Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
31 oktober 2014.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam waarin zijn verzoek tot beëindiging dan wel beperking van partneralimentatie was afgewezen. Het verzoek was mede gebaseerd op grievende gedragingen van de vrouw en het bewust laten verstrijken van de vijfjaarstermijn zoals genoemd in artikel 1:157 lid 6 BW Pro.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van rechtbank en hof voor het geding in feitelijke instanties en behandelt het cassatieberoep aan de hand van artikel 81 lid 1 RO Pro. De klachten die de man in cassatie aanvoert, worden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was om het cassatieberoep te verwerpen, hetgeen de Hoge Raad volgt. De Hoge Raad benadrukt de motiveringsplicht van de rechter bij de beoordeling van verzoeken tot beëindiging van partneralimentatie en bevestigt de stelplicht van de alimentatieplichtige in dat kader.
De beschikking van de Hoge Raad is op 31 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot, met C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek als medeondertekenaars.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot beëindiging of beperking van partneralimentatie afgewezen.