Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Public discussion draft 2007over de reikwijdte van art. 24 OESO Pro-Model gepubliceerd dat de vraag besprak of art. 24(5) OESO-Model ook ziet op groepsregimes, waaronder de mogelijkheid van ‘horizontale’ consolidatie zonder buitenlandse moeder. De desbetreffende
Working Groupvan de OESO concludeerde dat fiscale groepsregimes (inclusief moederloze zusterconsolidatie) niet onder die bepaling vallen. De vraag of bepaalde
groupingmogelijkheden onder art. 24(5) gebracht zouden moeten worden, werd opgenomen op een lijst van ‘issues that require a more fundamental analysis’ die ‘could lead to changes to Article 24’. De toevoeging van paragraaf 77 in 2008 is mijns inziens mede daarom geen wijziging, maar slechts een verduidelijking. Niets in het eerdere commentaar wees erop dat de OESO-lidstaten in 1963 art. 24(5) zagen als toegang biedende tot
group reliefvoor niet-ingezeten concerns, en al helemaal niet als toegang biedende tot een moederloze zustereenheid die binnenslands niet mogelijk is.
Public discussion draft 2007het tegendeel inhoudt: “Therefore, no consolidation of two subsidiaries of a foreign parent would be required under paragraph 5”. De
Working Groupconcludeerde dat het OESO
committee on fiscal affairszich in de toekomst moest beraden op de (on)wenselijkheid van binnenjurisdictionele consolidatie van resultaten van deels buitenlandse concerns en dat daarvoor art. 24(5) Model gewijzigd moest worden.
mogelijkheidhebben als hun ingezeten (groot)moeders meegevoegd worden, is mijns inziens geen discriminatie, nu die mogelijkheid slechts bestaat omdat hun moeders onderworpen zijn aan de Nederlandse vennootschapsbelasting en (i) zusters met niet-ingezeten moeders evenzeer die mogelijkheid hebben voor zover die niet-ingezeten moeders aan de Nederlandse vennootschapsbelasting zijn onderworpen doordat zij een vaste inrichting in Nederland hebben waaraan de dochteraandelen toerekenbaar zijn en (ii) fiscaal nauwelijks een verdergaande onvergelijkbaarheid denkbaar is dan die tussen onderworpenen en niet-onderworpenen. Pas door onderworpenheid worden niet-ingezetenen vergelijkbaar voor het doel van de fiscale eenheid, i.e. (i) het consolideren van in Nederland onderworpen concernresultaten en (ii) het uitschakelen van binnenjurisdictionele onderlinge verhoudingen en transacties. Uit het gegeven dat voeging wél mogelijk is als een niet-ingezeten moeder in Nederland een vaste inrichting onderhoudt waaraan de aandelen in de binnenlandse dochters moeten worden toegerekend, blijkt dat niet aandeelhouderschap het beslissende criterium is, maar onderworpenheid aan de Nederlandse vennootschapsbelasting.
ongeachtwaar de rest van het concern binnen de EU is gevestigd?), brengt geenszins mee dat die bevoordeling van het grensoverschrijdende geval ook door art. 27(4) Verdrag voorgeschreven zou worden. Die bepaling houdt geen jurisdictionele benadering op concernniveau in, maar een aandeelhouderschapscriterium op individueel dochterniveau, en zij beschermt niet, zoals de EU-vestigingsvrijheid, de niet-ingezeten moeder die zich binnenslands secundair vestigt, maar uitsluitend de dochter.
