ECLI:NL:PHR:2015:257

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2015
Publicatiedatum
20 maart 2015
Zaaknummer
14/00378
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 267 SrArt. 422 SvArt. 423 SvArt. 378a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor eenvoudige belediging van politieambtenaar met straattaalterm

In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens eenvoudige belediging van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening. De belediging bestond uit het uiten van het woord 'kaolo', dat in de Surinaamse straattaal als 'klootzak' wordt begrepen en als beledigend wordt aangemerkt.

Tijdens het hoger beroep ontbrak een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, waardoor het hof het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg niet kon betrekken bij zijn beraadslaging zoals voorgeschreven in art. 422, tweede lid, Sv. De Hoge Raad oordeelde echter dat het ontbreken van dit proces-verbaal niet leidt tot nietigheid, tenzij de verdachte daardoor in enig belang is geschaad. Nu de behandeling in eerste aanleg bij verstek had plaatsgevonden en geen aanwijzingen bestonden dat het verhandelde ter terechtzitting tot andere oordelen zou leiden, was geen sprake van schending van belangen van verdachte.

Het hof had voldoende gemotiveerd dat het woord 'kaolo' een beledigende betekenis heeft in de gebruikte context en dat verdachte dit woord had geuit in een situatie waarin hij zich verbaal verzette tegen de politieambtenaar die hem vasthield. De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling tot een taakstraf van zestien uur, subsidiair acht dagen hechtenis, in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor eenvoudige belediging met het woord 'kaolo'.

