Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk, (impliciet) de betekening van de dagvaarding van verzoeker in hoger beroep voor de zitting van 6 oktober 2014 geldig heeft geacht en verstek tegen verzoeker heeft verleend en heeft aangenomen dat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, terwijl niet is geprobeerd de dagvaarding uit te reiken aan het adres waar verzoeker als ingezetene was ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP), terwijl evenmin een afschrift van de dagvaarding is toegezonden aan het door verzoeker opgegeven adres bij het instellen van het hoger beroep.
tweede middelbehelst drie klachten. De eerste klacht houdt in dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als eenvoudige belediging (art. 266 Sr Pro), aangezien het bestanddeel ontbreekt dat de belediging heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de beledigde zodat het bewezenverklaarde niet strafbaar is en niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. De tweede klacht luidt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende begrijpelijk, het versturen van een e-mail heeft aangemerkt als een feitelijkheid in de zin van art. 266 Sr Pro. De derde klacht stelt dat van het bewezenverklaarde handelen niet kan worden gezegd dat dit “niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt”.