X. AG e.a. [1] logisch. De in die zaak toegepaste vestigingsvrijheid is in derde-landensituaties echter niet van toepassing. Weliswaar kan (secundaire) vestiging ook kapitaalverkeer meebrengen, dat in derdelandenverhoudingen wél geliberaliseerd is, maar uit
Franked Investment Income IIblijkt dat nationale wetgeving die slechts ziet op zeggenschaps-verhoudingen (zoals de fiscale-eenheidswetgeving, die alleen op ≥ 95%-belangen ziet) uitsluitend beoordeeld wordt onder de vestigingsregels, zodat aan de belanghebbenden geen beroep op het vrije kapitaalverkeer toekomt. Nu het Besluit FE 2014 en het wetsvoorstel 34 323 tot aanpassing van de fiscale eenheid een moederloze zustereenheid niet toestaan bij een ingezeten moeder, acht ik het geenszins logisch dat art. 27(4) Verdrag daartoe bij een niet-ingezeten moeder wel zou dwingen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
public discussion draft2007 overduidelijk aangeeft dat in elk geval tot 2007 de lidstaten geen eenduidig standpunt hadden over de betekenis van art. 24(5) OESO-Model voor consolidatievraagstukken. Ook als het 2008 OESO-commentaar gewicht in de schaal zou leggen bij de toepassing van een verdrag uit 1973, volgt er geenszins uit dat een binnenlandse zuster-eenheid uitgesloten zou zijn. De 2008-tekst verwijst immers slechts naar grensoverschrijdende consolidatie van resultaten van inwoners en niet-inwoners en gaat niet over (en verzet zich dus niet tegen) voeging van alleen de NL-belanghebbenden. Omdat de Israëlische moeders niet worden gevoegd, bestaat er geen gevaar voor verliesimport vanuit Israël of winstverschuiving naar Israël.
X. AG e.a., merken de belanghebbenden op dat het HvJ EU het in die zaak weliswaar niet nodig achtte, gezien het doel van de fiscale eenheid, om de Duitse moeder voeging met haar Nederlandse dochters toe te staan (r.o. 51 en 52), maar dat dat Hof wel onrechtmatig achtte de weigering van een fiscale eenheid tussen de Nederlandse dochters (r.o. 56 en 57). Zij citeren r.o. 75 sub 2:
X. AG e.a.,en de zaak van de NL-belanghebbenden, lijkt een gelijke uitkomst de NL-belanghebbenden logisch.
4.De regels
De Wet op de vennootschapsbelasting
2. Onder een bezit als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een middellijk bezit van aandelen, mits deze onmiddellijk worden gehouden door één of meer belastingplichtigen die van de fiscale eenheid deel uitmaken.
c. beide belastingplichtigen in Nederland zijn gevestigd en ingeval op een belastingplichtige de Belastingregeling voor het Koninkrijk (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002464&g=2013-01-01&z=2016-08-29), de Belastingregeling voor het land Nederland dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is, die belastingplichtige tevens volgens die regeling onderscheidenlijk dat verdrag geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd of is voldaan aan de in en krachtens het vierde lid, tweede volzin, gestelde voorwaarden;
(…)
4. (…) Voorts kan een belastingplichtige die op grond van de nationale wet of op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet in Nederland is gevestigd maar wel een onderneming drijft met behulp van een in Nederland aanwezige vaste inrichting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, deel uitmaken van een fiscale eenheid voorzover het heffingsrecht over de uit die onderneming genoten winst ingevolge de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voor het land Nederland dan wel een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland is toegewezen indien:
Public discussion draftgepubliceerd over ‘Application and interpretation of art. 24 (non-discrimination)’ [15] opgesteld door een
Working Groupmet vertegenwoordigers van een aantal landen uit de
Working Party No. 1 on Tax Conventions and Related Questions(een
sub-groupvan het
OECD Committee on Fiscal Affairsdie over de
updatingvan het Modelverdrag gaat). Die
draftvermeldt:
Working Groupvond daar zelf het volgende van:
discussion draftis een bijlage gevoegd waarin ‘issues’ zijn opgenomen ‘which require a more fundamental analysis of the issue of non-discrimination and taxation which could lead to changes to Article 24’ en die geagendeerd worden voor een volgend project van de (
Committee on fiscal affairsvan de) OESO. De
groupheeft dus geen conclusies getrokken ter zake van deze ‘issues’, één waarvan ‘jurisdictionele consolidatie’ (zoals een zuster-fiscale-eenheid) betreft:
Working Groupging ook in op meestbegunstiging, die hij uitgesloten achtte:
Working Group:
5.Jurisprudentie
X AG e.a. (zie 5.3 hieronder). De (eerste) conclusie [16] in die zaak vermeldde over het beroep op die verdragsbepalingen:
group contribution-, integratie- of consolidatie-wetgeving. Het
2008-commentaar bij art. 24(5) OESO-modelverdrag doet dat wel (…).
group relief, integratie of consolidatie. Weliswaar is dit 2008-commentaar op art. 24(5) Model van later datum dan de toe te passen verdragen, maar in dit geval is de aanvulling van het commentaar mijns inziens onmiskenbaar een verduidelijking worden gezien, nu niets in de eerdere commentaren erop wees dat de eerdere commentatoren enige stap in de richting van grensoverschrijdende verliesverrekening en opheffing van resultaatneming op intercompany transacties zouden hebben gewild.
