ECLI:NL:PHR:2015:665

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2015
Publicatiedatum
26 mei 2015
Zaaknummer
13/05039
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 180 SrArt. 181 SrArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 27 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over wederspannigheid en belediging politie wegens onjuiste rechtsopvatting over rechtmatige bediening

Op 1 april 2012 vond een incident plaats waarbij verdachte zich verzette tegen aanhouding door politieambtenaren in Haarlem. Hij werd veroordeeld voor het beschadigen van andermans goed, wederspannigheid met lichamelijk letsel en eenvoudige belediging van ambtenaren tijdens hun rechtmatige bediening. Het hof Amsterdam verklaarde deze feiten bewezen, maar legde geen straf op en kende schadevergoeding toe aan benadeelden.

De verdediging voerde in hoger beroep aan dat verdachte voorafgaand aan zijn verzet een klap had gekregen van een agent, hetgeen het hof niet aannemelijk achtte. De Hoge Raad oordeelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door te stellen dat ook indien de klap uit het niets was gegeven, dit de rechtmatigheid van de bediening niet aantastte. Dit miskent het belang van proportionaliteit en subsidiariteit bij de rechtmatigheid van politieoptreden.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de feiten van wederspannigheid en belediging betreft en de strafoplegging, en wijst de zaak terug aan het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. Tevens is vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar dit wordt niet inhoudelijk behandeld vanwege de vernietiging.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van wederspannigheid en belediging.

