Het bestreden arrest houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“
Geldigheid inleidende dagvaardingen en behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg
Van de zijde van de verdachte is in hoger beroep aangevoerd dat de behandeling in eerste aanleg nietig is, omdat - zo begrijpt het hof - de inleidende dagvaardingen nietig hadden dienen te worden verklaard, althans de rechtbank niet had mogen toekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Hiertoe is - kort samengevat - aangevoerd dat is nagelaten om ook een afschrift van de inleidende dagvaardingen te verzenden naar de van verdachte bekende adressen, te weten:
- [a-straat], [plaats], en
- [b-straat], [plaats].
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de identiteitsstaat SKDB betreffende de verdachte d.d. 26 augustus 2013 blijkt dat de verdachte sinds 3 juli 2013 in de GBA stond ingeschreven op het adres [c-straat] te [plaats].
Op 20 augustus 2013 heeft de brigadier van politie gepoogd alle vier inleidende dagvaardingen aldaar te betekenen, hetgeen niet is gelukt omdat volgens de mededeling van degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar niet woonachtig was noch daar verbleef.
De inleidende dagvaardingen zijn vervolgens op 26 augustus 2013 betekend ter griffie van de rechtbank, waarbij tevens afschriften zijn verzonden naar het voormelde GBA adres van de verdachte.
Bij zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 19 oktober 2012 heeft verdachte, zo leidt het hof af uit de handmatige verbetering door de griffier, als zijn verblijfadres opgegeven het adres “[d-straat] te [plaats]”, welk adres (verbeterd in [d-straat] te [plaats]) ook is vermeld bij de verhoren ten overstaan van de rechter-commissaris d.d. 17 januari 2013 en 28 maart 2013. Op 26 augustus 2013 is ook naar dit adres een afschrift van alle vier inleidende dagvaardingen gestuurd.
Het hof stelt vast dat verdachte in de periode van 23 december 2011 tot 9 mei 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat] te [plaats] en dat hij aansluitend van 9 mei 2012 tot 29 oktober 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [a-straat], [plaats], zijnde de adressen waar naar toe naar de mening van de raadsman ook een afschrift verzonden had moeten worden.
Ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaardingen stond de verdachte, zoals gezegd, niet meer op deze adressen ingeschreven in de GBA, terwijl hij in ieder geval bij zijn laatste verhoren in raadkamer ten overstaan van de rechter-commissaris als zijn verblijfadres [d-straat] te [plaats] heeft opgegeven.
Onder die omstandigheden is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat van de inleidende dagvaardingen niet ook nog een afschrift naar de beide andere door de raadsman genoemde adressen verzonden hoefde te worden.
Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat sprake is van een correcte betekening van de inleidende dagvaardingen.
Het verweer strekkende tot nietigheid van de behandeling in eerste aanleg dan wel de inleidende dagvaardingen wordt mitsdien verworpen.”