X Holding BV.
binnen dezelfde jurisdictie, waartussen een tussenhoudster in de andere verdragstaat geschakeld is die niet geconsolideerd wordt, zodat op zichzelf geen grensoverschrijdende consolidatie aan de orde is en het Commentaar dus op zichzelf in casu geen gezichtspunten biedt. Volgens Boulogne [18] kan art. 24(5) OESO-Model in onze – uitsluitend de heffing ten laste van
binnenlandsevennootschappen betreffende – situatie daarom wél ingeroepen worden:
World Tax Journalvan Avery Jones e.a. [19] blijkt dat er inderdaad nationale belastingrechters zijn die naar nationaal recht uitgesloten
Papillon-achtige situaties (tussenhoudster in het andere verdragsland) niettemin in aanmerking hebben doen komen voor
group contributionregels op basis van 24(5) OESO-Modelverdrag (citaat met voetnoten):
group contributionsystemen (die vergelijkbaar zijn met het Britse
group reliefsysteem) veel minder ver gaan (slechts resultaatoverheveling inhouden die niet langs een ononderbroken keten van aandeelhouderschap hoeft te lopen, mits het resultaat maar binnen de groep blijft) dan de volledige fiscale consolidatie tot één belastingplichtige die het Nederlandse fiscale-eenheidsregime inhoudt. Ik zie mede daarom in belanghebbendes geval de gestelde discriminatie naar aandeelhouderschap niet, nu immers ook in de geheel binnenlandse situatie de eis van een ononderbroken aandeelhouderschapsketen gesteld wordt voor fiscale vereenzelviging, en wel om – zoals boven bleek – volkomen rationele redenen. (…) Niet relevant is dat aan een concern met een buitenlandse tussenhoudster de keuze wordt onthouden die tussenhoudster te voegen, nu - zoals boven bleek - art. 24(5) OESO-Model juist niet noopt tot integratie van (de resultaten van) een tussenhoudster in het andere verdragsland.
ratione personaemijns inziens in het geheel niet onder de door haar ingeroepen nondiscriminatiebepalingen vallen. De belanghebbende valt er niet onder omdat zij niet stelt anders behandeld te worden op grond van het inwonerschap in een verdragsstaat van
haaraandeelhouders. Voor zover zij in deze procedure haar Nederlandse kleindochters kan vertegenwoordigen, wordt deze kleindochters de mogelijkheid tot voeging met de belanghebbende voorts niet onthouden op grond van het
inwonerschapvan de tussenhoudsters, maar op grond van de
niet-onderworpenheidvan die tussenhoudsters in Nederland. Als de tussenhoudsters in Nederland een vaste inrichting zouden hebben onderhouden waaraan de deelnemingen in de kleindochters toe te rekenen zouden zijn geweest, dan was de gewenste consolidatie immers wél mogelijk geweest, hoewel beide tussenhoudsters nog steeds
inwonervan Spanje resp. Griekenland zouden zijn geweest.”
X AG e.a., [21] geoordeeld dat de EU-vestigingsvrijheid zich verzet tegen (kort gezegd) de beperking in art. 15 Wet Pro Vpb dat de moedervennootschap of een Nederlandse vaste inrichting van de moedervennootschap waaraan de dochters toerekenbaar zijn meegevoegd moet worden. Het HvJ EU zag een benadeling doordat een mogelijk
cash flowvoordeel werd onthouden aan niet-ingezeten EU-moeders waarvoor onvoldoende rechtvaardiging bestond:
Franked Investment Income II [22] heeft het HvJ EU zijn eerdere opvatting over de verhouding tussen kapitaalverkeer en vestiging jegens derde landen nader bepaald:
Skatteverket v A. [23] geoordeeld dat het kapitaalverkeer naar of uit derde landen plaatsvindt in een andere juridische context dan het kapitaalverkeer binnen de EU, dat intra-EU-kapitaalverkeer niet steeds vergelijkbaar is met derdelanden-kapitaalverkeer en dat beperkingen jegens derde landen gerechtvaardigd kunnen zijn die binnen de EU niet gerechtvaardigd zouden zijn:
6.Literatuur
travaux préparatoirebij het OESO-commentaar en voor zover ik heb kunnen nagaan is dit niet eerder door een Nederlandse belastingrechter openlijk op deze manier als uitleggingsmiddel gebruikt.
