Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [2] )zijn [B] B.V. en [C] B.V. met terugwerkende kracht per 1 juli 2007 een maatschap aangegaan onder de naam [D] (hierna: de maatschap). De beide besloten vennootschappen zouden ieder apart de praktijk van advocaat blijven uitoefenen, maar de daaraan verbonden kosten gelijkelijk delen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [4] )Van kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld.
( [5] )
kennelijkonbehoorlijke taakvervulling. Dit uitgangspunt is als zodanig niet voor weerlegging vatbaar. Verder wordt de tot uitgangspunt te nemen niet behoorlijke vervulling van de bestuurstaak vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dat vermoeden is wel voor weerlegging vatbaar. Deze bepalingen strekken tot bescherming van de belangen van de crediteuren van de vennootschap en tot versterking van de bewijspositie van de curator.
( [6] )
kan worden toegepast om de al te scherpe kantjes van het tweede lid van de artikelen 138 en 248 Boek 2 BW, zoals in het wetsontwerp voorgesteld, weg te nemen” (Kamerstukken II, 16 631, 1983-1984, nr. 9, p. 16).”
( [9] )Aldaar overweegt de Hoge Raad:
kennelijkonbehoorlijke taakvervulling wordt bedoeld. Dit betekent dat de bestuurder aan de zojuist genoemde stel- en bewijsplicht ook voldoet indien uit de door hem aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden betreffende het nalaten wel van een onzorgvuldige vervulling van de bestuurstaak blijkt maar niet van een kennelijk onbehoorlijke vervulling van de bestuurstaak.
( [10] )
( [11] )Verder verdient hier nog vermelding dat bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie het voornemen bestaat om de regeling in de artikelen 2:138 en 248 BW in het kader van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen over te brengen naar de Faillissementswet en ook voor andere privaatrechtelijke rechtspersonen te laten gelden.
( [12] )
zonder meer afwachtenvan [eiser] een onbegrijpelijke althans een ontoereikend gemotiveerde weergave/uitleg van de stellingen van [eiser] geeft. Ter toelichting wordt er op gewezen in § 27 van de cassatiedagvaarding dat [eiser] heeft gesteld dat hij niet op korte termijn een andere accountant wist te vinden en in § 28 van de cassatiedagvaarding dat hij in september, oktober en november 2009 vergeefs bij DRV heeft geïnformeerd wie de opvolger van zijn vaste accountant zou worden, dat hij in december zijn oude vaste accountant heeft verzocht om de jaarstukken 2008 op te maken en dat DRV na dreiging met een kort geding daarmee uiteindelijk instemde bij brief van 4 maart 2010.
‘zonder meer afwachten’heeft bedoeld. In onderdeel 1 wordt er van uitgegaan dat het hof daarmee heeft willen zeggen dat [eiser] geen stappen heeft ondernomen om tot opstelling van de jaarrekening 2008 te komen totdat DRV aan de vaste accountant van [A] toestemming gaf om die jaarrekening op te stellen. Zou het hof dat bedoeld hebben, dan zou dat inderdaad niet stroken met de stellingen van [eiser]. Maar de woorden
‘zonder meer wachten’dienen, naar het voorkomt, zo niet te worden begrepen. Dat valt al hieruit af te leiden dat het hof in rov. 3 vermeldt wat [eiser] heeft gesteld omtrent zijn pogingen om tot de opstelling van de jaarrekening 2008 te komen na ontvangst van het bericht in augustus 2008 over het vertrek van de vaste accountant van [A] bij DRV. Het hof haakt met de woorden
‘zonder meer afwachten’aan, zo schijnt het toe, bij de direct daaraan voorafgaande vaststelling dat
“de tijd ruimschoots voldoende was geweest om een ander kantoor te vinden waar deze expertise –[de expertise voor het opstellen van de jaarrekening 2008]
– wel aanwezig was.”Gelet hierop steekt achter de woorden
’zonder meer afwachten’het verwijt aan [eiser] dat hij, hoewel hij daarvoor voldoende tijd heeft gehad, niet er toe is overgegaan om ter verzekering van een tijdige publicatie van de jaarrekening van 2008 de opstelling van de jaarrekening onder te brengen bij een ander kantoor dat de daarvoor vereiste expertise had. Dit vindt bevestiging in rov. 5, waarin het hof aan twee omstandigheden, waarop [eiser] zich ook nog heeft beroepen ter rechtvaardiging van de vertraging in het publiceren van de jaarrekening 2008, betekenis ontzegt, omdat bij tijdige opvolging van accountant die omstandigheden niet tot de opgetreden vertraging zouden hebben geleid.
“[eiser] heeft in eerste aanleg betoogd dat en waarom het te laat deponeren van de jaarrekening van [A] een onbelangrijk verzuim als bedoeld in artikel 2:248 lid 2 BW Pro vormde. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Nu niet blijkt dat [eiser] het verweer dat sprake was van een onbelangrijk verzuim in hoger beroep heeft prijsgegeven, had het hof dit verweer op grond van de devolutieve werking van het appel dienen te behandelen, ook indien [eiser] op dit punt niet zekerheidshalve incidenteel beroep zou hebben ingesteld. Bij deze stand van zaken had het hof een proceskostenveroordeling in het incidenteel appel achterwege moeten laten (HR 11 mei 2012, NJ 2012/319).”
( [13] )De stelling van [eiser] dat het niet tijdig publiceren van de jaarrekening een onbelangrijk verzuim is, is door de rechtbank verworpen. Hiertegen heeft de Curator geen grief aangevoerd. Daardoor maakte de kwestie of het te laat publiceren van de jaarrekening als een onbelangrijk verzuim was te beschouwen, nog geen deel uit van de rechtsstrijd in appel. Zou [eiser] de kwestie niet met zijn incidenteel appel aan de orde hebben gesteld dan zouden de stellingen die hij dienaangaande in eerste aanleg naar voren had gebracht, niet door het hof in aanmerking kunnen zijn genomen. Kortom, om de vraag van onbelangrijk verzuim in appel opnieuw beoordeeld te krijgen was een incidenteel hoger beroep van de zijde van [eiser] nodig en, nu dat incidenteel hoger beroep ook door [eiser] is ingesteld, kon het hof daarin ook aanleiding vinden om een kostenveroordeling ter zake van het incidenteel hoger beroep uit te spreken. Op een en ander strandt onderdeel 4.