Conclusie
Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer
Artikel 2.9 Verblijfsverbod
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een verblijfsverbod dat was opgelegd op grond van artikel 2.9A van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Amsterdam 2008. Het hof oordeelde dat een verblijfsverbod aan een dealer kan worden opgelegd indien sprake is van antecedenten op het gebied van handel in drugs, waarbij één antecedent voldoende is.
De verdediging stelde dat het bevel niet rechtsgeldig was omdat volgens haar uitleg meerdere antecedenten vereist zouden zijn. De Hoge Raad bevestigt echter de uitleg van het hof dat het begrip 'antecedenten' in deze context ook kan slaan op één enkel strafrechtelijk relevant voorval, mede gelet op de toelichting bij de APV en de teleologische interpretatie. De Hoge Raad benadrukt dat het bevel rechtmatig is gegeven en dat de strafrechter ook bij een bestuursrechtelijke rechtsgang zelfstandig moet toetsen aan de rechtmatigheid van het bevel.
De Hoge Raad verwierp de cassatiegrond en bevestigde daarmee de geldigheid van het verblijfsverbod en de daarop gebaseerde veroordeling. Tevens werd opgemerkt dat het ontbreken van een bestuursrechtelijk beroep niet betekent dat het bevel automatisch rechtmatig is, maar dat de strafrechter dit moet onderzoeken. De conclusie van de Procureur-Generaal was daarom dat het cassatieberoep verworpen moet worden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens het niet voldoen aan het verblijfsverbod blijft in stand.