World Tax Journalde betekenis onderzocht van art. 24(5) OESO-Model voor nationale bepalingen over binnengroepse overdracht van winsten, verliezen en bezittingen. Zij achten het OESO-Commentaar 2008, inhoudende dat groepsbepalingen niet onder art. 24(5) OESO-Model vallen, te ongenuanceerd:
7.Behandeling van het middel
ownershipbepaling van art. 24(5) van het Model zou kunnen vallen (anders hadden zij er wel wat over gezegd). Mij lijkt aannemelijk dat zij in 1963 – en ook nog in 1977 - dachten aan rechtstreekse discriminatie van een vennootschap gehouden door inwoners van de andere Staat, bijvoorbeeld door ongunstiger winstbepalingsregels, beperkter toegang tot belastinguitgaven, een effectief hoger tarief, minder gunstige aangifte-, boekhoud- of uitstelregels, minder gunstige belastingrentevergoeding, moeizamer toegang tot de belastingrechter, en dergelijke. Pas in 2007/2008 heeft de OESO commentaar geformuleerd ter zake van groepsregimes omdat er discussie over was ontstaan. Dat latere commentaar (zie 4.6 en 4.7 hierboven) houdt in dat de toepassing van nationale groepsregimes niet onder van art. 24(5) OESO-Model valt, expliciet ook niet ‘rules that allow consolidation, transfer of losses or tax-free transfer of property between companies under common ownership’. Daaruit blijkt dat het niet-toestaan van een moederloze zustereenheid bij een buitenlandse moeder (waar dat bij een binnenlandse moeder wél toegestaan zou zijn, wat in Nederland niet het geval is), volgens de OESO niet onder art. 24(5) OESO-Model valt en daar, nu het om een verduidelijking gaat, ook nooit onder gevallen heeft. Uitgesloten lijkt mij dan dat het
Committee on fiscal affairsvan de OESO wél een discriminatie naar aandeelhouderschap zou hebben gezien in
gelijkebehandeling van binnenlandse en buitenlandse moeders in die zin dat een moederloze zustereenheid in geen van beide gevallen mogelijk is, zoals in Nederland (behoudens in EU/EER-gevallen waarmee de belanghebbenden niet vergelijkbaar zijn).
Public discussion draftvan een werkgroep uit
Working Party Ide vraag besproken (zie 4.8-4.11 hierboven) of art. 24(5) OESO-Model de toepassing van fiscale groepsregimes bestreek. Het antwoord van die werkgroep luidde ontkennend, expliciet ook voor moederloze zusterconsolidatie (zie onderdeel 14 van het citaat in 4.8 hierboven): “(…) paragraph 5 (…) is similarly limited to the taxation of the enterprise itself and generally excludes issues related to the taxation of the group to which the enterprise belongs.
Therefore, no consolidation of two subsidiaries of a foreign parent would be required under paragraph 5[
curs.PJW].” Dit citaat lijkt mij niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Wel zou volgens de
Working Groupnagedacht kunnen worden over de (on)wenselijkheid van consolidatiemogelijkheden voor het binnenjurisdictionele deel van een grensoverschrijdende groep onder art. 24(5) OESO-Model, en hij plaatste dat ‘issue’ daarom op de
to dolijst van het
Committee on fiscal affairsmet het oog op mogelijke toekomstige wijziging van art. 24 (zie 4.9 hierboven). [28] Daaruit blijkt dat volgens die
Working Groupart. 24 van Pro het Model gewijzigd moet worden voordat het de toepassing van groepsregimes op moederloze zustereenheden met een buitenlandse moeder bestrijkt (en dan uiteraard slechts voor zover zo’n moederloze zustereenheid binnenslands wél is toegestaan). Ik merk op dat de
Working Groupdaarbij vermoedelijk dacht aan de in veel andere landen gebruikte resultaatsoverbrenging tussen groepsvennootschappen
nietvia een gemeenschappelijke moeder, en vermoedelijk niet dacht aan behandeling als één belastingplichtige zoals in Nederland.
