Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van een ontploffing, openlijke geweldpleging in vereniging tegen goederen en overtreding van milieuregels, met een gevangenisstraf van zes maanden.
Het middel van cassatie richtte zich op de bewezenverklaring van het tweede feit, het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen goederen. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kon worden afgeleid dat verdachte een voldoende significante bijdrage aan het geweld had geleverd. De verklaring van verdachte dat hij zijn medeverdachten probeerde te overtuigen niet verder te gaan met het gooien van stenen ondermijnde de bewijsconstructie.
De Hoge Raad constateerde dat de motivering van het hof onvoldoende was en dat de bewezenverklaring niet aan de eis der wet voldeed. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het betrekking had op het tweede feit en de strafoplegging, en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Voor het overige werd het beroep verworpen.