Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
i.e.25% van haar
trading income.
at arm’s lengthheeft bepaald (middelonderdeel c).
arm’s lengthrentecorrecties op gelieerde renteloze vorderingen en het wel c.q. niet in aanmerking nemen van valutaresultaten op vorderingen. Er is een verschil tussen die twee stelselafwijkingen: de eerste leidt altijd, of het nu om jaarwinst of totaalwinst gaat, tot een kleinere grondslag dan die naar Nederlandse maatstaven. Veronachtzaming van valutaresultaten op vorderingen in andere valuta dan de fiscaal functionele daarentegen leidt tot een
anderegrondslag dan die naar Nederlandse maatstaven, maar niet noodzakelijkerwijs tot een
kleinere, dus ook niet steeds leidt tot een naar Nederlandse maatstaven niet-reële heffing. Als alleen een globale stelselvergelijking wordt gemaakt, is veronachtzaming van valutaresultaten dus wellicht geen relevante stelselafwijking. Het niet-imputeren van zakelijke rente is dat met zekerheid wél, zodat op stelselvergelijkingsniveau (‘stap 1’ onder de nieuwe onderworpenheidstoets 2010) in belanghebbendes geval sprake is van te lage belastingheffing over passief inkomen.
nieuweonderworpenheidstoets (2010) toepassen en het daarbij laten. In casu moet echter de oude onderworpenheidstoets (2008-2009) toegepast worden. Ik meen dat de wettekst en de wetsgeschiedenis er op wijzen dat onder die oude onderworpenheidstoets een schaduwaangifte vennootschapsbelasting voor de buitenlandse dochter nodig was, tenzij de inspecteur met minder nauwkeurige grondslagvergelijking akkoord ging, en dat belanghebbenden in elk geval
toegelatenmoesten worden tot het bewijs dat toepassing van (alle) Nederlandse maatstaven bij de winstbepaling van de buitenlandse deelneming leidde tot een effectieve druk van minstens 10%. Zelfs als dat anders zou zijn, kan de belanghebbende zich mijns inziens op gepubliceerd beleid beroepen om – als dat haar uitkomt – de winst van haar Ierse deelneming volledig te herbepalen naar alle Nederlandse maatstaven. Dat beleid was immers: vaststelling van de belastbare winst “met inachtneming van alle bijzondere regels die in Nederland gelden”. In casu tellen valutaresultaten van de buitenlandse dochter dus wel degelijk mee. Het betoog van de Staatssecretaris over de onwenselijkheid van jojo-effecten doet daar niet aan af, nu de wetsgeschiedenis suggereert dat de wetgever zich niet bekreunde om de vele jojo-risico’s die de oude onderworpenheidstoets opriep en de door de Staatssecretaris ingeroepen passage slechts over stelselwijzigingen in het buitenland ging. Middelonderdeel a faalt.Middelonderdeel b dient zich aan als een motiveringsklacht en faalt als zodanig, nu de inspecteur heeft verklaard de berekening van de belanghebbende niet te bestrijden. Middelonderdeel b lijkt echter ook ’s Hofs oordeel te bestrijden dat belanghebbendes berekeningen stroken met goed koopmansgebruik. Alsdan bestrijdt het minstens gemengde oordelen. Nu mijns inziens zowel op middelonderdeel c als van ambtswege vernietigd en verwezen moet worden (zie 1.17 en 1.18) en niet in euro’s maar in dollars gerekend moet worden, lijkt het mij verstandig de vraag welke valutaresultaatsberekeningswijzen in casu toelaatbaar zijn (die kennelijk in geschil is) vooralsnog aan het verwijzingshof over te laten.
