Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
afhankelijk van de omstandigheden van het geval en derhalve aan de feitenrechter ter beslissing voorbehouden. Het hof is, als feitenrechter, op basis van de door de kantonrechter weergegeven overwegingen van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat partijen het tenminste over de essentialia van de arbeidsovereenkomst eens waren en/of dat [eiser] op grond van aan de Stichting toe te rekenen gedragingen en uitlatingen, afzonderlijk of in combinatie, er redelijkerwijze op heeft mogen vertrouwen dat zulks het geval was.
3.Inleiding
een anderde werkgever is. [4] Reeds daarom is niet goed duidelijk waarom het betoog over “payrolling” [eiser] te stade zou kunnen komen. Bovendien is hieromtrent in het middel niets te lezen en doet de s.t. geen beroep op nuttige stellingen die in dit kader in feitelijke aanleg zijn geëtaleerd. [5] Daarop stuit ook de verwijzing naar een conclusie van mijn ambtgenoot Timmerman [6] af.
4.Bespreking van de klachten
Onderdeel 1klaagt dat de door het Hof in rov. 3.3 en 3.4 vastgestelde feiten - hierboven vermeld onder 1.3 en 1.4 - geen andere conclusie toelaten dan dat partijen het wel degelijk eens waren over tenminste de essentialia van de arbeidsovereenkomst, althans dat partijen tenminste een rompovereenkomst zijn overeengekomen.
waaromdat oordeel in het licht van de genoemde feiten onbegrijpelijk zou zijn. Dat valt ook niet in te zien, reeds omdat geen overeenstemming bestond over de vraag wie de werkgever zou zijn. Dat laatste was, blijkens rov. 5 van het eindvonnis, voor de Kantonrechter het springende punt: