ECLI:NL:PHR:2015:906

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2015
Publicatiedatum
15 juni 2015
Zaaknummer
15/01248
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet BopzArt. 15 lid 5 Penitentiaire BeginselenwetArt. 38m SrArt. 51 Wet BopzArt. 38j Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mogelijkheid van voorlopige machtiging naast ISD-maatregel volgens Wet Bopz

In deze zaak staat de vraag centraal of een voorlopige machtiging op grond van artikel 2 Wet Pro Bopz kan samenlopen met de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel zoals bedoeld in artikel 38m Sr. Betrokkene is veroordeeld tot een ISD-maatregel en later is door de officier van justitie een verzoek ingediend voor een voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank heeft deze machtiging verleend, ondanks eerdere jurisprudentie die samenloop van strafrechtelijke en civielrechtelijke machtigingen in beginsel uitsluit.

De Hoge Raad bevestigt dat de samenloop van een voorlopige machtiging en een ISD-maatregel niet per definitie verboden is. De uitspraak van 18 april 2003 betrof een andere situatie, namelijk de terbeschikkingstelling, en is niet rechtstreeks van toepassing op de ISD-maatregel. De Hoge Raad benadrukt dat de Bopz-rechter moet waken voor ongewenste doorkruising en onduidelijkheid over de verblijfstitel, maar dat cumulatie mogelijk is indien de strafrechtelijke maatregel dit toelaat.

De rechtbank heeft gemotiveerd geoordeeld dat in casu geen sprake is van ongewenste doorkruising en dat de voorlopige machtiging noodzakelijk is vanwege de zorgbehoefte en het gevaar dat niet adequaat kan worden afgewend door de ISD-maatregel alleen. De Hoge Raad verwerpt de klachten tegen deze motivering en bevestigt dat de cumulatie van de voorlopige machtiging en de ISD-maatregel wettelijk is toegestaan. Hiermee wordt de rechtspositie van personen met een ISD-maatregel die psychiatrische behandeling nodig hebben verduidelijkt en versterkt.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een voorlopige machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk is zonder strijd met de wet of jurisprudentie.

Conclusie

15/01248
Mr. F.F. Langemeijer
1 mei 2015
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Oost-Brabant
In deze zaak gaat het om de mogelijkheid van samenloop van een ISD-maatregel en een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz.

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
Bij vonnis van 27 december 2011 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch aan verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren (ISD; art. 38m Sr). In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 22 juni 2012 dit vonnis bevestigd. Betrokkene is met ingang van 3 april 2013 opgenomen in de penitentiaire inrichting te Vught (Penitentiair Psychiatrisch Centrum).
1.2.
De officier van Justitie heeft op 8 december 2014 aan de rechtbank Oost-Brabant verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven (art. 2 Wet Pro Bopz). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring d.d. 5 december 2014 gevoegd van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1].
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 15 december 2014, in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de psychiater [betrokkene 2], de behandelcoördinator [betrokkene 3] en de zorg- en behandelingsinrichtingswerker [betrokkene 4]. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend ingaande op 15 december 2014 en eindigend op 15 juni 2015.
1.4.
In reactie op het verweer dat een voorlopige machtiging niet mogelijk is naast een ISD-maatregel overwoog de rechtbank:
“De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad bij beschikking van 18 april 2003 (LJN: AF5555) heeft bepaald dat een strafrechtelijke machtiging en een civielrechtelijke machtiging (BOPZ) niet naast elkaar kunnen bestaan en dat, wanneer van zo’n situatie wel sprake zou zijn, de strafrechtelijke machtiging prevaleert.
De strafrechter heeft verschillende mogelijkheden om iemand te laten opnemen en/of behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis indien sprake is van een door een geestesstoornis veroorzaakt gevaar. Een daarvan is de ISD maatregel van art. 38m Sr., waarbij iemand wordt opgenomen in een inrichting voor stelselmatige daders. Deze maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van de verdachte.
