Conclusie
(hierna: [verweerder 1] )
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Bespreking van de klachten
- voor zover de laatste alinea van p. 2 en de eerste alinea van p. 3 van het cassatieverzoekschrift als een zelfstandige klacht tegen de laatste zin van rov. 12 moet worden begrepen richt de klacht zich tegen een niet dragende overweging van het hof,
tweede onderdeelstrekt ten betoge dat het hof de artikelen 19 Rv en 16 EVRM heeft geschonden doordat het hof de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door SRK c.s. meegebrachte personen in de gelegenheid heeft gesteld verklaringen af te leggen, zonder dat [verzoeker] hierop voldoende heeft kunnen reageren. Dat wringt volgens het onderdeel temeer omdat in die verklaringen wordt verwezen naar een extern onderzoek dat [verzoeker] niet kent. Het onderdeel stuit reeds af op de omstandigheid dat uit de beschikking van het hof niet blijkt dat het hof de tijdens de mondelinge behandeling afgelegde verklaringen of het daar aangehaalde externe onderzoek van enig, laat staan doorslaggevend, belang heeft geacht.
onderdeel 3wordt geklaagd dat het hof in rov. 6 ten onrechte heeft overwogen dat [verzoeker] als zijn belang niet langer noemt dat hij in dienst van SRK is geweest, nu [verzoeker] dit wel degelijk nog als belang noemt. Nu het hof in rov. 7 tot de slotsom komt dat [verzoeker] (op andere gronden) als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW Pro kan worden aangemerkt, heeft [verzoeker] bij dit onderdeel geen belang.
onderdeel 4. Dat onderdeel betoogt, op zichzelf terecht, dat het hof niet had mogen overgaan tot bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank, omdat het hof tot afwijzing van het verzoek komt en de rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk had verklaard. Indien het hof tot vernietiging was overgegaan had het moeten beslissen over de proceskosten in eerste aanleg. [8] Dat het hof daarbij zou hebben besloten om de proceskosten in eerste aanleg voor rekening van SRK c.s. te laten komen ligt niet voor de hand, nu het hof – met de rechtbank – van oordeel was dat [verzoeker] in het ongelijk gesteld diende te worden.
alsal kan worden gezegd dat SRK c.s. art. 4:67 lid 1 Wft Pro aanvankelijk niet juist heeft nageleefd, het beleid op dit punt inmiddels (en blijkens rov. 11 en 12 naar het – overigens onbestreden – oordeel van het hof: tijdig) is aangepast.
onderdelen 7 en 8voldoen niet aan de eisen van art. 407 Rv Pro. [verzoeker] volstaat ermee te klagen dat de “samenvatting van het hof niet representatief is voor zijn werkelijke klachtpunten” en dat (dus) “de inhoudelijke problematiek” van het door hem aan SRK c.s. gemaakte verwijt onvoldoende besproken is zonder duidelijk te benoemen
waaromdit het geval is en welke – als essentieel aan te merken – stelling het hof precies onbesproken heeft gelaten.
onderdeel 9wordt geklaagd dat mr. P.J.M. Drion, de advocaat die SRK c.s. tijdens de procedure bij het hof heeft bijgestaan plaatsvervangend raadsheer is bij datzelfde hof, zodat sprake is van een “ontoelaatbare objectieve schijn van partijdigheid”. Het onderdeel faalt om dat i) uit het register Beroepsgegevens en nevenbetrekkingen Rechterlijke macht niet blijkt dat mr. Drion als plaatsvervanger raadsheer aan het hof Den Haag verbonden is, ii) [verzoeker] dit punt tijdens de procedure bij het hof niet aan de orde heeft gesteld en iii) zelfs als de hiervoor genoemde omstandigheden zich niet zouden voordoen, de klacht af zou stuiten op hetgeen in HR 30 juni 2000, NJ 2001/316 is bepaald. [9]