Conclusie
Zitting: 20 september 2016
[verzoekster]wonende te [woonplaats](hierna: [verzoekster])
Hetgeen is overwogen in rov. 4.2, dat gedurende de gehele loop van de schuldsaneringsregeling de informatieverplichting moeizaam is verlopen, lijkt niet te zijn bedoeld als een zelfstandige grond voor tussentijdse beëindiging. Wel heeft het voor het hof kennelijk enige ondersteunende betekenis.
In rov. 4.3 overweegt het hof ook dat [verzoekster] bij de toelating tot de schuldsanering een baan voor 32 uur had, maar dat zij deze medio augustus 2014 heeft beëindigd. Niet duidelijk is of het hof dit [verzoekster] tegenwerpt. Volledigheidshalve merk ik op dat uit het verweerschrift van de bewindvoerder in hoger beroep blijkt dat het hier niet om een betaalde baan ging, maar om een reïntegratietraject met behoud van uitkering. [3]
Ten aanzien van de informatieverplichting stelt de rechtbank vast dat de tekortkoming in de nakoming van deze verplichting is hersteld.”
Gronden voor verlenging kunnen zijn de mate van verwijtbaarheid van het ontstaan van de problematische schuldensituatie, of een geringe achterstand in de boedelbijdrage. [5] Wel moet vaststaan dat de verwachting gerechtvaardigd is dat de schuldenaar tijdens een geringe verlenging van de duur van de schuldsanering deze kan inlopen. [6] In de beslissing van het hof is hierover niets vastgesteld. Met name is het hof niet ingegaan op de mededeling van [verzoekster] in het aanvullend beroepschrift dat zij het maatschappelijk werk heeft ingeschakeld, hetgeen zij met een bewijsstuk heeft onderbouwd. [7] Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat zij een intake-gesprek met het maatschappelijk werk heeft gehad. Uit rov. 4.5 is niet af te leiden dat het hof deze omstandigheid bij zijn beslissing om niet te verlengen heeft betrokken. Dit klemt temeer nu het hof haar wel tegenwerpt dat zij niet tijdig hulp heeft gevraagd aan derden. Ook op dit punt acht ik de beslissing van het hof onvoldoende gemotiveerd.