De ISD-maatregel biedt echter geen mogelijkheid voor dwangbehandeling. Een gedetineerde met een zorgbehoefte kan, op grond van de artikelen 15.5 en 43.3 Penitentiaire Beginselenwet, wel worden geplaatst in een zorginstelling, maar artikel 51 Wet Pro BOPZ verklaart de artikelen van de Wet BOPZ, die (onder meer) zien op de dwangbehandeling, nog niet van toepassing op personen met een ISD-maatregel. Een wetsvoorstel (nr 33771) waarin artikel 51 lid 3 Wet Pro B[O]PZ naar verwijst hiertoe wordt uitgebreid [1] , is recent aangenomen door de Eerste Kamer. Dat betekent dat iemand met een ISD-maatregel die, zoals in casu, zowel een meer adequate behandeling als noodmedicatie nodig heeft, momenteel niet zou kunnen worden doorgeplaatst naar de instelling die door de behandelaren noodzakelijk wordt geacht, en bij een vastlopen van de (vrijwillige) behandeling weer terug moet worden geplaatst naar de inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank is van oordeel dat in zo’n geval toch een samenloop mogelijk moet zijn; immers betrokkene verblijft bij overplaatsing “(BOPZ)-vrijwillig” in de instelling, terwijl ter bescherming van de maatschappij […] de ISD maatregel op de achtergrond doorloopt. Dat bijt elkaar niet, zo oordeelt de rechtbank.
Dat én de komende wetswijziging van artikel 51 lid 3 Wet Pro Bopz maakt een BOPZ-machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, bij de afweging van de oplegging van een BOPZ-maatregel, steeds een afweging moet worden gemaakt van de betrokken belangen. Voor betrokkene wordt in dit geval door de behandelaren een overplaatsing met de mogelijkheid van dwangbehandeling noodzakelijk geacht.”
1.5.
Namens betrokkene is – tijdig [2] – beroep in cassatie ingesteld. De officier van Justitie heeft in cassatie geen verweer gevoerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Onderdeel Ikomt in het kort neer op de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz kan samenvallen met de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde ISD-maatregel. Een dergelijke samenloop van twee titels tot vrijheidsbeneming is volgens het middelonderdeel in strijd met de beschikking van de Hoge Raad van 18 april 2003 [3] . Indien deze samenloop wel mogelijk moet worden geacht, valt volgens het middelonderdeel niet in te zien waarom deze nodig zou zijn, nu betrokkene met ingang van 1 januari 2015 onder vigeur van enkel de opgelegde ISD-maatregel onvrijwillig kan worden behandeld in een psychiatrisch ziekenhuis. Waarop de rechtbank haar oordeel grondt dat de wijziging van art. 51 lid 3 Wet Pro Bopz (in wetsvoorstel 33 771 [4] ) een Bopz-machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk maakt, is volgens het middelonderdeel niet duidelijk: deze wetswijziging heeft volgens het middel juist ten doel de behandelsituatie van personen die met een ISD-maatregel en van hen die met een Bopz-machtiging zijn opgenomen gelijk te trekken.
2.2.
Vooraf merk ik op dat uit de bestreden beschikking en uit de in cassatie overgelegde gedingstukken niet met zekerheid kan worden opgemaakt op welke datum de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel een aanvang heeft genomen, noch op welke datum zij zal eindigen. Het gaat in dit cassatieberoep niet om een geval waarin een voorlopige machtiging wordt aangevraagd in het zicht van het einde van de strafrechtelijke detentie teneinde de onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis direct te laten aansluiten op het tijdstip waarop de strafrechtelijke vrijheidsbeneming eindigt [5] . Op blz. 6 van de geneeskundige verklaring wordt gesproken van een verblijf op grond van een ISD-maatregel (als “afgestraft”) tot 21 maart 2015. Mijns inziens kan in cassatie ten minste hypothetisch worden uitgegaan van het feit dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog voortduurde ten tijde van de bestreden beschikking; blijkens haar overwegingen is de rechtbank daarvan uitgegaan. De omstandigheid dat betrokkene door de rechter in zijn woning is gehoord [6] , doet daaraan niet af.
2.3.
Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, sluit een vrijheidsbeneming op grond van een beslissing van de strafrechter een onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis niet zonder meer uit. Dit volgt uit het bepaalde in art. 51 Wet Pro Bopz, zoals dit artikel luidde in de periode voor 1 januari 2015. Dit artikel noemde drie categorieën:
(i) personen die op grond van een uitspraak van de strafrechter als bedoeld in art. 37 lid 1 Sr Pro in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven (zie art. 51 lid 1 Wet Pro Bopz);
(ii) personen die op grond van de Wet Bopz in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven en daarnaast ter beschikking zijn gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege (zie art. 51 lid 2 en Pro lid 3 Wet Bopz);
(iii) personen die op grond van de Wet Bopz en tevens met toepassing van art. 15 lid 5 Penitentiaire Pro beginselenwet (Pbw) in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven (zie art. 51 lid Pro 2, laatste volzin, Wet Bopz).
2.4.
In de onderhavige zaak gaat het om een geval uit de derde categorie. Volledigheidshalve zij vermeld dat naast deze drie categorieën meer mogelijkheden bestaan om een gedetineerde vanuit een penitentiaire inrichting onder te brengen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ten behoeve van de tweede evaluatie van de Wet Bopz in 2002 is een overzicht gemaakt van zeventien verschillende wegen, waarlangs een persoon vanuit een strafrechtelijk traject kan worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis [7] . De Nota van toelichting op het Interimbesluit forensische zorg, waarin de financiering is geregeld, onderscheidt zelfs 21 strafrechtelijke titels als basis voor het verlenen van forensische zorg [8] . De verblijfstitels voor jeugdigen, in deze zaak niet aan de orde, blijven in deze conclusie verder onbesproken.
2.5.
Art. 15 lid 5 Pbw Pro bepaalt:
“In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een gedetineerde kan de selectiefunctionaris bepalen dat de gedetineerde naar een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is te worden verpleegd.”
Deze mogelijkheid ziet op alle gedetineerden in een penitentiaire inrichting en is op zichzelf goed te verklaren. Wanneer een gedetineerde, bijvoorbeeld, psychotisch wordt, bestaan binnen een penitentiaire inrichting niet altijd passende ruimten en opvangmogelijkheden, noch is steeds voldoende gespecialiseerd personeel beschikbaar voor een psychiatrische behandeling. Daarom moet in zo’n geval kunnen worden uitgeweken naar een psychiatrisch ziekenhuis, net zoals een gedetineerde met letsel of een ernstige lichamelijke ziekte in voorkomend geval kan worden opgenomen in een algemeen ziekenhuis.
2.6.
In gevallen waarin de betrokken patiënt al op grond van een rechterlijke machtiging (als bedoeld in de Wet Bopz) onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft en het Openbaar Ministerie voornemens is over te gaan tot tenuitvoerlegging van een strafvonnis of andere strafrechtelijke beslissing tot vrijheidsbeneming (bijvoorbeeld wanneer de patiënt in voorlopige hechtenis wordt genomen) heeft de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissing in beginsel voorrang, ook al wordt de uitvoering van de rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz daarmee doorkruist [9] . De rechterlijke machtiging verleent een bevoegdheid aan het Openbaar Ministerie om de betrokken patiënt onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven, maar creëert niet een verplichting voor het O.M. om de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven.
2.7.
In het omgekeerde geval, waarbij het strafvonnis voorafgaat aan het verzoek om een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz, rijst inderdaad de vraag of een machtiging tot vrijheidsbeneming kan worden ‘gestapeld’ op de strafrechtelijke beslissing tot vrijheidsbeneming. De beschikking van de Hoge Raad van 18 april 2003, aangehaald in de bestreden beschikking en in het cassatiemiddel, had betrekking op samenloop van een terbeschikkingstelling en een rechterlijke machtiging krachtens de Wet Bopz. In die zaak werd in cassatie de vraag aan de orde gesteld of een lopende terbeschikkingstelling, althans een lopende terbeschikkingstelling met voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege waarvan nog verlenging mogelijk is op grond van art. 38j Sr, in de weg staat aan het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Pro Bopz. De Hoge Raad overwoog daaromtrent:
“3.3 Met het oog op een voor de praktijk hanteerbare oplossing dient bij de beantwoording van de door het middel aan de orde gestelde vraag, mede gelet op hetgeen hiervóór in 3.2 onder (iv) is vermeld, tot uitgangspunt te worden genomen dat voorrang wordt gegeven aan de in het kader van de terbeschikkingstelling genomen beslissingen. Dit stemt ook overeen met hetgeen in 3.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is vermeld omtrent de in art. 38l Sr. geregelde verhouding tussen de terbeschikkingstelling en de last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Ter voorkoming van ongewenste doorkruising van beslissingen inzake terbeschikkingstelling dient te worden aanvaard dat de burgerlijke rechter ervoor zorgt dat – behoudens in het in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 3.4 onder (iv) vermelde geval [10] – tijdens een lopende terbeschikkingstelling niet tegelijkertijd een machtiging ingevolge de Wet Bopz gaat gelden. Indien de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, doet een machtiging op grond van de Wet Bopz – behoudens in het zo-even genoemde geval – onzekerheid ontstaan omtrent de titel op grond waarvan de betrokkene rechtens van zijn vrijheid is beroofd en de plaats waar hij dient te worden opgenomen.