soft lawwas of een wijziging. Ik meen dat het om een verduidelijking en niet om een wijziging gaat, omdat (i) niets in het eerdere commentaar er op wijst dat de OESO-lidstaten vóór 2007 op het idee waren gekomen dat art. 24(5) zich zou kunnen uitstrekken tot de toepassing van groepsregimes op het binnenlandse deel van een buitenlands concern en (ii) het uiterst onwaarschijnlijk is dat de OESO-Staten zo’n uitstrekking tot groepsregimes in 1963 zouden hebben gewild, c.q. dat Israël en Nederland dat zouden hebben gewild in 1973. Nog onaannemelijker lijkt mij de gedachte dat de OESO in 1963 c.q. Israël en Nederland in 1973 zouden hebben gewild dat de binnenslands
niet-toegestane figuur van een moederloze zustereenheid wél toegestaan zou moeten worden bij een niet-ingezeten moeder. Het heeft in de EU tot 2014 geduurd voordat het HvJ EU op basis van het in de EU-verkeersvrijheden besloten nonmarktrestrictiebeginsel (dat veel verder gaat dan de beperkte nondiscriminatieregels van de OESO
soft law) aannam dat een binnenslands
niet-toegestane moederloze zustervennootschap in de interne markt (die Nederland niet deelt met Israël) wel toegestaan moet worden om een marktbelemmering voor intra-EU-concerns in vergelijking met éénjurisdictionele concerns weg te nemen. Het HvJ EU gebruikt daarbij een ander criterium (het binnen-één-jurisdictiecriterium op concernniveau, vanuit de secundaire vestigingsvrijheid van de niet-ingezeten moeder) dan het criterium van art. 24(5) OESO-Model (aandeelhouderschapscriterium op individueel dochterniveau).
Working Groupvan de OESO is ‘the right comparator for the purposes of paragraph 5 (…) a domestic enterprise owned by residents’ (onderdeel 88 van de 2007
public discussion draft, zie 4.12 hierboven); dat volgt mijns inziens ook uit de tekst van de bepaling. [X4] , [X6] en [X5] en hun Israëlische (groot)moeders moeten dus vergeleken worden met drie BV’s wier aandelen worden gehouden door ingezeten (groot)moeders (en niet met drie BV’s wier aandelen worden gehouden door (groot)moeders in een andere EU-lidstaat, [29] nu art. 27(4) Verdrag geen meestbegunstigingsclausule is; zie ook 4.10 hierboven).
mogelijkheidhebben om – mits tezamen met hun ingezeten (groot)moeders – een fiscale eenheid te vormen, doet daar niet aan af. Die mogelijkheid hebben zusters met niet-ingezeten (groot)moeders immers ook, mits die (groot)moeders net zoals ingezeten moeders onderworpen zijn aan Nederlandse vennootschapsbelasting doordat zij in Nederland een vaste inrichting hebben waaraan het aandelenbezit in de zusters kan worden toegerekend. Pas door onderworpenheid van hun resultaten worden niet-ingezetenen vergelijkbaar voor het doel van de fiscale eenheid, i.e. (i) het consolideren van in Nederland onderworpen concernresultaten en (ii) het uitschakelen van binnenjurisdictionele onderlinge verhoudingen en transacties. Dat het HvJ EU er een andere (markt(toegang)gelijkheids)benadering op concernniveau op na houdt (die mijns inziens zusters met niet-ingezeten moeders bevoordeelt), betekent niet dat die benadering in de plaats gesteld zou moeten worden van het veel beperktere aandeelhouderschapscriterium op individueel dochterniveau dat art. 24(5) OESO-Model stelt. Ook uit de boven (4.6) geciteerde paragrafen 78-80 van het Commentaar op art. 24(5) OESO-Model blijkt duidelijk dat die bepaling een véél beperkter discriminatie-naar-aandeelhouderschapbegrip inhoudt dan het non-markt(toegang)restrictiebegrip in de EU-verkeersvrijheden. Uit die paragrafen blijkt immers dat art. 24(5) OESO-Model verschillende behandeling van niet-ingezeten moeders toestaat bij onder meer dividendbelastingheffing,
thincap-regels en verrekenprijs-(documentatie)eisen, waar dergelijk onderscheid niet is toegestaan onder de EU-vestigingsvrijheid, behoudens zeer beperkte rechtvaardigingsmogelijkheden. Ik herhaal dat het Besluit FE 2014 en het wetsvoorstel 34 323 tot aanpassing van de fiscale eenheid een moederloze zustereenheid binnenslands niet toestaan en dat het ondenkbaar lijkt dat de OESO-Staten in 1963, c.q. Nederland en Israël in 1973, op het vlak van groepsregimes niet-ingezeten moeders zouden hebben willen bevoordelen ten opzichte van ingezeten moeders.
ICI, [30] Felixstowe, [31] Papillon, [32] Philips Electronics [33] en
SCA Group Holding,
X AG e.a.en
MSA International Holdings [34] te hebben gekozen: dat een concernstructuur ook een niet-ingezeten
link companyomvat, mag – behoudens misbruik- en
double dipbestrijding – in een interne markt geen reden zijn om het ingezeten deel van het concern een consolidatiemogelijkheid te onthouden die een geheel ingezeten concern wel heeft, ook niet als voor ingezeten concerns (wel) een ononderbroken-keten-eis geldt waaraan het grensover-schrijdende concern niet binnenlands kan voldoen. Die zeer ruime onbelemmerde-markt(toegangs)benadering past niet bij de veel beperktere strekking van art. 24(5) OESO-Model, dat geenszins bedoeld is om een interne markt te creëren. Het HvJ EU beziet consolidatiekwesties vanuit de markt(toegang)gelijkheid van de niet-ingezeten moeder die zich door middel van dochters secundair vestigt in een andere lidstaat, terwijl art. 24(5) OESO-Model is geschreven vanuit het perspectief van de individuele dochter die ofwel een binnenlandse ofwel een niet-ingezeten aandeelhoudster heeft.
ownershipmaatstaf vereist: ‘since the [Dutch; PJW] regime permits what at most would be required under the ownership provision, we consider that it does not give rise to a violation’. Uit het gegeven dat de (groot)moeders bij een vaste inrichting in Nederland en toerekening van de aandelen in de NL-belanghebbenden aan die v.i. wel gevoegd kunnen worden, blijkt mijns inziens dat – als groepsregimes al onder art. 27(4) Verdrag zouden vallen en als al sprake zou zijn van ongelijke behandeling - niet aandeelhouderschap het onderscheidende criterium is, maar onderworpenheid. ’s Hofs r.o. 4.24 acht ik daarom rechtskundig onjuist.
Franked Investment Income II. Zelfs als het kapitaalverkeer wél van toepassing zou zijn, volgt uit het eveneens boven (5.5) geciteerde arrest
Skatteverket v. A.dat kapitaalverkeer naar of uit derde landen in een andere juridische context plaatsgrijpt dan kapitaalverkeer binnen de Unie en niet vergelijkbaar hoeft te zijn, en dat een beperking van het kapitaalverkeer naar of uit derde landen gerechtvaardigd kan zijn waar die intra-EU niet gerechtvaardigd zou zijn. In dit verband is van belang dat het Verdrag met Israël uit 1973 stamt en niet voldoet aan de binnen de EU, de OESO en de G20 geldende eisen van administratieve samenwerking en (automatische) gegevensuitwisseling (zie art. 29 van Pro het Verdrag). Israël heeft wel, op 24 november 2015, het multilaterale OESO/Raad van Europa-verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken ondertekend, maar dat treedt pas vanaf 1 december 2016 voor Israël in werking en bevat veel voorbehouden en is hoe dan ook niet relevant voor het geschiljaar. Maar dit alles ten overvloede.