ECLI:NL:PHR:2015:343

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 januari 2015
Publicatiedatum
27 maart 2015
Zaaknummer
15/00292
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 119 GwArt. 76 ROArt. 483 SvArt. 12 SvArt. 13a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet vervolgen minister inzake gasboringen Groningen

Op 5 september 2013 deed klager aangifte tegen de directie van de Nederlandse Aardoliemaatschappij en minister Kamp vanwege vermeende strafbare feiten in verband met gasboringen in Groningen. De officier van justitie besloot geen strafvervolging in te stellen. Klager maakte hiertegen beklag bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat zich onbevoegd verklaarde voor zover het beklag gericht was tegen de minister en verwees dit deel naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad overwoog dat ambtsmisdrijven van ministers alleen vervolgd kunnen worden na last van Koninklijk Besluit of Tweede Kamer. Omdat een dergelijke last ontbrak en niet te verwachten was, kan het beklag tegen het niet vervolgen van de minister niet-ontvankelijk worden verklaard. De Hoge Raad is niet bevoegd om vervolging te bevelen.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag voor zover het betrekking heeft op de minister. De procedure is gebaseerd op art. 119 Grondwet Pro, art. 76 RO Pro en art. 483 Sv Pro, in samenhang met de Wet van 22 april 1855. De zaak betreft ambtsmisdrijven in relatie tot beleid en besluitvorming over gaswinning, waarbij de minister alleen vervolgd kan worden bij voorafgaande last.

Uitkomst: Het beklag tegen het niet vervolgen van de minister van Economische Zaken is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van last tot vervolging.

Conclusie

15/00292
Mr. F.F. Langemeijer
30 januari 2015 (beklag art. 12/13a Sv)
Verslag inzake het beklag van:
[klager]

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
Op 5 september 2013 heeft klager bij de politie te Groningen aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door de directie van de Nederlandse Aardoliemaatschappij B.V. en door H.G.J. Kamp in zijn hoedanigheid van minister van Economische Zaken. Het proces-verbaal van aangifte is gezonden naar de officier van justitie in het parket Noord-Nederland, die op 20 januari 2013 een gesprek met klager heeft gevoerd waarin de aangifte is uitgebreid. Bij brief van 28 januari 2014 heeft de OvJ aan klager laten weten ter zake van deze aangifte geen strafvervolging te zullen instellen.
1.2.
Klager heeft bij schrijven van 3 maart 2014 over deze beslissing beklag gedaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op de voet van art. 12 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv). Nadat de advocaat-generaal in het ressortparket verslag had gedaan, heeft het hof bij beschikking van 13 januari 2015 zich onbevoegd verklaard om van de klacht kennis te nemen voor zover deze is gericht tegen minister Kamp en, in zoverre, de zaak verwezen naar de Hoge Raad. Voor het overige heeft het hof de klacht afgewezen.
1.3.
De Hoge Raad heeft het klaagschrift in handen van de procureur-generaal bij de Hoge Raad gesteld voor het uitbrengen van een verslag [1] .

2.Bespreking van het beklag

2.1.
Op grond van art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro neemt de Hoge Raad, ook na hun aftreden, in eerste instantie en tevens in hoogste ressort kennis van ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal [2] . De procedure is geregeld in art. 483 Sv Pro in verbinding met de art. 4 - 19 van de nog steeds geldende Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriëele Departementen. Betreft een beklag als bedoeld in art. 12 Sv Pro een strafbaar feit waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt, dan geldt hetgeen in de artikelen 12 - 12j Sv voorkomt ten aanzien van de Hoge Raad en zijn leden, respectievelijk ten aanzien van de procureur-generaal, en is de Hoge Raad bevoegd tot kennisneming van het beklag (art. 13a Sv). Een vervolging van een minister ter zake van ambtsdelicten als bedoeld in art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro is slechts mogelijk nadat daartoe last is gegeven bij Koninklijk Besluit of bij besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal [3] .
2.2.
Klager heeft vervolging van de minister van Economische Zaken verzocht ter zake van handelen in strijd met art. 170, 171 en/of art. 352 Sr Pro in relatie tot de gasboringen in de provincie Groningen, in het bijzonder in het gebied waarin klagers woning is gelegen; in de aangifte is dit nader omschreven. Hieruit heeft het hof, m.i. terecht, de gevolgtrekking gemaakt dat klager een vervolging van de minister wenst ter zake van een ambtsdelict als bedoeld in art. 119 Grondwet Pro en art. 76 RO Pro. Weliswaar gaat het in deze wettelijke delictsomschrijvingen om gedragingen (vernieling van woningen e.a.) die ook kunnen worden verricht door een niet-bewindspersoon, maar uit de omschrijving in de aangifte volgt dat het hier gaat om beleid van de Rijksoverheid en de besluitvorming over de gaswinning in dit gebied, kortom gedragingen die door de beklaagde slechts konden worden verricht dankzij zijn hoedanigheid van minister. In dit geval is niet bij Koninklijk Besluit of besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de noodzakelijke last tot vervolging gegeven. Er bestaat geen aanwijzing dat zo’n last binnenkort zal worden gegeven. Bij gebreke van de vereiste last tot vervolging kan klager naar vaste rechtspraak [4] niet worden ontvangen in zijn beklag, voor zover betrekking hebbend op de minister van Economische Zaken. Op de grond dat het beklag kennelijk niet-ontvankelijk is kan van oproeping van klager worden afgezien.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag, voor zover betrekking hebbend op het niet vervolgen van de minister van Economische Zaken.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.

Voetnoten

1.Zie art. 12a lid 2, in verbinding met art. 13a Sv.
2.Ambtsmisdrijven zijn strafbaar gesteld in titel XXVIII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht (Sr); ambtsovertredingen in titel VIII van het derde boek van dat wetboek. Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden voor de toepassing van deze bepaling begrepen: strafbare feiten, begaan onder een der verzwarende omstandigheden omschreven in art. 44 Sr Pro (de zgn. `oneigenlijke’ ambtsmisdrijven).
3.Zie art. 119 Grondwet Pro, in verbinding met art. 4 van Pro de Wet van 22 april 1855, Stb. 33.
4.Vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122 m.nt. N. Keijzer; HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8454, NJ 2008/26 m.nt. E.A. Alkema.