Ook in gevallen waarin de terbeschikkingstelling is gegeven zonder bevel tot verpleging van overheidswege dan wel het bevel tot verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd en de ter beschikking gestelde ingevolge een daarbij gestelde voorwaarde in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, dient te worden voorkomen dat daarmee strijdige beslissingen worden genomen en dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag op grond waarvan de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Voorts kan door het verlenen van een machtiging op grond van de Wet Bopz in gevallen waarin de strafrechter een terbeschikkingstelling zonder bevel tot verpleging heeft opgelegd, of het bevel tot verpleging voorwaardelijk heeft beëindigd, de nakoming van de in dat kader door de strafrechter gestelde voorwaarden in het gedrang komen.” [11]
2.8.
Anders dan in de zo-even geciteerde beschikking van 18 april 2003, is in de huidige zaak geen sprake van enige vorm van terbeschikkingstelling. In zoverre vindt de vraag naar de verenigbaarheid van een voorlopige machtiging met een ISD-maatregel niet rechtstreeks beantwoording in de beschikking van 18 april 2003. Aan de overwegingen in die beschikking kunnen wel enkele vuistregels worden ontleend [12] . De door de Hoge Raad geformuleerde normen houden in:
(i) dat de Bopz-rechter dient te waken voor een ongewenste doorkruising van de eerder gegeven strafrechterlijke beslissing;
(ii) dat de rechter behoort te voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag op grond van welke titel de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft;
(iii) dat meer in het bijzonder erop moet worden gelet of door het verlenen van een Bopz-machtiging de naleving van een of meer door de strafrechter gestelde voorwaarden in het gedrang komt.
Wanneer men dit alles in één volzin wil uitdrukken, zou men kunnen zeggen dat de Bopz-rechter bij zijn beslissing over het verzoek om een machtiging in beginsel de eerdere beslissing van de strafrechter respecteert. Indien het te duchten gevaar kan worden afgewend door (het voortduren van) de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissing, is er bovendien geen reden meer voor een cumulatie van een Bopz-machtiging en die strafrechtelijke beslissing: zie art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz.
2.9.
In dit geding behoorde de rechtbank te onderzoeken of sprake zal zijn van een ongewenste doorkruising van de eerder opgelegde ISD-maatregel dan wel onduidelijkheid ontstaat over de verblijfstitel wanneer betrokkene krachtens de machtiging onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen terwijl de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde ISD-maatregel nog loopt. De rechtbank heeft dat onderzoek verricht, met het resultaat dat de rechtbank in de lopende ISD-maatregel geen beletsel heeft gezien om de verzochte machtiging te verlenen.
2.10.
Wat houdt zo’n ISD-maatregel precies in? Sinds 1 oktober 2004 bepaalt art. 38m Sr dat de rechter op vordering van de officier van justitie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) kan opleggen aan verdachten die stelselmatig strafbare feiten plegen. Dit geldt voor maximaal twee jaren (art. 38n Sr). Het eerste lid van art. 38m Sr luidt:
“De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:
1. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en
3. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.”
2.11.
Het tweede lid van art. 36m Sr bepaalt dat de maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Het derde lid schrijft voor dat indien de verdachte verslaafd is dan wel ten aanzien van hem andere specifieke problematiek bestaat, de maatregel tevens ertoe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn (verslavings)problematiek. De tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel valt uiteen in twee fasen: in de eerste fase ligt het accent op detentie en klinische observatie; in de tweede fase wordt toegewerkt naar het behandeldoel (zoals: ontwenning van verslaafden; resocialisatie; psychiatrische behandeling etc.). De Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders) vermeldt dat een ISD-maatregel primair is gericht op langdurige insluiting en daarnaast op gedragsbeïnvloeding [13] . Bij een bijzondere zorgbehoefte zoals een verstandelijke handicap, psychische stoornis of verslavingsproblematiek is een onafhankelijke indicatiestelling door een gedragskundige de basis voor overplaatsing naar een bijzondere zorgvoorziening binnen het gevangeniswezen, een tijdelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 15 lid 5 Pbw Pro of de doorplaatsing naar een ggz-instelling. Uit een in 2007 uitgebracht advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) blijkt dat minstens de helft van de veelplegers met psychische problemen te kampen heeft [14] . Art. 15 lid 5 Pbw Pro is ook van toepassing op personen tegen wie een ISD-maatregel ten uitvoer wordt gelegd. Voor een dergelijke overplaatsing gelden nadere regels, vastgelegd in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden [15] . Art. 30 in Pro deze Regeling bepaalt dat wanneer een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geïndiceerd is, de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft, na overleg met de districtspsychiater, een daartoe strekkend advies indient bij de selectiefunctionaris [16] . De leden 3 - 9 van dit artikel geven verdere uitvoeringsvoorschriften voor de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op de voet van art. 15 lid 5 Pbw Pro.
