2.5In zijn eindvonnis van 12 februari 2013 heeft de Kantonrechter geoordeeld dat het bewijs niet is geleverd. De vordering van [eiser] is afgewezen. Daartoe heeft de Kantonrechter, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:
“2.
De getuigenverklaringen en de verklaringen van [eiser] zelf lopen parallel waar het gaat om het volgende.
Na de selectiegesprekken op vrijdag 4 november 2011 is op diezelfde dag telefonisch door [betrokkene 1] aan [eiser] meegedeeld dat hij nummer één op de voordracht stond en dat, als hij dat accepteerde, hij de daaropvolgende maandag, 7 november, op school werd verwacht om werkafspraken te maken en om afspraken te maken met de personeelsfunctionaris. [eiser] is op 7 november naar de school in Steenwijk gegaan, heeft met [betrokkene 1] werkafspraken gemaakt, is door hem voorzien van allerhande documentatie (roosters, klassenlijsten, boeken), is rondgeleid door de school en aan andere docenten en aan een klas voorgesteld als de vervanger van de zieke docent [betrokkene 5] . Met [betrokkene 1] heeft [eiser] afgesproken dat hij op woensdag 9 november zou beginnen. Daarna heeft [eiser] een gesprek gehad met [betrokkene 2] . Daarbij heeft laatstgenoemde aan de orde gesteld dat [eiser] alleen zou kunnen komen op basis van een payroll overeenkomst, waarop [eiser] te kennen heeft gegeven dat hij daar niet voor voelde. Vanaf dit punt lopen de verklaringen uiteen.
3.
Volgens [eiser] heeft [betrokkene 2] naar aanleiding van zijn bezwaren telefonisch inlichtingen ingewonnen over de vraag of hij ook bij een payroll constructie gewoon onder de toepasselijke cao zou vallen. Na dat telefoongesprek heeft [betrokkene 2] hem meegedeeld dat besloten was dat de school hem rechtstreeks in dienst zou nemen en dat hij de daaropvolgende woensdag kon beginnen. Aan het eind van dat gesprek heeft [betrokkene 2] hem nog een aantal, met het oog op de indiensttreding in te vullen formulieren meegegeven, waarna hij nog even afscheid is gaan nemen van [betrokkene 1] en zij zijn uit elkaar gegaan met “tot woensdag”.
4.
De verklaring van [betrokkene 2] luidt anders en wel aldus.
“Ik heb [eiser] toen aangegeven dat het een dienstbetrekking zou worden op basis van een payroll-overeenkomst. Feitelijk betekent dat dus een detachering vanuit de payroll-organisatie. De reactie van [eiser] was: daar ben ik het niet mee eens. Ik heb hem aangegeven dat er eigenlijk geen verschil was omdat de arbeidsvoorwaarden conform de CAO zijn. Hij reageerde daarop door te zeggen dat er wel een verschil was. En dat zat dan in de bovenwettelijke uitkering. Ik heb toen meteen gebeld met de payroll-organisatie en die bevestigde het standpunt van [eiser] . [eiser] heeft daarop aangegeven dat hij beslist geen aanstelling op basis van een payroll-overeenkomst wilde omdat hij in de toekomst die bovenwettelijke uitkering nodig zou hebben. Ik heb daarop [eiser] laten weten dat ik dat met de rector moest opnemen omdat ik er zelf niet over kon beslissen. De rector was op dat moment niet aanwezig. Ik heb [eiser] toegezegd dat de school met hem contact zou opnemen om te laten weten wat het standpunt was inzake de payroll-overeenkomst. Diezelfde dag heb ik de vraag nog voorgelegd aan de heer [betrokkene 3] . Wij hebben toen eerst nog ons administratiekantoor laten uitrekenen wat het de school zou kosten als wij [eiser] zelf in dienst zouden nemen. Dat was zo veel dat dat voor de rector reden was om vast te houden aan de voorwaarde van een payroll-overeenkomst. Volgens mij is [eiser] van dit besluit op de hoogte gesteld door [betrokkene 1] .”
5.
[eiser] is partijgetuige en voor zijn verklaring geldt dat daaraan omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijskracht toekomt, tenzij er aanvullende bewijzen voorhanden zijn, die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.
Zijn verklaring dat hem in het gesprek met [betrokkene 2] is meegedeeld dat de school hem rechtstreeks in dienst zou nemen, wordt door geen enkele andere getuigenverklaring ondersteund. De verklaringen van andere getuigen wijzen juist in tegenovergestelde richting. [betrokkene 2] is stellig in haar verklaring dat zij [eiser] te kennen heeft gegeven dat zij niet over de indiensttreding kon beslissen. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij de beslissing over aanstelling van docenten nadrukkelijk aan zichzelf heeft gehouden, zodat [betrokkene 2] niet bevoegd was daarover te beslissen, en dat aanstelling op basis van een payroll-overeenkomst voor hem een harde eis was in verband met de financiële consequenties. Ook [betrokkene 1] heeft verklaard dat [eiser] , toen deze na het gesprek met [betrokkene 2] nog even bij hem langs kwam, te kennen heeft gegeven niet te willen gaan werken op basis van een payroll-constructie, waarop hij, [betrokkene 1] , aan de [eiser] heeft laten weten dat hij daar niets over kon zeggen omdat hij daar niet over ging. Het is niet aannemelijk dat [eiser] deze opmerking zou hebben gemaakt indien hem in het gesprek met [betrokkene 2] al een rechtstreekse aanstelling bij de school zou zijn beloofd.
6.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat niet als bewezen kan worden aanvaard, dat aan [eiser] is toegezegd dat hij zou worden aangesteld op basis van een rechtstreekse benoeming bij de school.
7.
Vervolgens dient nog de vraag worden beantwoord of [eiser] , zoals door hem betoogd, aan meerdere, aan de Stichting toe te rekenen gedragingen en uitlatingen op 7 november 2011, afzonderlijk of in combinatie, redelijkerwijs het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat school hem een rechtstreekse benoeming wilde geven. Naar het oordeel van de kantonrechter dient deze vraag ontkennend worden beantwoord.
Toen [eiser] in het gesprek met [betrokkene 2] werd geconfronteerd met de voorwaarde van een payroll-overeenkomst, wist hij meteen nauwkeurig, en zelfs beter dan de personeelsfunctionaris, wat het verschil was met een rechtstreekse aanstelling en hoefde hij ook niet na te denken over het formuleren van zijn standpunt. Daaruit valt op te maken dat [eiser] goed thuis is in deze materie en zich ervan bewust moet zijn geweest dat de arbeidsrelatie op meerdere wijzen juridisch vorm gegeven kon worden en dat hij erop bedacht was om in ieder geval op dit punt een voor hem gunstige afspraak te maken. Dat betekent dat hij niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen hebben dat een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen voordat over de aard van de aanstelling was gesproken en daarover overeenstemming was bereikt.
8.
Dat betekent ook dat [eiser] aan alle, aan het gesprek met de personeelsfunctionaris voorafgaande uitlatingen en gebeurtenissen, redelijkerwijs niet de verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij al in dienst was en wel op basis van een rechtstreekse benoeming bij de Stichting. Gegeven de druk om op zo kort mogelijke termijn een zieke docent te vervangen, moet voor hem duidelijk zijn geweest dat de werkafspraken met [betrokkene 1] , het verstrekken van documentatie, het rondleiden door de school en het voorstellen aan docenten en leerlingen, spoedshalve allemaal op dezelfde dag plaatsvonden als het gesprek over de rechtspositionele aspecten. Voor zover betrokkenen zich tegenover [eiser] hebben geuit en gedragen als was hij reeds een nieuwe collega, is dat begrijpelijk omdat zij niet op de hoogte waren van de (nog te voeren) discussie over de payroll-overeenkomst als mogelijk struikelblok en zulks moet voor [eiser] duidelijk zijn geweest.
9.
Aan de verklaring van [betrokkene 4] kan voorts niet de betekenis worden gehecht die [eiser] daaraan toegekend wil zien. [betrokkene 4] heeft verklaard: “Gebruikelijk is dat nieuwe docenten, en ook anderen die in ons gebouw komen, worden voorgesteld aan alle drie de afdelingsleiders. Dat betekent dat dus ook nieuwe collega's worden voorgesteld aan de afdelingsleiders”. Daaruit volgt wel dat elke nieuwe docent wordt rondgeleid maar niet dat iedereen die wordt rondgeleid ook een nieuwe docent is. Bovendien is in de hiervoor beschreven context begrijpelijk dat [eiser] als beoogd docent die twee dagen daarna al zou moeten starten, is rondgeleid.
10.
Het gegeven tenslotte dat [betrokkene 2] bij gelegenheid van hun gesprek aan [eiser] een aantal formulieren heeft meegegeven (inzake werknemersgegevens, reiskosten en loonbelasting verklaring) waarop de Stichting als werkgever staat vermeld, kan gelet op de omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen om te oordelen dat [eiser] daaruit redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Naar van de zijde van de Stichting is verklaard, zijn in verband met de grote haast om de vacature te vervullen op 7 november 2011 de standaard documenten meegegeven die altijd gereed liggen. Gegeven het feit dat, blijkens de getuigenverklaring van [betrokkene 2] , evident was dat de vraag nog open lag of de school bereid was om tegemoet te komen aan de eis van [eiser] , kan hij aan het meegeven van deze formulieren niet het gerechtvaardigde vertrouwen hebben ontleend dat de discussie over de rechtstreekse benoeming daarmee zijn voordeel was geëindigd en dat de Stichting rechtstreeks met hem een arbeidsovereenkomst heeft willen sluiten.
11.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] er niet in is geslaagd te bewijzen dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.”