Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
contra proferentemis in het onderhavige geval niet bruikbaar omdat Ballast Nedam niet kan worden beschouwd als de partij die het contract heeft opgesteld. Zij heeft slechts voorgesteld gebruik te maken van een model dat niet door haar of specifiek ten behoeve van haar of in haar belang is opgesteld, welk voorstel door Max Bögl is aanvaard. Bovendien is bij de uitleg van het omstreden beding niet zodanige onduidelijkheid gebleken dat daaraan met behulp van dit gezichtspunt consequenties zouden moeten worden verbonden. Het ontbreken van dergelijke onduidelijkheid maakt ook dat geen aanleiding bestaat bij de uitleg van het boetebeding de uitleg te kiezen die in het minst bezwarend is voor Max Bögl als de schuldenaar.
Onderdeel 2.1klaagt dat het Hof heeft miskend dat een
boetebeding, waarvan de strekking niet duidelijk is, in het voordeel van de schuldenaar moet worden uitgelegd, ongeacht of de schuldeiser (die het gebruik van (het model waarin) het boetebeding (is opgenomen) heeft voorgesteld) het boetebeding zelf heeft opgesteld of (specifiek) in haar belang heeft laten opstellen.
zodanigeonduidelijkheid is gebleken dat daaraan met behulp van een uitleg contra proferentem consequenties zouden moeten worden verbonden en dat daarom geen aanleiding bestaat bij de uitleg van het boetebeding de uitleg te kiezen die het minst bezwarend is voor Max Bögl als de schuldenaar, onjuist is. Het Hof zou hebben miskend dat het voor het verbinden van consequenties aan het gezichtspunt van de uitleg contra proferentem weliswaar noodzakelijk is dat een boetebeding onduidelijk is, maar dat aan die onduidelijkheid geen verdere eisen behoeven te worden gesteld en in het bijzonder niet dat een bepaalde mate van onduidelijkheid zou moeten bestaan. Het Hof had derhalve in het kader van de beoordeling van de vraag of aan het gezichtspunt van de uitleg contra proferentem consequenties moeten worden verbonden in verband met de onduidelijkheid van het beding (enkel) behoren te beoordelen of het boetebeding in redelijkheid voor tweeërlei interpretatie vatbaar is.
onderdeel 2.3). Het Hof heeft in rov. 2.2.6.2 vastgesteld dat de arbiters in het hoger beroep tot een andere uitleg zijn gekomen dan waartoe het Hof heeft “besloten”. Bovendien is uitvoerig uiteengezet waarom het boetebeding voor meerdere uitleg vatbaar is, onder meer onder verwijzing naar de verschillende uitleg die Ballast Nedam in eerste aanleg en in hoger beroep aan het boetebeding heeft gegeven. Daar komt nog bij dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een uitvoerig partijdebat heeft plaatsgevonden over de uitleg van het boetebeding, waarop het Hof in rov. 3.3-3.14 heeft gerespondeerd. Nu het Hof geen inzicht heeft geboden in zijn gedachtegang waarom het boetebeding desalniettemin in redelijkheid niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, is zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.
zodanig onduidelijkis dat – kort gezegd – de betrokken regel in beeld komt (s.t. onder 2.11). Dat betoog is strikt genomen niet onjuist, maar het berust wel op een strikte lezing van onderdeel 2.3. Onverdedigbaar is hun lezing zeker niet. Als dit verweer wordt gehonoreerd, mislukken de klachten aanstonds. Ik ga er verder vanuit dat het hier besproken verweer niet de doodsteek voor dit onderdeel is.
contra proferentem-regel richtinggevend is. Dit betekent een zo min mogelijk belastend boetebeding, in dit geval een boete die zoveel mogelijk schadeposten vervangt. (…) Wanneer partijen van het wettelijk vermoeden wensen af te wijken, moeten ze dit in duidelijke bewoordingen doen.
contra proferentem-uitleg, die in het BW niet in algemene zin beslissend is maar wel expliciet aan art. 6:92 BW Pro ten grondslag ligt, een beslissende richtingaanwijzer.” [15]
inhoud van het boetebeding, maar op de verwante vraag of naast een boete schadevergoeding verschuldigd is. [16] Anders gezegd:
ofis afgeweken van de hoofdregel dat een schuldeiser geen aanspraak kan maken op een boete én schadevergoeding. In casu gaat het (in feite) inderdaad om de vraag of is afgeweken van de hoofdregel van art. 6:92 BW Pro. Dat blijkt m.i. ook uit rov. 3.14.