2.12.
Naar aangenomen wordt, leidde ten tijde van de bestreden beschikking de overbrenging van een gedetineerde vanuit een penitentiaire inrichting naar een psychiatrisch ziekenhuis, op grond van art. 15 lid 5 Pbw Pro, niet tot een bevoegdheid om de patiënt in dat ziekenhuis psychiatrisch te behandelen zonder zijn toestemming [17] . In de systematiek van de Wet Bopz zijn de meeste bepalingen in hoofdstuk III van die wet, over de interne rechtspositie van patiënten die in een psychiatrisch ziekenhuis zijn opgenomen, van toepassing op “personen op wie hoofdstuk II toepassing heeft gevonden”, dat wil zeggen: personen die in het ziekenhuis verblijven op grond van een Bopz-machtiging [18] . Voor personen die vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis zijn opgenomen, geldt het bepaalde in de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (art. 7:446 e.v. BW), dus ook het vereiste van een
‘informed consent’van de patiënt voor een medische behandeling [19] . Volledigheidshalve: indien in een strafrechtelijke beslissing, bijvoorbeeld in het kader van een voorwaardelijke vrijheidsstraf, als bijzondere voorwaarde is gesteld dat de betrokkene zich laat opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis, en hij de gestelde voorwaarde naleeft en zich in het psychiatrisch ziekenhuis laat opnemen, geldt hij voor de toepassing van de Wet Bopz als een vrijwillig in het ziekenhuis opgenomen patiënt.
2.13.
Het beleid van penitentiaire inrichtingen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel is erop gericht, gedetineerden met psychische problematiek zoveel mogelijk te laten uitstromen in de richting van de algemene geestelijke gezondheidszorg. In dit beleid speelt de mogelijkheid om psychiatrische patiënten te behandelen met medicatie een rol. Indien de betrokken delinquent/patiënt niet met succes kan worden behandeld in het ziekenhuis, moet hij weer worden ‘teruggehaald’ naar de penitentiaire inrichting. Tegenwoordig is er regelmatig ‘grensverkeer’ van patiënten tussen penitentiaire inrichtingen en psychiatrische ziekenhuizen [20] . Mede om de overgang van een penitentiair regime naar een psychiatrisch ziekenhuis te versoepelen is een wetsvoorstel Wet forensische zorg ingediend [21] . Er wordt getracht dit wetsvoorstel en de beide andere wetsvoorstellen die betrekking hebben op onvrijwillige opname en behandeling van psychiatrische patiënten op elkaar af te stemmen [22] .
2.14.
De Wet Bopz zelf bood geen mogelijkheden tot onvrijwillige psychiatrische behandeling van gedetineerden die met toepassing van art. 15 lid 5 Pbw Pro in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, voor zover zij niet behoorden tot de kring van personen op wie hoofdstuk II van de Wet Bopz toepassing heeft gevonden. Dit werd ervaren als een lacune [23] . Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de ‘Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013’ [24] zijn de bepalingen uit de Wet Bopz over dwangbehandeling van overeenkomstige toepassing verklaard op, onder meer, personen aan wie een ISD-maatregel is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging in een psychiatrisch ziekenhuis plaatsvindt. Art. 51 lid 3 Wet Pro Bopz luidt thans als volgt:
“De artikelen 36 tot en met 41b, 44, 56, 57 en 58 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot personen die ter beschikking zijn gesteld, personen aan die de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, personen aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd en personen tegen wie een voorlopige hechtenis en overbrenging ter observatie is bevolen, indien de tenuitvoerlegging van die maatregel of dat bevel plaatsvindt in een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90
quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.” [25]
Dit brengt mee dat met ingang van 1 januari 2015 personen aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd en die op grond van art. 15 lid 5 Pbw Pro naar een psychiatrisch ziekenhuis zijn overgebracht zonder hun toestemming daar psychiatrisch kunnen worden behandeld in die gevallen, waarin art. 38c Wet Bopz een dwangbehandeling toestaat. Voor onvrijwillige psychiatrische behandeling
binnen de penitentiaire inrichtingenis van belang de Wet van 13 september 2012, Stb. 410, tot wijziging van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met de verruiming van de mogelijkheid om onvrijwillige geneeskundige behandeling te verrichten [26] .
2.15.
De slotsom van het voorgaande is dat de rechtsklacht van onderdeel I faalt: de cumulatie van de voorlopige machtiging en de tenuitvoerlegging van de opgelegde ISD-maatregel is niet in strijd met de wet, noch, in dit geval, met de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad. De aard van de opgelegde strafrechtelijke maatregel (ISD-maatregel) brengt in deze uitkomst geen verandering. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat geen sprake is van een ongewenste doorkruising van de eerder opgelegde strafrechtelijke maatregel, noch van onduidelijkheid over de verblijfstitel; in het middelonderdeel lees ik niet een klacht over dát oordeel.
2.16.
De subsidiaire klacht in onderdeel I, dat – indien samenloop mogelijk moet worden geacht – niet valt in te zien waarom een voorlopige machtiging nodig zou zijn naast een ISD-maatregel, hangt samen met
onderdeel II. Onderdeel II is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat in dit geval is voldaan aan het gevaarscriterium in art. 2, lid 2 onder a, Wet Bopz. Het is tevens gericht tegen de overweging dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz). De klacht houdt in dat het eerstgenoemde oordeel niet toereikend is gemotiveerd: een verwijzing naar de justitiële voorgeschiedenis van betrokkene volstaat niet. Wat het tweede oordeel betreft, houdt de klacht in dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat het gevaar kan worden afgewend met de opgelegde ISD-maatregel.
2.17.
De motiveringsklacht over het gevaarscriterium treft geen doel: de rechtbank heeft niet volstaan met verwijzing naar het justitiële verleden van betrokkene, maar heeft ook gewezen op het (mede daaruit blijkende) recidivegevaar bij een hernieuwde psychose of hernieuwd alcoholmisbruik. Dit oordeel vindt steun in de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt; onbegrijpelijk is het niet.
2.18.
De motiveringsklacht met betrekking tot alternatieve mogelijkheden ter afwending van het door de rechtbank beschreven gevaar lijkt mij slechts in zoverre juist, dat het verblijf in een penitentiaire inrichting, met de daaraan inherente verzorging en bewaking, een alternatief kan zijn voor een onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis waarmee een te duchten gevaar wordt afgewend. Het antwoord op de vraag of aan dit criterium is voldaan, hangt echter in een belangrijke mate af van de aard en de ernst van het gevreesde onheil. Zo kan, bijvoorbeeld, bij suïcidegevaar het verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders niet voldoende worden geacht om het gevaar af te wenden. Bij de toepassing van art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of het gevaar langs andere weg kan worden afgewend. Zij is van oordeel dat betrokkene “zowel een meer adequate behandeling als noodmedicatie nodig heeft” en is tot de slotsom gekomen dat, na afweging van “de betrokken belangen” het verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders niet een toereikend alternatief is. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt; onbegrijpelijk is het niet. Zowel onderdeel 1 als onderdeel 2 faalt.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.

Voetnoten

1.In de tekst van de overgelegde beschikking is mogelijk een gedeelte weggevallen.
2.Zie art. 1 Algemene Pro Termijnenwet: 15 maart 2015 viel op een zondag. Een faxkopie van het cassatieverzoekschrift is op 16 maart 2016 ter griffie ingekomen, twee dagen later gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.
3.HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, NJ 2003/628 m.nt. J. de Boer, BJ 2003/21.
4.Inmiddels: Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013, wet van 26 november 2014, Stb. 2014/540; zie art. XXVa.
5.D.w.z. een situatie als bedoeld in rov. 3.4 van de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 18 april 2003.
6.Zie blz. 1 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
7.J.E. Beekman en F. Koenraadt, De Wet Bopz in de forensische psychiatrie, deelonderzoek 9 ten behoeve van de tweede evaluatie van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, Den Haag: ZonMW, 2002, hoofdstuk 4.
8.KB van 23 oktober 2010, Stb. 875. Zie ook de MvT op het wetsvoorstel Wet forensische zorg, Kamerstukken II 2009-2010, 32 398, nr. 3, blz. 11.
9.Vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1038, NJ 2014/356 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2014/3 m.nt. T.P. Widdershoven. Zie ook: HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1500, BJ 2008/46; HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3233, NJ 2007/106 m.nt. P.A.M. Mevis, BJ 2005/2.
10.Dat geval betrof de TBS met verpleging, gevolgd door overplaatsing vanuit een TBS-inrichting naar een gewoon psychiatrisch ziekenhuis; zie art. 14 Beginselenwet Pro tbs, in verbinding met art. 22 lid 2 Reglement Pro verpleging tbs-gestelde patiënten.
11.De beschikking van 18 april 2003 is kritisch besproken in W. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), Commentaar Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, SDU losbl., art. 51, aant. C.5.1. (T.P. Widdershoven). De schrijver brengt naar voren dat de bij een TBS te stellen voorwaarden slechts betrekking kunnen hebben op de veiligheid van anderen of op de algemene veiligheid van personen en goederen (art. 38 lid 1 Sr Pro). Indien ook gevaar voor betrokkene zelf te duchten is, zou een aanvullende Bopz-machtiging niet kunnen worden gemist.
12.J. Legemaate e.a., Gedwongen zorg. Thematische wetsevaluatie, Den Haag: ZonMW 2014 (www.zonmw.nl), blz. 198 en 246.
13.Stcrt. 2013/35061, in werking getreden op 1 januari 2014; zie onder 3.1.
14.Advies Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, “De Inrichting voor Stelselmatige Daders: de isd-maatregel in theorie en praktijk” (2007), te raadplegen via www.rsj.nl. Zie over de uitstroommogelijkheden ook: RSJ-advies “Forensische zorg tijdens detentie” (2012), in het bijzonder par. 4.5 over de ISD-maatregel.
15.Zie art. 15 lid 6 Pbw Pro; Stcrt. 2000/176.
16.Het Bureau Selectiefunctionarissen beslist over de (over)plaatsing van een gedetineerde binnen Nederland. Het Bureau Selectiefunctionarissen valt onder de afdeling Individuele Zaken van de Sectordirectie Gevangeniswezen van DJI.
17.Zie: W. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), Commentaar Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, SDU losbl., aant. C.8.1 bij art. 51 (T.P. Widdershoven); Rb. Assen 13 april 2012, JVggz 2012/29 m.nt. T.P. Widdershoven.
18.Zo ook zijn de artikelen 38a, 38b en 38c (over dwangbehandeling) alleen van toepassing op patiënten op wie hoofdstuk II van de Wet Bopz toepassing heeft gevonden; zie art. 37b Wet Bopz.
19.Zie art. 7:450 en Pro art. 7:466 BW Pro.
20.Zie over deze ontwikkeling: E.E. Können en A.J.J. van der Kwartel, Grensgebieden van de Wet Bopz, deelonderzoek 4 voor de derde evaluatie van de Wet Bopz, Den Haag: VWS, 2007; J. Legemaate e.a., Gedwongen zorg. Thematische wetsevaluatie, Den Haag: ZonMW 2014.
21.Kamerstukken I 2012-2013, 32 398, D.
22.Deze afstemming is een uitdrukkelijke wens van de Eerste Kamer: zie brief 25 februari 2015, Kamerstukken I 2014-2015, 32 398, M. Wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten: Kamerstukken I 2013-2014, 31 996, A. Het gewijzigde wetsvoorstel Wet verplichting ggz (32 399) is nog in behandeling bij de Tweede Kamer.
23.Tweede Nota van wijziging, Kamerstukken II 2013-2014, 33 771, nr. 8, blz. 10-11.
24.Zie voor de datum van inwerkingtreding het Besluit van 15 december 2014, Stb 2014/541.
25.De wetswijziging is besproken in: H. Heeren, Het nieuwe artikel 51 lid 3 Wet Pro Bopz, Journaal GGZ en recht 2015/1 nr. 5.
26.Zie in het bijzonder: art. 46a – 46e Pbw en verder: S.H. Gooren, Onvrijwillige geneeskundige behandeling in de justitiële inrichtingen, Sancties 2013, blz. 264-270.