Conclusie
de tijd die door de veroordeelde vanaf het moment van aanhouding op in voorlopige en uitleveringshechtenis en ter executie van de in opgelegde vrijheidsstraf in detentie is doorgebracht in Duitsland, en de tijd gedurende welke de veroordeelde met het oog op overbrenging en uit hoofde van de wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest in Nederland”.
middelwordt geklaagd dat de rechtbank bij het bepalen van de straf ten onrechte de in Duitsland opgelegde straf als “primaire althans overwegende maatstaf” heeft genomen voor de naar Nederlands recht op te leggen straf. De steller van het middel doet daartoe een beroep op HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1162, HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:177 en HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:921,
NJ2014/254.
dat bij de omzetting van de door een buitenlandse rechter opgelegde straf enerzijds rekening wordt gehouden met de opvattingen omtrent de ernst van het delict die leven in het land waar het delict is gepleegd, onder meer tot uitdrukking komend in de hoogte van de strafbedreiging, en anderzijds met de Nederlandse opvattingen en maatstaven dienaangaande en andere voor de straftoemeting van belang zijnde omstandigheden.”
1. Deze wet treedt in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
noodzakelijk” zijn om te voldoen aan het bedoelde kaderbesluit. Het European Judicial Network houdt weliswaar op zijn internetsite bij of lidstaten maatregelen hebben genomen ter uitvoering van de Europese instrumenten die berusten op wederzijdse erkenning zoals het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, [5] maar daarmee is niet gezegd of dit de “
noodzakelijke” maatregelen zijn als bedoeld in art. 5:2, tweede lid, WETS. Het is zelfs de vraag of de Nederlandse rechter of justitiële autoriteit de aangewezen instantie is om die vraag te beantwoorden. Het toezicht op de uitvoering van Kaderbesluit 2008/909/JBZ is in art. 29 van Pro dat kaderbesluit namelijk opgedragen aan de Commissie en de Raad. Met de terughoudendheid die de Nederlandse autoriteiten past, zou voor de maatregelen die “
noodzakelijk” zijn gelezen kunnen worden: de naar het oordeel van de andere lidstaat van de Europese Unie noodzakelijk geachte maatregelen om te voldoen aan Kaderbesluit 2008/909/JBZ, of nog algemener: elke maatregel die de andere lidstaat van de Europese Unie heeft genomen om te voldoen aan het Kaderbesluit 2008/909/JBZ.
de bestaande rechtsinstrumenten betreffende de overbrenging van gevonniste personen”. Het Kaderbesluit zelf biedt daarvoor als aanknopingspunt het moment waarop het verzoek wordt ontvangen. Art. 28, eerste lid, Kaderbesluit luidt namelijk als volgt:
Het vóór 5 december 2011 ontvangen verzoek wordt verder volgens de bestaande rechtsinstrumenten betreffende de overbrenging van gevonniste personen behandeld. Het na die datum ontvangen verzoek wordt behandeld volgens de voorschriften die de lidstaten op grond van dit kaderbesluit aannemen.”
In de betrekkingen tussen de lidstaten vervangt dit kaderbesluit met ingang van 6 december 2011 de overeenkomstige bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa van 30 november 1964 inzake het toezicht op voorwaardelijk veroordeelden of voorwaardelijk in vrijheid gestelden.”
voordatdie lidstaat de maatregelen heeft getroffen om te voldoen aan het in de betreffende zaak mogelijk toepasselijke kaderbesluit, te weten het Kaderbesluit 2008/909/JBZ of het Kaderbesluit 2008/947/JBZ. [7]
verlagen” indien de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie een langere duur heeft dan het voor het betreffende feit naar Nederlands recht toepasselijke strafmaximum (art. 2:11, vierde lid, WETS). De uitzondering op deze regel betreft het geval waarin de veroordeelde eerder door Nederland is overgeleverd onder de garantie van teruglevering (art. 2:11, vijfde lid, WETS). In dat geval wordt bezien of de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie overeenkomt met de sanctie die in Nederland voor het desbetreffende feit zou zijn opgelegd, en wordt de sanctie voor zover nodig “
aangepast”.
uitleveringshechtenis” bij de tenuitvoerlegging eenvoudigweg kan en moet worden verstaan als “
overleveringsdetentie”, die moet worden afgetrokken op basis van art. 31, tweede lid, WOTS. [12]