AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging faillissement ondanks betwisting hoofd- en steunvorderingen
Verzoeker werd door de Rechtbank Rotterdam bij vonnis van 22 mei 2015 in staat van faillissement verklaard na een verzoek van verweerder. Verzoeker betwistte het bestaan van de hoofdvordering en de steunvorderingen die aan het faillissementsverzoek ten grondslag lagen.
In hoger beroep heeft het Hof Den Haag op 23 juni 2015 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof oordeelde dat summierlijk blijkt dat de hoofdvordering van verweerder bestaat, mede gelet op een eerder tussenvonnis waarin verrekening zonder instemming van verweerder werd afgewezen. Ook steunvorderingen, zoals een vordering van de Belastingdienst en een vordering van Golden Cable West B.V., zijn summierlijk komen vast te staan.
Verzoeker stelde in cassatie meerdere klachten in, onder meer over de opeisbaarheid van de vorderingen en de verrekening via een derdengeldenrekening. De Hoge Raad verwierp deze klachten, onder meer omdat het hof het bestaan van vorderingen en het feit dat verzoeker is opgehouden te betalen voldoende aannemelijk had gemaakt. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een executoriale titel niet betekent dat een vordering niet opeisbaar kan zijn.
De Hoge Raad concludeert dat het faillissement terecht is uitgesproken en dat de cassatieklachten onvoldoende onderbouwing bevatten om het arrest van het hof te vernietigen.
Uitkomst: Het faillissement van verzoeker wordt bevestigd ondanks betwisting van vorderingen.
Voetnoten
1.Vgl. het vonnis van 22 mei 2015. Het in het B-dossier overgelegde verzoekschrift is evenwel afgestempeld 9 april 2015.
3.Ik veronderstel dat dit de brief van 5 juni 2015 is waarnaar het Hof op de eerste pagina van zijn arrest onder het kopje ‘Het geding’ verwijst. Zowel het hoger beroepschrift als de aanvulling daarop zijn ingediend door mr. Theelen. Opmerking verdient nog dat op 1 juni 2015 een tweede hoger beroepschrift is ingediend door [betrokkene]. Bij e-mail van vrijdag 5 juni 2015 heeft [betrokkene] verzocht dit appelschrift te voegen bij het hoger beroepschrift van mr. Theelen. Uit het feit dat van een en ander geen melding is gemaakt in het bestreden arrest en uit de omstandigheid dat mr. Theelen het kennelijk nodig heeft geacht op diezelfde datum een aanvullend hoger beroepschrift in te dienen - waarvan de inhoud goeddeels, maar niet volledig overeenkomt met het beroepschrift van [betrokkene] - leid ik af dat het Hof met deze gang van zaken niet heeft ingestemd. Ik neem dan ook aan dat het hoger beroepschrift van [betrokkene] geen deel uitmaakt van het procesdossier. De stukken van [betrokkene] zijn in cassatie als onderdeel van het A-dossier overgelegd, resp. als de producties 5 en 6. De stukken maken geen deel uit van het B-dossier. Overigens verschillen de dossiers ook anderszins van samenstelling. Zo ontbreken in het A-dossier stukken van de eerste aanleg, welke wel in het B-dossier zijn opgenomen, en bevat het A-dossier meer appelstukken dan het B-dossier. Daarvan is in cassatie in ieder geval de brief met bijlagen van de curator van belang, overgelegd als productie 13.
4.Vgl. Wessels Insolventierecht I, 2012/1204 en 1205 o.v.n. MvT, Van der Feltz I (1896), p. 270.
5.[verzoeker] stelt op die plaats, zonder daaraan enig gevolg te verbinden: “Daargelaten dat er een derdengeld rekening speelde is de vordering van [verweerder] niet ingesteld tegen de Stichting Derdengelden maar tegen [verzoeker].”
6.Dit vonnis is als productie 5 bij het inleidend verzoekschrift overgelegd.
7.Overigens zit hier m.i. wel een moeilijkheid. De in feitelijke aanleg betrokken stellingen en de cassatieklachten zijn evenwel onvoldoende scherp geformuleerd om daaraan in cassatie consequenties te verbinden. Met [verzoeker] meen ik dat [verweerder] in beginsel een vordering op de Stichting Beheer Derdengelden heeft. Anders dan de Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld zou ik verder menen dat door de ten onrechte verrekening niet een vordering van [verweerder] op [verzoeker] ontstaat, maar een vordering van de Stichting Beheer Derdengelden op [verzoeker]. [verweerder] behoudt onverkort een vordering op de Stichting Beheer Derdengelden. De door de Rechtbank gekozen benadering heeft m.i. de onwenselijke consequentie dat door een onbevoegde verrekening alsnog een verrekeningspositie gecreëerd zou kunnen worden. Vordering en schuld vallen daardoor immers niet langer in van elkaar gescheiden vermogens.