Bank of Ireland arm’s lengthzou zijn voor een te verzakelijken renteloze dollar-uitlening van [D] aan [F] die door [F] in Zuid-Afrikaanse rands dooruitgeleend is aan een gelieerde Zuid-Afrikaanse vennootschap met deviezenbeperkingen. Nu het Hof zijn keuze voor de dollardepositorente bij de
Bank of Irelandniet motiveert, meen ik dat ’s Hofs uitspraak op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
kunnenvallen (zoals valutaresultaten op dollarvorderingen als de fiscaal-functionele valuta de dollar is, zoals in casu), evenmin in de (her)bepaling van diezelfde grondslag naar Nederlandse maatstaven thuishoren. De tekst, ratio en parlementaire geschiedenis van de regeling nopen er mijns inziens toe het Ierse winstbepalingsstelsel te vervangen door het Nederlandse, maar verder alles te laten zoals het in werkelijkheid is, dus ook de (functionele) valuta van fiscale winstbepaling van de desbetreffende buitenlandse dochter. De grondslagvergelijking gaat mijns inziens mank als de winstbepaling “naar Nederlandse maatstaven” niet geschiedt in de fiscaal-functionele valuta van de deelneming. Alleen valutaresultaten die in die valuta zijn behaald (dus alleen valutaresultaten die door de deelneming zijn behaald) behoren in de naar Nederlandse maatstaven te berekenen winst van die deelneming te worden betrokken.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
treasury company. Wegens veranderende (markt)omstandigheden heeft de [B] -groep in 2006 haar ambities bijgesteld en besloten om de activiteiten buiten Zuid-Afrika te herstructureren en onder meer [D] en [F] uiteindelijk te liquideren. Later zijn ook [J] en de belanghebbende geliquideerd.
trading incomead $ 941.151 (het commerciële resultaat ad NEG $ 1.321.594 vermeerderd met het in Ierland fiscaal niet-aftrekbare valutaverlies ad $ 2.237.314 en een bedrag ad $ 25.431 aan in Ierland fiscaal niet-aftrekbare administratiekosten. [4]
- i) ten onrechte [D] aangemerkt als laagbelast in de zin van art. 13(9) Wet Vpb;
- ii) ten onrechte een uitdeling door [D] aan de belanghebbende in aanmerking genomen in verband met belanghebbendes niet-betaling van rente op haar schuld aan [D] ; en
- iii) ten onrechte rente geïmputeerd op belanghebbendes schuld aan [D] , en – zo rente ten gunste van [D] geïmputeerd moet worden – ten onrechte aftrek van die rente bij de belanghebbende geweigerd.
3.Het geding in cassatie
middelonderdeel abetoogt dat bij de berekening van [D] ’s winst naar Nederlandse maatstaven geen rekening moet worden gehouden met valutaresultaten omdat anders “valutaschommelingen bepalen of in het ene jaar wel en het volgende jaar weer niet wordt voldaan aan de onderworpenheidseis.” Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever zulke jojo-effecten niet wenste. Het gaat bij de winstherrekening onder de onderworpenheidseis om stelselafwijkingen. Toevallige valutaschommelingen moeten daar buiten blijven. Doordat Ierland geen zakelijke rente imputeert op [D] ’s gelieerde renteloze vorderingen, is sprake van een stelselafwijking waarvoor de regeling juist is bedoeld (motivering beroep, p. 8):
at arm’s length(motivering cassatieberoep, p. 9-10):
middelonderdeel adat uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 13(10) Wet Vpb (zie hieronder) volgt dat de winst van de buitenlandse deelneming gedetailleerd naar Nederlandse maatstaven moet worden bepaald, waarbij zowel het totaalwinstbeginsel als goed koopmansgebruik geldt. Naar Nederlandse maatstaven verlagen valutaverliezen de belastbare winst, zodat het Hof terecht heeft geoordeeld dat [D] ’s valutaverliezen de te berekenen winst verminderen. Voor de opvatting dat naar Nederlandse maatstaven aftrekbare valutaverliezen worden genegeerd, is haars inziens in de wettekst geen enkele steun te vinden. Zij benadrukt dat er wat valutaresultaten betreft een stelselafwijking tussen Ierland en Nederland bestaat:
"being a debt on security"zodat waardeveranderingen van de vorderingen uit hoofde van die leningen de Ierse belastbare winst niet raken. Aldus is sprake van een discrepantie tussen het Ierse fiscale regime en het Nederlandse regime. (…).”
alle bijzondereregels die hier te lande gelden.”
at arm’s lengthzou zijn. [12] Zij verenigt zich kennelijk met de door het Hof vastgestelde valutaresultaten en rente-imputatie.
4.De laagbelaste beleggingsdeelneming; wet- en regelgeving
per sebeleggingsdeelnemingen)
5.De parlementaire behandeling van de Wet werken aan winst
Werken aan winst; naar een laag tarief en een brede grondslag’ aan de Tweede Kamer aangeboden: [23] Die Nota bevatte een uitwerking van “de mogelijkheden van verlaging van het tarief en aanpassing van de grondslag van de vennootschapsbelasting.” [24] Het kabinet wilde met de voorgestelde maatregelen een “impuls” geven aan het fiscale vestigingsklimaat. [25]
Zalm: (…) Er is gevraagd hoe moeilijk de inspecteur zal doen ten aanzien van de bezittingentoets en het onderworpenheidsvereiste. (…). Het staat de belastingplichtige vrij op welke manier hij aannemelijk wil maken dat een dochter actief is en niet als belegging moet worden gezien. Datzelfde geldt voor de onderworpenheidstoets. De inspecteur zal de 10% niet gaan narekenen voor landen waarin belastingheffing heel normaal is maar voor andere landen, zoals België met de eigenvermogensvrijstelling die daar geldt, moet de check wel degelijk plaatsvinden. Als de dochtermaatschappij zich in een land bevindt waarvan je op je vingers kunt natellen dat er wel eens iets aan de hand zou kunnen zijn, gaat de inspecteur checks verrichten. Dat geldt bijvoorbeeld voor Estland met een nultarief, waar je belastingheffing onbeperkt kunt doorschuiven, en de Belgische notionele interest. Op dergelijke zaken is de inspecteur alert. Hij zal niet hoeven om te kijken naar een bedrijf in Frankrijk of Duitsland omdat wij weten dat het belastingregime daar niet erg afwijkt van het Nederlandse.”
6.Commentaren op de onderworpenheidstoets 2007-2009
een naar Nederlandse maatstaven bepaalde belastbare winst" verwijst op basis van de wetsystematiek naar de winst verminderd met de aftrekbare giften en voor verrekening van verliezen. Het belastbare bedrag is de in een jaar genoten belastbare winst verminderd met de te verrekenen verliezen. [46] Nu niet verwezen wordt naar "de belastbare winst van het betreffende jaar" maar naar "belastbare winst zonder meer", lijkt de wettekst te verwijzen naar de totaalwinst, dat wil zeggen naar welk deel van het (commerciële) resultaat dat de belastbare grondslag vormt, en niet naar de jaarwinst, dat wil zeggen dat niet van jaar tot jaar de feitelijke lokale grondslag wordt vergeleken met de Nederlandse.
.
Nederlandsemaatstaven een rare afschrijvingsbeperking inhouden.
alle(cursivering AWH) bijzondere regels die in Nederland gelden.”
Van laagbelaste beleggingsdeelneming naar kwalificerende beleggingsdeelneming (2010)
8.Beoordeling van het middel en ambtshalve
arm’s lengthmaatstaf moet worden toegepast, zodat onzakelijke renteloosheid van gelieerde vorderingen moet worden gecorrigeerd. In geschil is of de naar Nederlandse maatstaven geldende regel moet worden toegepast dat valutaresultaten mede de winst bepalen, waar in het Ierse stelsel die resultaten fiscaal niet in aanmerking worden genomen.
