Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
eigenwerk (rov. 4.5.7), maar dat zij wel een resterend arbeidsvermogen van 20 uur per week heeft (rov. 4.6.4), wat overeenkomt met € 23.000 bruto per jaar (rov. 4.6.7). Met betrekking tot de schadeberekening overweegt het Hof als volgt:
3.Inleiding
zou zijnopengesteld. Het Hof had er m.i. beter aan gedaan om zich eerst over deze kwestie te buigen. Nu het dat niet heeft gedaan, is aan gerede twijfel onderhevig of [eiseres] (voldoende) belang heeft bij haar klachten. Wanneer deze mislukken, is het cassatieberoep voor haar van ieder belang gespeend. Wanneer één of meer klachten zouden slagen, zou sprake kunnen zijn van een Pyrrhus-overwinning. Het valt te betreuren dat de Hoge Raad zich in zo’n prematuur stadium moet ontfermen over een lange reeks klachten die in essentie slechts een uiterst bewerkelijke feitelijke herbeoordeling vragen.
4.Staat wel tussentijds cassatieberoep open?
5.Bespreking van de klachten
eerste middelricht zich met zeven klachten tegen het door het Hof in rov. 4.7.5.2 gegeven oordeel dat, kort gezegd, de wijze waarop [eiseres] de aan haar toegekende voorschotten heeft verwerkt in de jaarstukken voor haar rekening moet blijven.
nettobedrag. Als ik het goed zie, dan komt het niet verder dan een verwijzing naar “de stellingen” die [eiseres] in appel heeft betrokken. Het loopt aldus stuk op art. 407 lid 2 Rv Pro. Deze stelling wordt door
onderdeel 2.7nog wat aangekleed; deze laatste klacht wordt hieronder behandeld.
onderdelen 2.3 - 2.5klagen dat het Hof in zijn oordeel het aanmerkelijk belang niet heeft meegenomen in de vaststelling van de schade.
onderdeel 2.5). Het Hof heeft in rov. 4.8.3 melding gemaakt van deze stelling van [eiseres] . Het ligt alleen al daarom voor de hand dat het deze stelling in de terstond daarop volgende rechtsoverwegingen heeft verdisconteerd. Uit het slot van rov. 4.8.5 blijkt dat het Hof dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.
onderdeel 2.6had het Hof in moeten gaan op de stelling in de mva onder 61 “dat de door de rechtbank gehanteerde factor van 40% van de winst redelijk is”.
redelijkerwijste vinden moeten zijn.
fiscaleuitspraak van de Rechtbank Arnhem. Het is overvraagd van het Hof te vergen dat het specifiek op zo’n stelling ingaat.
onderdelen 2.10 en 2.11citeren concrete stellingen. Het Hof had daarop wellicht in kunnen gaan, maar waarom het dat had
moetendoen, is niet goed duidelijk. Het gaat immers om niet meer dan niet concreet gesubstantieerde stellingen. Heel in het bijzonder valt er niet uit af te leiden wat valt af te dingen op ’s Hofs redengeving dat de werkzaamheden langzamerhand een flinke omvang hadden aangenomen zodat “de veiliger en gebruikelijke rechtsvorm van BV dan zeer voor de hand ligt” (rov. 4.8.5 tweede alinea in fine). Nu ’s Hofs dragende grond niet wordt bestreden, is de klacht hoe dan ook ten dode opgeschreven.
onderdeel 2.20) erop dat de ondernemingswinst uit de vof volledig aan [eiseres] werd toegerekend.
fiscaletoerekening. Wat daarvan zij en daargelaten dat geen beroep wordt gedaan op concrete stellingen van [eiseres] op dat punt: niet zonder meer duidelijk is waarom het rechtens aan zou komen op de
fiscaletoerekening. Het onderdeel legt dat ook niet uit. Daarom waren er voor het Hof onvoldoende aanknopingspunten om deze stelling te bespreken.
derde middelklaagt dat ’s Hofs oordeel in rov. 4.8.5., “gecombineerd met de uitgangspunten zoals opgenomen in rov. 4.8.1”, onbegrijpelijk is. Volgens de klacht zou er in de situatie waarin het hypothetische inkomen zonder ongeval zou worden gesteld op het netto jaarsalaris van de man van [eiseres] , geen ruimte bestaan voor pensioenopbouw en zou er dan dus ook geen mogelijkheid zijn geweest om de werkzaamheden na het 55ste levensjaar af te bouwen. Dit aspect heeft het Hof niet in zijn beoordeling betrokken. Bovendien heeft het Hof niet gemotiveerd waarom bij een lager inkomen dan door de Rechtbank aangenomen eenzelfde afbouw mogelijk zou zijn.