ECLI:NL:PHR:2015:343
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet vervolgen minister inzake gasboringen Groningen
Op 5 september 2013 deed klager aangifte tegen de directie van de Nederlandse Aardoliemaatschappij en minister Kamp vanwege vermeende strafbare feiten in verband met gasboringen in Groningen. De officier van justitie besloot geen strafvervolging in te stellen. Klager maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat zich onbevoegd verklaarde voor zover het beklag gericht was tegen de minister en verwees dit deel naar de Hoge Raad.
De Hoge Raad overwoog dat ambtsmisdrijven van ministers alleen vervolgd kunnen worden na last van Koninklijk Besluit of Tweede Kamer. Omdat een dergelijke last ontbrak en niet te verwachten was, kan het beklag tegen het niet vervolgen van de minister niet-ontvankelijk worden verklaard. De Hoge Raad is niet bevoegd om vervolging te bevelen.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag voor zover het betrekking heeft op de minister. De procedure is gebaseerd op art. 119 Grondwet Pro, art. 76 RO Pro en art. 483 Sv Pro, in samenhang met de Wet van 22 april 1855. De zaak betreft ambtsmisdrijven in relatie tot beleid en besluitvorming over gaswinning, waarbij de minister alleen vervolgd kan worden bij voorafgaande last.
Uitkomst: Het beklag tegen het niet vervolgen van de minister van Economische Zaken is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van last tot vervolging.