Conclusie

Nr. 13/05039
Zitting: 24 maart 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 4 oktober 2013 de verdachte wegens 1. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, 2. “wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben” en 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” veroordeeld en bepaald dat ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van de feiten 2 en 3 niet zonder meer begrijpelijk bewezen heeft verklaard dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] werkzaam waren in “de rechtmatige uitoefening van hun bediening”. Volgens de steller van het middel heeft het hof het desbetreffende verweer niet begrijpelijk verworpen.
4. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard:
“dat hij op 1 april 2012 te Haarlem, toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1], agent van de Regiopolitie Kennemerland, en [verbalisant 2], hoofdagent van Regiopolitie Kennemerland, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 350 Wetboek Pro van Strafrecht hadden aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau, zich met geweld en met bedreiging met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde ambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de algehele surveillance, door opzettelijk gewelddadig en bedreigend een of meermalen:
- zich krachtig los te rukken en
- krachtig met zijn, verdachtes, armen om zich heen te zwaaien en te maaien en
- bovengenoemde ambtenaren de woorden toe te voegen:
"lk krijg je nog wel kankerlijer" en
"lk krijg je nog wel kankerhoer" en
"Ik pak je als ik vrij kom" en
"Ik zoek je op en dan val ik je van achteren aan en sla ik je" en
"Ik zal je vinden en ga je pakken",
ten gevolge waarvan bovengenoemde ambtenaar [verbalisant 2] is gevallen en enig lichamelijk letsel, te weten opgerekte spieren rondom bovenbeen en heupgewricht, bekwam.”
5. Voorts is ten laste van de verdachte onder 3 bewezen verklaard dat:
“hij op meerdere tijdstippen op 1 april 2012 te Haarlem, telkens opzettelijk beledigend, ambtenaren, te weten [verbalisant 1], agent Regiopolitie Kennemerland, en [verbalisant 2], hoofdagent van de Regiopolitie Kennemerland, telkens gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de algehele surveillance telkens in hun tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden:
"kankerhoer" en
"kankerlijer" en
"kankerhond".”
6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het hof ten aanzien van deze feiten het volgende heeft vastgesteld. Op 1 april 2012 heeft er in een nachtopvang van het Leger des Heils in Haarlem een ruzie plaatsgevonden tussen twee daklozen (de verdachte en [betrokkene]). Nadat de verdachte door de beveiliging uit de nachtopvang was gezet, heeft hij buiten de fiets van [betrokkene] vernield (bewijsmiddelen 1 en 2; feit 1). Vervolgens hebben de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte op verdenking van overtreding van art. 350 Sr Pro aangehouden (bewijsmiddelen 4 en 5). De verbalisanten hebben de verdachte vastgepakt, waarna de verdachte zich los rukte, wild met zijn armen om zich heen maaide en al schreeuwend wilde weglopen (bewijsmiddelen 3, 5 en 8). Tussen de verdachte en de verbalisanten is een worsteling ontstaan, waarbij zij alle drie op de grond zijn gevallen (bewijsmiddelen 7 en 8). Als gevolg van deze val heeft verbalisant [verbalisant 2] opgerekte spieren rondom haar bovenbeen en heupgewricht opgelopen (bewijsmiddel 8). Met behulp van andere verbalisanten is het uiteindelijk gelukt om de verdachte transportboeien om te doen, waarna de verdachte naar het politiebureau is vervoerd (bewijsmiddel 5). Tijdens de worsteling met de verbalisanten, gedurende de rit naar het politiebureau en op het politiebureau heeft de verdachte de verbalisanten uitgescholden en bedreigd (bewijsmiddelen 5 en 6).
7. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 oktober 2013, heeft de raadsman van de verdachte opgemerkt dat de verdediging zich kan vinden in een bewezenverklaring voor feit 1 en feit 3. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman onder meer betoogd dat de politie en de politierechter geen onderzoek hebben gedaan naar de klap die de verdachte heeft gekregen. Die klap is voor de verdachte cruciaal, omdat hij daar boos van werd. Eén van de verbalisanten heeft in een slachtofferverklaring gezegd dat de verdachte ineens ontplofte, terwijl dit niet in het proces-verbaal staat, aldus de raadsman. Daarnaast heeft de verdachte op die terechtzitting verklaard dat hij een fiets in elkaar had getrapt, waarna er agenten aankwamen, hij een klap heeft gekregen en dat hij daarna de agenten heeft uitgescholden.
8. Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat uit de processen-verbaal telkens een andere gang van zaken naar voren komt en dat niet duidelijk is wat er is gebeurd op 1 april 2012. Verdachte heeft diverse malen aangegeven dat hij een klap heeft gehad, maar dit is niet verder onderzocht.
Het hof verwerpt het verweer nu de inhoud van de processen-verbaal in grote lijnen overeenkomt en deze elkaar op belangrijke punten ondersteunen. De door verdachte voorgestane toedracht bij het uitdelen van de klap heeft verder ook geen invloed op het door het hof bewezenverklaarde.”
9. De tenlastelegging is wat betreft feit 2 toegesneden op art. 180 Sr Pro, in verbinding met art. 181, aanhef en onder 1º, Sr, en ten aanzien van feit 3 op art. 266, eerste lid, Sr, in verbinding met art. 267, aanhef en onder 2º, Sr. Daarom moeten de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende woorden “werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening” (feit 2) en “ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening” (feit 3) geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in art. 180 Sr Pro en art. 267, aanhef en onder 2º, Sr.
10. Art. 180 Sr Pro luidt als volgt:
“Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
