Conclusie
1. Inleiding
2. Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op [verzoeker] stelling dat er geen sprake is van een schuld die is ontstaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift (te weten 15 september 2014), omdat de door het hof in rov. 2.3 bedoelde schuld aan [betrokkene] dateert uit de periode 8 april t/m 15 juli 2009 (beroepschrift van 25 november 2014, randnummer 4). Het hof zou hebben miskend dat deze schuld niet relevant is voor de beoordeling in het kader van art. 288 lid 1 sub b Fw Pro.
Onderdeel 2richt twee klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 2.3 dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ter zake van het onbetaald laten van de schuld aan [betrokkene] te goeder trouw is geweest: (i) de motiveringsklacht dat uit de gegeven motivering niet volgt waarop het hof zijn oordeel heeft gebaseerd, en (ii) de klacht dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan hetgeen [verzoeker] in zijn beroepschrift heeft gesteld onder randnummers 5 t/m 9.
Onderdeel 3voert aan dat het hof ten onrechte [verzoeker] beroep op de hardheidsclausule heeft afgewezen. Het onderdeel wijst op verschillende omstandigheden die verklaren waarom [verzoeker] als kleine zelfstandige in financiële problemen is geraakt, en betoogt dat [verzoeker] financiële situatie zodanig is gestabiliseerd dat hij aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Deze klacht kan niet slagen. ’s Hofs oordeel dat er geen uitzicht bestaat dat [verzoeker] het schuldsaneringstraject goed zal doorlopen draagt een sterk feitelijk karakter en komt slechts voor cassatie in aanmerking bij onbegrijpelijkheid of een ontoereikende motivering. Daarvan is geen sprake. Het hof heeft vastgesteld dat [verzoeker] nog niet beschikt over een eigen inkomen en geld moet lenen van zijn broer en vrienden om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze vaststellingen zijn in cassatie niet bestreden.