overigeomstandigheden van het geval er dan niet toe (zouden kunnen) doen. [20] Met Hijma meen ik dat de mate van onduidelijkheid relevant is: “naarmate de twijfelmarge geringer wordt, versmalt de basis voor toepassing van het contra proferentem”. [21]
vermoeden, gebaseerd op de contra proferentem regel. [22] Hoe ziet ze dat dan? Hoe kan dat vermoeden worden ontzenuwd? Alleen door (tegen)bewijs dat iets anders is bedoeld, of ook door aanwijzingen dat er weliswaar niet over is gesproken of nagedacht, maar dat een bepaalde uitleg niet past in het
geheel van de afspraken? En zo (tegen)bewijs kan worden geleverd door een bepaalde bedoeling aan te tonen of aannemelijk te maken, is zo’n
bedoeling danvoldoende? En wat is een “bedoeling” eigenlijk? Komen we dan toch weer niet terug bij de uitleg? [23]
Onderdeel 5.1klaagt - kort gezegd - dat het Hof op onjuiste, althans op onbegrijpelijke gronden is voorbijgegaan aan de door Max Bögl bepleite uitleg van art. 5 van Pro de overeenkomst. Het gaat hier om haar stelling dat deze zinsnede ziet op de situatie dat schade is geleden waarvan de omvang het bedrag van de boete overstijgt. [35] Het Hof heeft geen, althans ontoereikend, inzicht geboden in zijn gedachtegang waarom deze mogelijke uitleg moet worden verworpen. Het heeft uiteengezet waarom een andere uitleg dan die welke door Max Bögl wordt voorgestaan denkbaar is, maar niet waarom die prevaleert boven de door Max Bögl voorgestane uitleg.
onduidelijkop welke andere gezichtspunten Max Bögl het oog heeft, waar zij klaagt dat het Hof heeft miskend dat meer gezichtspunten dienen te worden beoordeeld dan alleen de samenhang tussen art. 2 lid 2 en Pro art. 5 lid 4 van Pro de overeenkomst. Haar verwijzing in haar schriftelijke toelichting onder 3.5.7 naar de toelichting op de klacht onder 5.1 verschaft niet meer helderheid.
Onderdeel 6.1trekt ten strijde tegen rov. 3.8 waar het Hof overweegt dat het boetebeding mede ertoe strekt te voorkomen dat van de door de wederpartij verrichte inspanningen en verkregen concurrentiegevoelige informatie misbruik wordt gemaakt en dat het afschrikwekkend effect van de boete groter is als deze cumuleert met de schadevergoeding. Het Hof zou eraan voorbij hebben gezien dat het boetebeding ook geldt in gevallen waarin weliswaar inspanningen zijn verricht en informatie is uitgewisseld, maar desondanks geen schadevergoeding verschuldigd is en derhalve geen cumulatie van boete en schadevergoeding kan plaatsvinden. Niet valt dan ook in te zien waarom in het boetebeding zou zijn beoogd een zo groot mogelijk afschrikwekkend effect te creëren om te voorkomen dat van inspanningen en informatie misbruik wordt gemaakt.
zo groot mogelijkafschrikwekkend effect te creëren. Voor het overige beoogt het een feitelijke herbeoordeling, waarvoor in cassatie evenwel geen plaats is. Bovendien is niet duidelijk waarom het genoemde betoog dwingend tot de door Max Bögl verdedigde lezing zou leiden.
onderdeel 8loopt in het voorafgaande vast.
Onderdeel 9.1behelst slechts een klacht die “mede voortbouwt op rov. 3.9”. Ook zij faalt.
geenschade heeft geleden ten belope van € 17 miljoen. Integendeel: het Hof neemt – op zich niet bestreden – aan dat de schade ruim dat bedrag beliep. Men kan tegenwerpen – en dat is naar ik erken een zwakke plek in ’s Hofs arrest – dat het Hof spreekt van een deels verwezenlijkte mogelijkheid om vervangende projecten te verwerven. Maar rov. 3.14, gelezen in samenhang met rov. 2.2.6.2, laat m.i. geen andere lezing toe dan dat deze omstandigheid niet betekent dat er, in ’s Hofs visie, geen schade was. Ik kan laten rusten waarom het Hof de zojuist genoemde opvatting huldigt (of dat oordeel gebaseerd is op art. 6:100 BW Pro of dat het een andere fundering heeft); het middel haakt op deze kwestie immers niet in.
zelfstandig dragendeargumenten noemt: 1) de zojuist al besproken kwestie en 2) de financiële gevolgen voor Max Bögl “rechtvaardigen dat predikaat” (waarmee het Hof klaarblijkelijk bedoelt: onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid) niet. Ik erken dat deze volzin niet zo behoeft te worden gelezen, maar mijn lezing lijkt wel de meest plausibele.