In deze strafzaak heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf en terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging. De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte gebruik had gemaakt van een gedragsdeskundigenrapport dat meer dan een jaar voor de terechtzitting was opgesteld, zonder zijn instemming.
De Hoge Raad overwoog dat op grond van art. 37, tweede lid, Sr het hof slechts gebruik mag maken van een dergelijk rapport als het binnen een jaar voor de terechtzitting is opgesteld of met instemming van verdachte en het Openbaar Ministerie. De termijn begint te lopen op de datum van het rapport en eindigt op de dag van aanvang van de terechtzitting die tot oplegging van de maatregel leidt.
In deze zaak was het rapport gedateerd op 22 februari 2001, terwijl de terechtzitting waarop het hof het onderzoek hervatte op 1 maart 2002 plaatsvond, zodat de termijn was verstreken. De Hoge Raad concludeerde dat uit de gedragingen en uitlatingen van verdachte en zijn raadsvrouw bleek dat verdachte instemde met het gebruik van het rapport. De enkele opmerking van verdachte over recidive werd niet opgevat als een weigering.
De overige middelen werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de bestreden uitspraak van het hof.