Conclusie
4.Het eerste middel
Geldigheid inleidende dagvaardingen en behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg
Hiertoe is - kort samengevat - aangevoerd dat is nagelaten om ook een afschrift van de inleidende dagvaardingen te verzenden naar de van verdachte bekende adressen, te weten:
- [a-straat], [plaats], en
- [b-straat], [plaats].
Op 20 augustus 2013 heeft de brigadier van politie gepoogd alle vier inleidende dagvaardingen aldaar te betekenen, hetgeen niet is gelukt omdat volgens de mededeling van degene die zich op dat adres bevond de verdachte daar niet woonachtig was noch daar verbleef.
De inleidende dagvaardingen zijn vervolgens op 26 augustus 2013 betekend ter griffie van de rechtbank, waarbij tevens afschriften zijn verzonden naar het voormelde GBA adres van de verdachte.
Onder die omstandigheden is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat van de inleidende dagvaardingen niet ook nog een afschrift naar de beide andere door de raadsman genoemde adressen verzonden hoefde te worden.
Het verweer strekkende tot nietigheid van de behandeling in eerste aanleg dan wel de inleidende dagvaardingen wordt mitsdien verworpen.”
5.Het tweede middel
advocaat-generaalvoert het woord als volgt:
verdachtereageert daarop:
advocaat-generaalrepliceert daarop als volgt:
raadsmandupliceert daarop als volgt: