Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1betoogt dat het hof een rechtens onjuiste althans een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven door (i) het passeren van het bewijsaanbod van Delacher met betrekking tot haar stellingen dat, gelet op de gemanipuleerde tachograaf gegevens, het relaas van de chauffeur omtrent zijn route en in het bijzonder zijn verklaring dat hij op 8 december 2004 rond 23:00 uur aan de Malagastraat is geparkeerd om daar te overnachten niet kan kloppen en de chauffeur derhalve heeft gelogen, en/of (ii) te oordelen dat Delacher onvoldoende heeft gesteld om wetenschap of betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal te onderbouwen althans de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro aan te nemen. Dit betoog wordt nader uitgewerkt in de overige klachten.
Onderdeel 2voert aan dat, voor zover het hof de stellingen en het bewijsaanbod van Delacher als niet relevant heeft gepasseerd omdat daarmee niet voldoende bewezen is dat sprake is van opzet of grove schuld bij de chauffeur en/of diens participatie in de diefstal, het standpunt van Delacher met betrekking tot de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro door het hof onbegrijpelijk is uitgelegd.
onderdelen 4 en 5over het passeren van het bewijsaanbod van Delacher op basis van een verboden prognose zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft voorbij mogen gaan aan het bewijsaanbod van Delacher op de reeds hiervoor genoemde gronden. De klacht van onderdeel 5 over de geloofwaardigheid van het verhaal van de chauffeur in het licht van de onderzoeksrapporten faalt eveneens, omdat de waardering van deze – deels tegenstrijdige [8] – rapporten is voorbehouden aan de feitenrechter. Bovendien heeft het hof de geloofwaardigheid van het verhaal van de chauffeur niet uitsluitend beoordeeld aan de hand van de onderzoeksrapporten, maar heeft het hof bij zijn oordeelsvorming in de eerste plaats rekening gehouden met de stellingen en betwistingen van partijen over en weer.
onderdeel 6betoogd dat het hof een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat Delacher onvoldoende heeft gesteld om wetenschap of betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal te onderbouwen althans de toepasselijkheid van art. 29 CMR Pro aan te nemen en/of door het passeren van het bewijsaanbod van Delacher. Ook deze klacht treft geen doel. Zoals bij de behandeling van onderdeel 2 reeds is opgemerkt, heeft het hof alle door partijen ingebrachte stellingen en onderzoeksrapporten betrokken bij zijn oordeelsvorming over de vraag of sprake is van opzet of met opzet gelijk te stellen schuld in de zin van art. 29 CMR Pro. De uitleg en waardering van de stellingen van partijen is voorbehouden aan de feitenrechter. De uitleg die het hof in dit geval aan de stellingen van partijen heeft gegeven, is niet onbegrijpelijk gelet op de overwegingen van het hof dat (i) de stelling van Delacher dat door Tra niet is voldaan aan de verplichting om met twee chauffeurs te rijden geen verband houdt met de ongelukkige keuze van de parkeerplek door de chauffeur, en voorts dat het niet opvolgen van instructies niet tot de conclusie leidt dat sprake is van bewuste roekeloosheid, (ii) met de stelling van Delacher over de omstandigheid dat criminelen bekend zijn met kostbare ladingen nog niets is gesteld over de betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal, (iii) de route die de chauffeur heeft gevolgd weliswaar onlogisch is, maar dat dit niet tot de conclusie leidt dat sprake is van enige rechtstreekse betrokkenheid van de chauffeur bij de diefstal, en (iv) de keuze om aan de Malagastraat te parkeren weliswaar vreemd is, maar dat uit de ingebrachte onderzoeksrapporten niet zonder meer is af te leiden dat het onverantwoord was om er te blijven, ook omdat de stelling van Geris dat in het verleden daar vaker werd overnacht zonder dat er iets gebeurde niet gemotiveerd is bestreden (zie rov. 4.4.3).