Conclusie
Beoordeling van de klacht
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond het conservatoir derdenbeslag op bankrekeningen van minderjarige kinderen centraal, gelegd in het kader van een ontnemingszaak tegen hun vader, verdachte van strafbare feiten zoals genoemd in art. 94a Sv. De rechtbank had het beslag gehandhaafd, stellende dat sprake was van een schijnconstructie en dat de wetenschap van deze constructie aan de minderjarige kinderen kon worden toegerekend via hun ouders/verzorgers.
De advocaat-generaal betoogde echter dat de rechtbank ten onrechte de wetenschap van de schijnconstructie aan de minderjarigen toerekende, aangezien zij te jong waren om deze wetenschap te hebben. De Hoge Raad bevestigde dat het beslag mogelijk is indien voldoende aanwijzingen bestaan dat de tegoeden feitelijk aan de verdachte toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning te bemoeilijken, en dat de wetenschap daarvan bij de derde aanwezig moet zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel vaststaat dat de tegoeden aan de minderjarige klagers toebehoren, waardoor het beslag onterecht is gelegd. De schijnconstructie rechtvaardigt niet dat de minderjarigen worden aangemerkt als rechthebbenden met wetenschap van de constructie. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en stelde dat de tenaamstelling van de bankrekeningen niet doorslaggevend is voor het bepalen van de rechthebbende in strafvorderlijke beslagzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het beslag op de bankrekeningen van minderjarige kinderen wegens onvoldoende bewijs dat zij rechthebbenden zijn met wetenschap van de schijnconstructie.