertelt haar vader dat zij is verkracht dan wel dat zij tegen haar wil seks heeft gehad met [slachtoffer] en dat deze [slachtoffer] haar nog steeds lastigvalt. Vervolgens vraagt verdachte haar vader om hulp.
Op donderdag 19 juli 2012 bevinden [medeverdachte] , verdachte en [betrokkene 2] zich in de woning van verdachte in Arnhem. Daar vraagt [betrokkene 2] aan [medeverdachte] : “Ik ben van plan om dit en dit te doen. Doe je daaraan mee?” Vervolgens zegt [betrokkene 2] tegen [medeverdachte] : “Ik wil dat [verdachte] een afspraak met hem maakt. Dan wil ik hem een lesje leren.” [medeverdachte] geeft aan dat hij wil meedoen met het plan van [betrokkene 2] om [slachtoffer] een lesje te leren. De woorden “een lesje leren” worden door [medeverdachte] verduidelijkt als: gewoon een beetje bang maken, een klap geven. [medeverdachte] gaat er vóór de mishandeling van [slachtoffer] van uit dat ze [slachtoffer] een paar tikken zouden geven. Verdachte was aanwezig bij het maken van de afspraak om [slachtoffer] een lesje te leren. Bij die gelegenheid is gesproken over de verkrachting of aanranding van verdachte. Daarin was immers de aanleiding voor de afspraak gelegen.
Op zaterdag 21 juli 2012 is de jongste zoon van [betrokkene 2] jarig en wordt zijn verjaardag gevierd in de woning van [betrokkene 2] te Veenendaal. Op deze verjaardag zijn [medeverdachte] , verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] (de broer van [betrokkene 2] en daarmee-de oom van verdachte) aanwezig. [betrokkene 4] hoort die dag dat verdachte “verkracht” dan wel “aangerand” zou zijn door [slachtoffer] . Verdachte vertelde dat [slachtoffer] haar nog steeds lastig zou vallen met sms’jes dan wel via Facebook, in ieder geval telefonisch. Op enig moment rijden [medeverdachte] , verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] naar de woning van verdachte aan de [a-straat 1] te Arnhem. [betrokkene 4] bestuurt de auto. Vanuit de auto telefoneert verdachte met [slachtoffer] . Zij vraagt [slachtoffer] om naar haar woning te komen. Via Facebook heeft verdachte [slachtoffer] op de mouw gespeld dat het uit is met haar vriend.
Uit de telefoongegevens van het toestel van [medeverdachte] blijkt dat er op 21 juli 2012 verschillende keren contact is geweest tussen het telefoonnummer van [medeverdachte] en het nummer van [slachtoffer] . Ook is er diezelfde dag een instant message verstuurd met het toestel van [medeverdachte] naar ‘ [verdachte] ’ (het hof begrijpt: verdachte) met de tekst: “Ik laat hem niet uitpraten.”
Wanneer het viertal arriveert bij de woning van verdachte, gaat deze als eerste naar boven. [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] blijven beneden wachten. Vervolgens telefoneert verdachte met [betrokkene 4] . Het hof gaat er van uit dat verdachte heeft willen controleren of de kust veilig was en dat zij, toen zij zag dat [slachtoffer] nog niet was gearriveerd, [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] naar boven liet komen. Het hof acht niet aannemelijk dat de drie mannen om een andere reden niet meteen mee naar de woning van verdachte zijn gegaan.
De drie mannen gaan vervolgens de woning van verdachte binnen en gaan naar de slaapkamer. In de slaapkamer bevindt het drietal zich buiten het zicht van mensen die zich in de woonkamer zouden bevinden. [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] vermommen zich dan wel maken zich onherkenbaar.
Kort na de binnenkomst van [slachtoffer] stormen [medeverdachte] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] de slaapkamer uit, de woonkamer in. Zij gaan gedrieën [slachtoffer] te lijf waarbij zij op [slachtoffer] inslaan en inschoppen. Daarbij wordt [slachtoffer] ook tegen zijn hoofd getrapt en geschopt.
Door één van de klappen van [medeverdachte] op het hoofd van [slachtoffer] , gaat [slachtoffer] door zijn knieën. Volgens [medeverdachte] is [slachtoffer] dan “knock-out”. Uit de verklaring van [slachtoffer] en uit de door het hof op dit punt geloofwaardig geachte verklaring van [medeverdachte] leidt het hof af dat verdachte hierbij aanwezig is geweest en uit de verklaring van [medeverdachte] bovendien dat verdachte na afloop op [slachtoffer] heeft gespuugd en hem de woorden heeft toegevoegd: “Dat is je verdiende loon.” Nadat [slachtoffer] is afgetuigd, is het slecht met hem gesteld. Hij zit onder het bloed. [medeverdachte] verklaart dat [slachtoffer] er niet uitzag. [slachtoffer] ligt uitgevloerd op de vloer. Nadat het geweld tegen [slachtoffer] is gestopt, maken [medeverdachte] , verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 4] eerst de woning gedurende geruime tijd schoon. [slachtoffer] wordt in een laken of dekbedhoes gewikkeld en naar beneden afgevoerd. Verdachte gaat op de uitkijk staan om te kijken of de kust veilig is. [slachtoffer] wordt in de kofferbak van de auto van [betrokkene 4] gelegd. Hij is dan als het ware meer dood dan levend. De auto staat geparkeerd voor de flat van verdachte. Er zijn plastic zakken in de auto van [betrokkene 4] gelegd. Het hof gaat ervan uit dat dit is gedaan om ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk sporen in die auto achter zouden blijven. In de auto bevinden zich vier personen: [betrokkene 2] en [betrokkene 4] , [medeverdachte] en [slachtoffer] . Verdachte niet. Vervolgens rijdt de auto via de Pleyroute naar Rheden, waar de ernstig gewonde [slachtoffer] wordt gedumpt op een afgelegen plek in een bos bij de Snippendaalseweg, nabij de plaats waar in het verleden een asielzoekerscentrum was gevestigd. In de ochtend van 22 juli 2012 wordt [slachtoffer] gevonden door een toevallige voorbijganger. Bij [slachtoffer] zijn de volgende verwondingen geconstateerd:
- zeer forse kneuzingen in het gelaat;
- een gebroken neus;
- enkele afgebroken snijtanden;
- onderkoeling;
- een bloeduitstorting in de oorschelp;
- blauwe plekken op buik en benen;
- schaafwonden op de knieën;
- coiling (verstopping) van de miltslagader.
Als [slachtoffer] een uur later gevonden zou zijn, zou hij zijn overleden ten gevolge van inwendige bloedingen.