Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen het oordeel in rov. 4.5 en tegen de gevolgtrekking in rov. 4.15, dat de vrouw € 16.637,50 aan de man verschuldigd is in verband met door haar van één spaarrekening opgenomen gelden. De man had in hoger beroep gesteld dat het saldo op de spaarrekening van de vrouw, eindigend met nummer [001], op 1 januari 2011 nog € 42.275,95 bedroeg. Tussen 1 januari 2011 en 20 oktober 2011 (de door het hof gehanteerde − in cassatie onbestreden − peildatum voor de afwikkeling) is deze rekening door de vrouw nagenoeg leeggehaald (op € 3,91 na). De vrouw had gesteld dat zij de opgenomen bedragen heeft aangewend voor haar levensonderhoud. Omdat de man in dit tijdvak als echtgenoot onderhoudsplichtig was jegens de vrouw en “op grond van de overgelegde producties” ervan kan worden uitgegaan dat hij in dit tijdvak gedeeltelijk in het levensonderhoud van de vrouw heeft voorzien, heeft het hof het redelijk geacht € 1.000,- per maand in aanmerking te nemen als door de vrouw besteed aan de kosten van haar levensonderhoud. Dat betekent volgens het hof dat zij in dit tijdvak (ruim 9 maanden) geacht moet worden het resterende bedrag, € 33.275,-, aan de spaarrekening te hebben onttrokken. Daarvan moet zij de helft (€ 16.637,50) verrekenen met de man (rov. 4.5).