8.[verzoeker] verwijst voor relevante stellingen naar zijn hoger beroepschrift van 1 juni 2015, sub a onder 1, 2 3 en 10. Op die vindplaatsen staat evenwel niets dat in dit verband van belang is. Vermoedelijk is bedoeld te verwijzen naar het eveneens op die datum door [betrokkene] ingediende hoger beroepschrift. Aan de inhoud daarvan moet hier m.i. evenwel worden voorbijgegaan. Ik verwijs naar hetgeen hiervoor in voetnoot 3 is opgemerkt. Het bij brief van 5 juni 2015 overgelegde aanvullend hoger beroepschrift, dat door het Hof kennelijk wel is toegelaten, bevat op dezelfde vindplaatsen evenwel stellingen met eenzelfde inhoudt. Ik zal hierna aannemen dat is bedoeld daarnaar te verwijzen.
9.De Rechtbank heeft een dergelijk beroep op verrekening wel gelezen in de vergelijkbare stellingen in eerste aanleg, zo volgt uit het vonnis onder
10.Ook deze cassatieklacht is m.i. onvoldoende scherp geformuleerd. Zo in de stellingen van [verzoeker] een beroep op verrekening moet worden gelezen, ligt het in de rede dat dit beroep ziet op verrekening met de als gevolg van de ten onrechte verrekening ontstane vordering van [verweerder] op [verzoeker]. M.i. houdt de redenering van Rechtbank en Hof dat verrekening niet mogelijk is omdat het - kort gezegd - gaat om gelden die op een derdengeldrekening zijn ontvangen in dat geval geen stand. Zij hadden ofwel dit beroep moeten honoreren, ofwel moeten oordelen dat verrekening niet mogelijk was omdat - anders dan de Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld - [verweerder] een vordering op de Stichting Beheer derdengelden heeft, en niet op [verzoeker]. Linksom of rechtsom hadden Rechtbank en Hof dan niet tot het oordeel kunnen komen dat summierlijk van het vorderingsrecht van [verweerder] is gebleken. De cassatieklacht is evenwel volledig toegespitst op een miskenning van een geslaagde verrekening via betaling via de Stichting Beheer Derdengelden.
11.Ook hier neem ik aan dat is beoogd te verwijzen naar vindplaatsen met dezelfde nummers in het aanvullend beroepschrift. Zie eerder voetnoot 8.
12.Dat is anders wanneer ook acht wordt geslagen op hetgeen in het aanvullend beroepschrift onder 10 is opgenomen. Naar die berekening wordt in cassatie evenwel niet verwezen. Bovendien moet ’s Hofs oordeel m.i. worden gelezen tegen de achtergrond van het feit dat [verweerder] over het gevorderde bedrag ook een aanzienlijk bedrag aan wettelijke rente vordert. Zie voor de wettelijke renteberekening over de hoofdsom van € 27.000,- over de periode vanaf 18 februari 2008 bijlage 13 bij het inleidend verzoekschrift.
13.Zoals in voetnoot 7 aangegeven, vraag ik mij af of wel sprake is van een vordering van [verweerder] op [verzoeker]. In het licht van de inhoud van het vonnis van 16 juli 2014 is ’s Hofs oordeel m.i. evenwel niet onjuist of onbegrijpelijk
14.Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2012/156, met rechtspraakgegevens. Zie recent HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224. 15.Zie de brief van de curator d.d. 11 juni 2015 met het daarbij overgelegde bijlagen, in cassatie overgelegd als productie 13 in het A-dossier. Ik proef bij de curator wel enige twijfel omtrent de faillissementsaanvraag. Zo merkt hij in zijn brief van 11 juni 2015 aan r-c Frima op: “Wellicht is in ieder geval van belang dat het steeds lijkt te gaan om
16.Het Hof spreekt over Global Cable West. Bedoeld zal zijn Golden Cable West. Zie ook het hoger beroepschrift onder 10 en het arrest van het Hof Den Haag d.d. 3 maart 2015 gewezen tussen [verzoeker] en Golden Cable West, overgelegd als productie 7 bij het verweerschrift d.d. 12 mei 2015.
17.Wederom neem ik aan dat is beoogd te verwijzen naar vindplaatsen met dezelfde nummers in het aanvullend beroepschrift. Zie eerder voetnoot 8.
18.Zie productie 15 in het A-dossier.
19.Dat is ook juist, productie o is bij het verweerschrift van 12 mei 2015 als onderdeel van productie 10 overgelegd.
20.Ook dat is juist, zie andermaal productie 10 bij het verweerschrift.
21.De brief met bijlagen is onder meer overgelegd als productie 14 in het A-dossier.