Op 10 juni 2015 verzocht de officier van justitie in Rotterdam een voorlopige machtiging voor betrokkene om diens verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis voort te zetten op grond van de Wet Bopz. De rechtbank verleende deze machtiging op 29 juni 2015 voor de periode tot uiterlijk 12 december 2015. Betrokkene stelde hiertegen beroep in cassatie in, zonder verweerschrift.
Het cassatiemiddel richtte zich tegen het oordeel dat betrokkene een stoornis van de geestvermogens heeft, bestaande uit afhankelijkheid van alcohol, diverse drugs en benzodiazepinen, en dat deze stoornis van dien aard is dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zodanig wordt beïnvloed dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend. De Hoge Raad overwoog dat alleen verslaving niet voldoende is; er moet sprake zijn van een ernstige psychische stoornis die de gevaarlijke daden overwegend beheerst.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf hanteerde, mede gelet op de parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie. De rechtbank had inzichtelijk gemotiveerd dat betrokkene niet alleen verslaafd is, maar dat deze verslaving gepaard gaat met een ernstige stoornis van de geestvermogens. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht, onder meer omdat betrokkene ondanks een ernstige nekblessure tegen medisch advies in weer overmatig alcohol ging gebruiken.
De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard en bevestigde daarmee de voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz.