Conclusie
“aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is”veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren (subsidiair 40 dagen jeugddetentie).
eerste middelheeft het hof ten onrechte aangenomen dat er sprake was van een ‘aangifte’ als bedoeld in art. 188 Sr Pro. Het
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
tweede middelbeoogt te klagen dat de tenlastelegging (en als gevolg daarvan ook de bewezenverklaring) te ruim en niet specifiek is geformuleerd, stuit het erop af dat hierover niet voor het eerst met vrucht in cassatie kan worden geklaagd.