In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat volgens het hof geen schriftuur met grieven tegen het vonnis was ingediend. Verdachte had echter op 21 december 2012 een grievenformulier ingediend, dat door een advocaat was ondertekend, maar het hof achtte dit onvoldoende.
De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk is. Het hof heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat het grievenformulier, ondanks dat het door een advocaat zonder aantoonbare volmacht was ingediend, toch als schriftuur met grieven moet worden aangemerkt. Ook stelt de Hoge Raad dat aan de formulering van de grieven geen hoge eisen worden gesteld.
De Hoge Raad ziet geen reden om ambtshalve te vernietigen, maar vernietigt het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier en de ingediende grieven.