ECLI:NL:HR:2015:1226

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 mei 2015
Publicatiedatum
8 mei 2015
Zaaknummer
15/00503
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet, waarin de eis van goede trouw centraal staat.

Het geding in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarbij laatstgenoemde het verzoek van verzoeker afwees. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad volgde.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werd de betekenis van de termijn in artikel 288 Faillissementswet Pro en de hardheidsclausule in lid 3 van dat artikel bevestigd.

Het arrest werd op 8 mei 2015 gewezen door de raadsheren van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Groot.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

8 mei 2015
Eerste Kamer
nr. 15/00503
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/13/572106/FT RK 14/2000 van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2014;
b. het arrest in de zaak 200.160.107/01 van het gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 9 april 2015 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 mei 2015.