Het Gerechtshof Amsterdam legde betrokkene een ontnemingsvordering op van €25.619,- wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Betrokkene stelde in cassatie dat de betaalde inkomstenbelasting over dit voordeel in mindering gebracht moest worden op het te ontnemen bedrag. De Hoge Raad overweegt dat de wetgever expliciet heeft bepaald dat alleen vorderingen van rechtstreeks benadeelde derden in mindering mogen worden gebracht, en dat de fiscus als staat geen benadeelde derde is.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wetsgeschiedenis waarin is vastgesteld dat rekening houden met reeds betaalde belasting bij de ontnemingsmaatregel tot een onevenwichtig resultaat leidt. De fiscale consequenties dienen door de Belastingdienst te worden afgehandeld, niet door de strafrechter.
De conclusie is dat het hof terecht de betaalde inkomstenbelasting buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.