11. Art. 267 Sr Pro luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De in de voorgaande artikelen van deze titel bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de belediging wordt aangedaan aan:
(…)
2°. een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;”
12. Het bewijs van handelen “in de rechtmatige uitoefening van hun bediening” in de zin van art. 180 Sr Pro (feit 2) en handelen “gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening” in de zin van art. 267, aanhef en onder 2º, Sr (feit 3) bij een aanhouding op heterdaad vereist het bestaan van een redelijk vermoeden van schuld zoals bedoeld in art. 27 Sv Pro. Een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan ook hebben bestaan indien bij nader onderzoek mocht blijken dat de verdachte het desbetreffende delict niet heeft begaan of dat zijn handelen geen strafbaar feit oplevert. [1] De vraag of uit bepaalde feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit, is van feitelijke aard. De beantwoording van die vraag door de feitenrechter kan daarom in cassatie alleen op haar begrijpelijkheid worden getoetst. [2]
13. Bij het antwoord op de vraag of een ambtenaar werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft als uitgangspunt te gelden dat een politieambtenaar, die uitvoeringshandelingen verricht in het kader van de aanhouding van een verdachte, werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening zoals bedoeld in art. 180 Sr Pro en art. 267, aanhef en onder 2º, Sr. Bij de beoordeling van de vraag of zich omstandigheden voordoen die tot het oordeel leiden dat de uitoefening van de bediening niet rechtmatig is, kan de strafrechter de noodzaak en de proportionaliteit van het desbetreffende overheidsoptreden betrekken. [3] Het niet-voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kan aan de bewezenverklaring van voornoemd bestanddeel in de weg staan. [4]
14. Het hof heeft met twee, onder 8 weergegeven, zinnen geantwoord op het gevoerde verweer. De eerste zin vormt kennelijk een reactie op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de verschillen tussen de processen-verbaal en de onduidelijkheden daarin, terwijl de tweede zin een specifiek antwoord bevat op hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de klap die de verdachte zou hebben gekregen. Daarbij heeft het hof overwogen dat “de door de verdachte voorgestane toedracht” bij het uitdelen van de klap geen invloed heeft op het bewezen verklaarde. Daarin ligt als het oordeel van het hof besloten dat ook als ervan wordt uitgegaan dat de verbalisant [verbalisant 1] de verdachte een klap heeft gegeven onder de door de verdachte naar voren gebrachte omstandigheden de bewezenverklaringen van feit 2 en feit 3, ook ten aanzien van de rechtmatige uitoefening van de bediening, in stand kunnen blijven. Daarbij is relevant dat de door de verdachte geschetste toedracht niet inhoudt dat hij de klap heeft gekregen in het kader van het breken van het verzet tegen zijn aanhouding. Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft de verdachte aangevoerd dat hij eerst een klap kreeg en dat hij daarna boos werd en ging schelden. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij uit het niets een klap van [verbalisant 1] op zijn oog heeft gekregen toen [verbalisant 2] “binnen was”. Dat was het moment waarop het bij de verdachte “knapte”. In de pleitnotities in eerste aanleg heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte zich begon op te winden omdat [verbalisant 1] hem zomaar uit het niets recht in het gezicht heeft geslagen. [5]
15. In het licht van de door de verdachte “voorgestane toedracht bij het uitdelen van de klap”, waarnaar het hof verwijst, schiet de verwerping van het verweer tekort. Indien het hof heeft geoordeeld dat ook in geval de politieambtenaar de verdachte uit het niets een klap op zijn oog zou hebben gegeven zulks niet afdoet aan het bewijs van de rechtmatige uitoefening van de bediening, getuigt zijn oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft in dat geval immers miskend dat het niet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit aan de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging in de weg kan staan. [6] Indien het hof heeft geoordeeld dat ook in de lezing van de feiten die de verdachte heeft gegeven sprake is geweest van handelen in de rechtmatige uitoefening van de bediening, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, nu deze lezing inhoudt dat de verdachte uit het niets een klap heeft gekregen voordat hij zich tegen de aanhouding heeft verzet en voordat hij de verbalisanten heeft uitgescholden. In die lezing is niet zonder meer begrijpelijk dat het handelen van de politie de toets aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit kan doorstaan. Het hof had aldus de juistheid van het door de verdachte aangevoerde niet in het midden mogen laten. Het middel klaagt daarover terecht.
16. Het middel slaagt.
17. Het
tweede middelbevat de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
18. Namens de verdachte is op 17 oktober 2013 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 3 juli 2014 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
19. Nog daargelaten dat het door het hof toegepaste art. 9a Sr zich niet leent voor strafkorting, kan de Hoge Raad dit middel onbesproken laten. Gelet op het slagen van het eerste middel, kan het tijdsverloop immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. [7]
20. Beide middelen slagen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:709,
2.Vgl. HR 14 september 1992,
3.Vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2919,
4.Vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513,
5.Zie de pleitaantekeningen van mr. C.L. Kranendonk, p. 4.
6.Vgl. HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5513,
7.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,