verlaging(valutaverliesaftrek) naar Nederlandse maatstaven compenseert de grondslag
verhogingnaar Nederlandse maatstaven als gevolg van de
arm’s lengthrente-imputatie zodanig dat [D] slaagt voor de onderworpenheidstoets als beide deze afwijkingen van het Ierse stelsel worden gecorrigeerd.
arm’s lengthrentecorrecties op onzakelijk renteloze gelieerde vorderingen leidt altijd, of het nu om jaarwinst of totaalwinst gaat, tot een kleinere grondslag dan die naar Nederlandse maatstaven. Van veronachtzaming van valutaresultaten op vorderingen in andere valuta dan de fiscaal functionele daarentegen kan men slechts zeggen dat zij tot een
anderegrondslag dan die naar Nederlandse maatstaven leidt (zowel voor de totaalwinst als voor de jaarwinst), maar niet of zij tot een hogere of lagere grondslag zal leiden (behalve wellicht bij notoir zwakke of sterke valuta). Veronachtzaming van valutaresultaten is dus geen stelselafwijking die steeds leidt tot een (te) lage belastingheffing over passief inkomen en daarmee tot een naar Nederlandse maatstaven niet-reële heffing. Veronachtzaming van valutaresultaat leidt mijns inziens andersom evenmin tot het alsnog ‘reëel’ worden van een naar Nederlandse maatstaven overigens niet-reële heffing. Als alleen een globale stelselvergelijking wordt gemaakt (de ‘eerste stap’ onder de nieuwe onderworpenheidstoets; zie onderdeel 7.6), is veronachtzaming van valutaresultaten dus wellicht geen relevante stelselafwijking. Het niet-imputeren van zakelijke rente is dat met zekerheid wél, zodat op stelselvergelijkingsniveau (‘stap 1’ onder de nieuwe onderworpenheidstoets) in belanghebbendes geval sprake is van te lage belastingheffing over passief inkomen.
nieuweonderworpenheidstoets op belanghebbendes geval toepassen en het daar bij laten. In casu moet echter de oude onderworpenheidstoets toegepast worden. Weliswaar zijn “de nieuwe onderworpenheidstoets en nieuwe bezittingentoets (…) ontleend aan [het oude] regime voor laagbelaste beleggingsdeelnemingen, maar [zij] worden anders ingevuld” (zie 7.1 hierboven).
soortenstelselverschillen
tussenNederland en dat buitenland. Welbeschouwd zegt die passage zelfs niet dat de wetgever geen jojo-effecten wenste, hetgeen strookt met het voorbijgaan aan de kritische commentaren die wezen op de risico’s daarop.
arm’s lengthrentecorrectie dan die waarvan het eerste Hof is uitgegaan (zie 8.14). Ik meen dat het daarom verstandig kan zijn om de vraag welke waarderings- en resultaatnemingskeuzen in casu al dan niet overeenstemmen met goed koopmansgebruik (die dus in geschil lijkt) vooralsnog aan het verwijzingshof over te laten. In zoverre zou het middelonderdeel kunnen slagen. Wel merk ik op dat ’s Hofs r.o. 4.2.9.4 mij correct lijkt: het gegeven dat [D] voor commerciële en Ierse fiscale doeleinden haar niet in dollars luidende vorderingen en schulden op een bepaalde wijze waardeert (valutakoers op balansdatum), doet niet ter zake voor de vraag hoe haar winst naar
Nederlandsemaatstaven moet c.q. volgens goed koopmansgebruik mag worden berekend.
arm’s lengthzou zijn voor een te verzakelijken renteloze dollar-uitlening van [D] aan [F] die door [F] in Zuid-Afrikaanse rands dooruitgeleend is aan een gelieerde Zuid-Afrikaanse vennootschap met deviezenbeperkingen. Aangezien het Hof geen reden geeft voor zijn aansluiting bij de dollardepositorente van de
Bank of Ireland, lijkt mij ’s Hofs uitspraak op dit punt onvoldoende gemotiveerd.