Conclusie

Nr. 14/00378
Zitting: 27 januari 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 19 december 2013 de verdachte wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestien uren, subsidiair acht dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het arrest van het hof mede is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, terwijl het aldaar verhandelde aan het hof niet bekend is geweest wegens het ontbreken van een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg.
4. Bij de stukken van het geding bevindt zich een verkort vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 25 april 2012. Een aanvulling van het verkort vonnis heb ik niet aangetroffen. Evenmin bevindt zich bij de stukken een proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg. Uit het verkorte vonnis blijkt dat de terechtzitting in de zaak op 11 april 2012 bij verstek heeft plaatsgevonden.
5. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep is het ontbreken van een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg alsook de afwezigheid van een uitgewerkt vonnis aan de orde gekomen. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt dienaangaande het volgende in:
“De raadsvrouw voert een preliminair verweer. Zij stelt geen proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, noch een uitgewerkt vonnis te hebben ontvangen. Deze bevinden zich ook niet in het dossier. Daardoor is het niet duidelijk wat er in eerste aanleg ter terechtzitting is gebeurd. Deze stukken vormen daartoe de kernbron. Er kan nu niet nagegaan worden of aan alle formaliteiten is voldaan, noch hoe de politierechter tot haar oordeel is gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is derhalve nietig en de zaak dient teruggewezen te worden naar de rechtbank teneinde opnieuw berecht en afgedaan te worden. In 2008 heeft een soortgelijke zaak gespeeld voor dit hof. De raadsvrouw legt een kopie van het arrest in de betreffende zaak over. De zaak is toen wegens het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg naar de rechtbank teruggewezen. De advocaat-generaal geeft aan dat hij niet kan controleren welke stukken in het hof-dossier zitten, maar dat uit zijn stukken blijkt dat de behandeling in eerste aanleg bij verstek heeft plaatsgevonden en dat de verdachte toen is veroordeeld. Dat kan gecontroleerd worden op basis van het verkort vonnis. Niet te controleren valt, aldus de advocaat-generaal, hoe de behandeling ter terechtzitting is verlopen. Gelet daarop is de behandeling in eerste aanleg nietig en dient de zaak teruggewezen. Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verweer wordt verworpen. Terugwijzen van een zaak naar de vorige instantie vindt slechts in een beperkt aantal gevallen plaats. Dit is geregeld in artikel 423, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering. Door de Hoge Raad is middels zijn zogenoemde "kernrol”-jurisprudentie een belangrijke uitbreiding aan de werking van lid 2 gegeven. De betekening van de inleidende dagvaarding heeft in de onderhavige zaak in persoon plaatsgevonden, de verdachte was derhalve op de juiste wijze opgeroepen en van de zitting op de hoogte. Noch aan de tekst van artikel 423, lid 2, Sv noch aan genoemde kernroljurisprudentie kan enig argument worden ontleend op grond waarvan deze zaak thans zou moeten worden teruggewezen naar de rechtbank. Het enkele feit dat een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en een uitgewerkt vonnis ontbreken zijn geen grond voor terugwijzing. Wel is, gelet op het ontbreken van een proces-verbaal terechtzitting, het onderzoek ter terechtzitting nietig. Het hof zal gelet hierop bij eindarrest het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw recht doen.”
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
“Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.”
7. Art. 422, tweede lid, Sv luidt als volgt:
“Indien de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld, geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de artikelen 348 en 350, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 378a of artikel 395a in eerste aanleg is toegepast.”
8. In dezen doet zich niet de situatie voor waarin art. 378a Sv voorziet, te weten die waarin de politierechter volstaat met een zogenoemd stempelvonnis. [1] De politierechter heeft immers schriftelijk vonnis gewezen. Dat betekent dat de beraadslaging in hoger beroep mede had moeten geschieden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgevonden. Daarbij werd het hof geconfronteerd met de omstandigheid dat in eerste aanleg het opmaken van een proces-verbaal van de terechtzitting ten onrechte achterwege is gebleven. Daarmee ontbreekt de kenbron van hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg is geschied. Niettemin heeft het hof de zaak niet aangehouden met het oog op het alsnog verkrijgen van een proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, maar arrest gewezen en overwogen dat zijn arrest is gewezen (mede) naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. [2] Nu het hof zich niet heeft kunnen baseren op een proces-verbaal van die terechtzitting, meen ik dat de steller van het middel terecht aanvoert dat het hof in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 422, tweede lid, Sv. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.
9. Tot cassatie hoeft het voorafgaande echter niet te leiden. Niet naleving van het desbetreffende voorschrift is in de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd en zodanige nietigheid vloeit evenmin voort uit de aard van dat voorschrift. Het niet naleven van het voorschrift leidt eerst dan tot nietigheid indien de verdachte door het verzuim in enig belang is geschaad. [3] In de onderhavige zaak valt niet in te zien in welk belang de verdachte door het geconstateerde verzuim zou zijn geschaad. De steller van het middel betoogt dat de verdachte belang heeft bij vernietiging en terugwijzing omdat het hof dan alsnog kennis kan nemen van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en op grond daarvan tot andere beslissingen kan komen. Daarbij moet echter onder ogen worden gezien dat de behandeling in eerste aanleg bij verstek heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat tijdens de behandeling in eerste aanleg door of namens de verdachte geen verklaringen zijn afgelegd dan wel stellingen zijn betrokken. Een blik achter de papieren muur biedt voorts geen aanknopingspunt te veronderstellen dat ter zitting enige getuige of deskundige is gehoord. De vordering van de officier van justitie is kenbaar door middel van raadpleging van het verkorte vonnis. Niet valt dan ook in te zien dat het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg, zoals dat zou blijken uit een alsnog op te maken proces-verbaal, op enigerlei wijze zou kunnen leiden tot andere oordelen dan die in het bestreden arrest zijn vervat. Nu niet is gebleken dat de verdachte door het geconstateerde verzuim in enig belang is geschaad, is het middel tevergeefs voorgesteld.
