Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 1) – zakelijk weergegeven – dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting nu omgang tussen de niet met het gezag belaste ouder slechts kan worden ontzegd op de in art. 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden en het enkele feit dat de met gezag belaste ouder bezwaren heeft tegen de omgang niet een dergelijke grond is. Dat, zoals het hof overweegt, de moeders thans onvoldoende draagkracht hebben om de omgang tussen de man en het kind te ondersteunen en het kind daarbij op adequate wijze te begeleiden, is evenmin een grond voor ontzegging.
whether the national authorities have taken all necessary steps to facilitate the execution that can reasonably be demanded in the special circumstances of each case (see, mutatis mutandis, Hokkanen v. Finland, 23 September 1994, § 58, Series A no. 299 A; Ignaccolo-Zenide, cited above, § 96; Nuutinen, cited above, § 128; and Sylvester v. Austria, nos. 36812/97 and 40104/98, § 59, 24 April 2003).
the adequacy of a measure is to be judged by the swiftness of its implementation, as the passage of time can have irremediable consequences for relations between the child and the parent who do not cohabit (see Ignaccolo-Zenide, cited above, § 102).
Onderdeel 3 [13] richt zich tegen de beslissing van het hof dat het eerste contactmoment tussen de man en het kind in mei 2016 zal zijn. Volgens het onderdeel heeft het hof weliswaar overwogen dat deze lange periode de moeders in staat stelt om het contact ruimschoots tevoren en in overleg met de hulpverlening voor te bereiden, maar kan die motivering de beslissing van het hof ter zake niet dragen gelet op het lange tijdverloop tussen het laatste omgangsmoment en de beschikking van het hof, mede bezien in het licht van het feit dat de hulpverlening aan de moeders al geruime tijd voor de uitspraak in gang is gezet. Het onderdeel wijst er daarbij op dat er een aanzienlijk risico bestaat dat bij gebreke van omgang gedurende drie jaren en vier maanden de band tussen de man en het kind ernstig kan verzwakken en, gelet op de relatief jonge leeftijd van het kind, zelfs verloren zou kunnen gaan.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
subonderdeel 1.1ontbeert dit oordeel elke rechtsgrond nu er geen rechtsregel is die voorschrijft dat ouders kunnen worden gedwongen hun kind vóór een bepaalde datum te vertellen wie de verwekker dan wel biologische vader van hun kind is en behoort het moment van die mededeling tot het domein van de ouders in het kader van de opvoeding en komt de man, nu hij geen ouder is, geen gezag heeft, het kind niet heeft erkend en uit dien hoofde geen zeggenschap heeft over de (opvoeding van) het kind, niet het recht toe om de rechter te verzoeken om de ouders te gebieden acties te verrichten in het kader van de wijze waarop zij invulling wensen te geven aan de opvoeding van het kind.
private lifein art. 8 EVRM Pro:
Odièvre v. France[GC],no. 42326/98, par. 29, ECHR 2003-III). Respect for private life requires that everyone should be able to establish details of their identity as individual human beings and that an individual’s entitlement to such information is of importance because of its formative implications for his or her personality (see, for example,
Mikulic v. Croatia, no. 53176/99, paras. 53-54, ECHR 2002-I, and
Gaskin v. the United Kingdom, judgment of 7 July 1989, Series A no. 160, p. 16, paras. 36-37, 39). This includes obtaining information necessary to discover the truth concerning important aspects of one’s personal identity, such as the identity of one’s parents (see
Jäggi v. Switzerland, no. 58757/00, par. 25, ECHR 2006-...;
Odièvre, par. 29; and
Mikulicparas. 54 and 64; both cited above).”
Anayo t. Duitsland [20] tevens heeft geoordeeld dat informatie omtrent afstamming ook onderdeel uitmaakt van het
private lifevan de biologische vader en van invloed is op zijn ontvankelijkheid bij een verzoek om vaststelling van omgang:
Znamenskaya, cited above, § 27 with further references). The Court thus found in the context of proceedings concerning the establishment or contestation of paternity that the determination of a man's legal relations with his legal or putative child might concern his ‘family’ life but that the question could be left open because the matter undoubtedly concerned that man's private life under Article 8, which encompasses important aspects of one's personal identity (see
Rasmussen v. Denmark, 28 November 1984, § 33, Series A no. 87;
Nylund, cited above;
Yildirim v. Austria(dec.), no. 34308/96, 19 October 1999, and
Backlund v. Finland, no. 36498/05, § 37, 6 July 2010).”
subonderdeel 2.2 [26] geeft het klaarblijkelijk van toepassing achten van HR 17 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154) blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat het in die zaak om de situatie gaat waarbij de met gezag belaste ouder stelselmatig en zonder goede gronden weigerde mee te werken aan een omgangsregeling tussen het kind en de andere, niet met gezag belaste, ouder, terwijl in dit geval de man niet kan worden aangemerkt als juridische ouder in de zin van art. 1:377a BW. Betoogd wordt dat nu uit het Raadsrapport blijkt dat de omgang niet in het belang van het kind is, de rechtsregel uit de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 niet van toepassing is en het hof niet verplicht was zich actief op te stellen bij het tot stand brengen van een omgangsregeling.
Nekvedavicius t. Duitsland [28] ) is geoordeeld dat de staat ook een positieve verplichting heeft jegens een biologische vader om een omgangsregeling tot stand te brengen.
subonderdelen 2.3en
2.4-i en iiklagen dat het hof heeft miskend dan wel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd dat in dit geval sprake is van een situatie waarin de omgang niet in het belang van het kind is in de zin van art. 1:377a lid 3 sub d BW en dat reeds om die reden de man de omgang met het kind van partijen ontzegd had dienen te worden, zodat het hof geen omgangsregeling had behoren vast te stellen die zal aanvangen in mei 2016.