Conclusie
middelkomt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de uitleg die het hof heeft gegeven aan het bestanddeel “onder zijn hoede” in artikel 425 onder Pro 2° Sr. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte de honden onder zijn hoede had zoals bedoeld in artikel 425 onder Pro 2° Sr. De uitleg die het hof heeft gegeven aan “onder zijn hoede” zou in strijd zijn met de in artikel 6 lid 2 EVRM Pro uitgedrukte onschuldpresumptie en in strijd met artikel 7 EVRM Pro omdat het handelen dan wel nalaten van de verdachte niet strafbaar was ten tijde van de gedraging. Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan verder niet blijken dat de verdachte de honden onder zijn hoede had en evenmin dat de verdachte de honden “onaangelijnd en ongemuilkorfd op de openbare weg heeft laten verblijven”, zoals het hof eveneens bewezen heeft verklaard.
De veroordeling waarop het middel betrekking heeft
Overtreding van artikel 425 Sr Pro
1°. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt;
Uitleg van het bestanddeel “onder zijn hoede”
1. hij die een dier of een mensch aanhitst of een onder zijne hoede staand dier, wanneer het een mensch aanvalt, niet terughoudt;
2. hij die geene voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van gevaarlijke dieren.” [2]
eigenaarals zodanig
naastde verplichting voor degene die het dier – anders dan de eigenaar – tijdelijk
onder zijn hoedeheeft? Zo mag de toelichting naar mijn mening niet worden begrepen. Alleen diegene die fysiek aanwezig is wanneer het dier een mens aanvalt, is immers tot terughouden van dat dier in staat en er daarom toe verplicht. Dit sluit aan bij de uitleg die de Hoge Raad aan dit onderdeel van de strafbaarstelling heeft gegeven. In zijn arrest van 22 juni 1987 overwoog de Hoge Raad dat de verplichting tot terughouden van een dier dat een mens aanvalt, aanvangt zodra de aanval zich openbaart en voortduurt totdat het gevaar voor voortzetting of herhaling van de aanval is geweken. [5] Hieruit kan worden afgeleid dat voor het “onder zijn hoede hebben” fysieke aanwezigheid vereist is. Op basis van artikel 425 onder Pro 1˚ Sr is dus de eigenaar alleen strafbaar voor “het niet terughouden” als hij het dier “onder zijn hoede heeft”.
te houdenhetgeen de mogelijkheid impliceert om daadwerkelijk in te grijpen.
hoedenis een even illustratief als sprekend voorbeeld. Voor koeien kan hetzelfde worden aangenomen. Hieruit volgt “dat loslopende dieren (in casu honden) toch onder iemands hoede kunnen staan”, zoals De Lange opmerkt met een beroep op HR 28 februari 1989. [9] De Lange leest daarin kennelijk een tegenstelling met “een oud arrest” waarmee hij waarschijnlijk het hierboven genoemde arrest van 16 januari 1928 bedoelt. Bij beide arresten sta ik eerst stil.