10. Het
tweede middelbehelst de klacht dat hetgeen bewezen is verklaard geen beledigende uitlating bevat en daarom niet kan worden gekwalificeerd als ‘eenvoudige belediging’.
11. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:
“op 3 januari 2012 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hoofdagent bij de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, belast met surveillance, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd "Kaolo" .”
12. De bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:
“1. Een proces-verbaal met nummer PL132E 2012002760-2 van 3 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 5 e.v.).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van voornoemde verbalisanten:
Op 3 januari 2012 kregen wij, verbalisanten, de portofonische melding om te gaan naar de parkeerplaats op Maarssenhof te Amsterdam. Hier zou een vechtpartij zijn, waar ongeveer 10 mensen bij betrokken waren. Ter plaatse hebben wij, verbalisanten, de groep staande gehouden en gevraagd naar de legitimatiepapieren. Ik, verbalisant [verbalisant 2], had een persoon staande, welke later bleek te zijn: [verdachte]. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat [verdachte] weg begon te lopen in de richting van het busstation. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zei tegen [verdachte] dat hij moest blijven staan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat hij hieraan geen gehoor gaf. Hierop heb ik, verbalisant [verbalisant 1], [verdachte] vastgepakt bij zijn rechterarm, teneinde hem ter plaatse te houden. Wij, verbalisanten, hoorden [verdachte] roepen: "Kaolo". Ons, verbalisanten is ambtshalve bekend dat dit in de Surinaamse taal betekent: 'Klootzak", en dat wanneer dit tegen iemand gezegd wordt, dit beledigend bedoeld is. Wij, verbalisanten, voelden ons dan ook aangetast in onze goede naam en eer.”
13. Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat het uit het proces-verbaal van aanhouding heeft afgeleid dat het woord ‘kaolo’ ‘klootzak’ betekent. Tijdens de behandeling van de terechtzitting in hoger beroep heeft de voorzitter de verdachte voorgehouden dat hij het woord ‘kaolo’ heeft “gegoogled” en dat het woord wordt gebruikt als versterkend woord en letterlijk ‘anus’ betekent. De oudste raadsheer heeft hieraan toegevoegd dat het woord ‘kaolo’ een Surinaams woord is en een vast woord in de straattaal schijnt te zijn in Nederland en vooral in Amsterdam dat in brede lagen onder jongeren wordt gebruikt en ook door mensen van niet-Surinaamse afkomst. De verdachte heeft verklaard het woord ‘kaolo’ niet te kennen.
14. De steller van het middel voert aan dat er kennelijk geen eenduidige, direct kenbare, beledigende betekenis aan het woord ‘kaolo’ toekomt. Nu het hof ter zake in zijn kwalificatiebeslissing niet tot uitdrukking heeft gebracht welke beledigende betekenis dit woord als zodanig heeft, is de steller van het middel van mening dat de kwalificatiebeslissing ondeugdelijk is gemotiveerd.
15. Ik stel het volgende voorop. Een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, moet als beledigend worden beschouwd in de zin van art. 266 in Pro verbinding met art. 267 Sr Pro, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Uit het gebruik van termen die naar algemeen spraakgebruik als scheldwoorden zijn aan te merken, kan in de regel de strekking om te beledigen worden afgeleid. [4] Bij woorden waarvan het gebruik op zichzelf in het algemeen niet beledigend is, zal zulks afhangen van de context waarin de uitlating is gedaan. [5]
16. Voor zover het middel steunt op de veronderstelling dat het hof niet tot uitdrukking heeft gebracht welke betekenis het aan het woord ‘kaolo’ heeft toegekend, berust het op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist het derhalve feitelijke grondslag. Het hof heeft immers uit het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal afgeleid dat het woord ‘kaolo’ ‘klootzak’ betekent. Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat het hof hiervan in het kader van de kwalificatiebeslissing nader blijk had moeten geven, berust het op een eis die het recht niet kent.
17. De omstandigheid dat het woord ‘kaolo’ ook op een andere wijze kan worden ‘vertaald’, doet niet af aan het oordeel dat het desbetreffende woord een beledigende uitlating bevat. Ook in de door de steller van het middel genoemde alternatieve betekenis, zoals die ter terechtzitting ter sprake is gekomen, blijft de beledigende strekking van de uitlating immers in stand. Aldus heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het woord als zodanig, in de straattaal waarin het wordt gebezigd, een beledigende betekenis heeft.
18. Daarbij komt dat het hof heeft overwogen dat het gebruik van het woord ‘kaolo’, mede gelet op de inhoud van het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal, in de onderhavige situatie niet anders dan beledigend kan zijn bedoeld. Daarmee heeft het hof de context waarin de uitlating is gedaan betrokken bij zijn oordeel dat de uitlating de strekking had de aangever aan te randen in zijn eer en goede naam. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte de term heeft gebezigd in een situatie waarin hij zich verbaal keerde tegen de verbalisant die hem bij zijn arm had vastgepakt. Het oordeel is aldus toereikend gemotiveerd.
19. De middelen falen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Art. 395a Sv heeft betrekking op het geding bij de kantonrechter en is dan ook evenmin van toepassing.
2.Voor terugwijzing bestond geen grond. Vgl. art. 423, tweede lid, Sv en HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996/557 en HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4472.
3.HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:AY9214, rov. 3.4.
4.Vgl. A.L.J. Janssens en A.J. Nieuwenhuis,
5.vlg. HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3336, NJ2010/672, rov. 2.5 en NJ 2012/558.