Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Grief 3richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Abvakabo verantwoordelijk gehouden kan worden voor de actie op 2 februari 2013. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat meerdere leden van Abvakabo, die zich ook als zodanig kenbaar hebben gemaakt, tot de actievoerenden behoorden, dat door het verloop van de actie de indruk is gewekt van betrokkenheid van Abvakabo bij de actie en dat Abvakabo - hoewel daartoe ter zitting in de gelegenheid gesteld - geen afstand heeft genomen van de gang van zaken op 2 februari 2013, waaruit de voorzieningenrechter opmaakte dat Abvakabo kennelijk bedoelde indruk onbesproken wenste te laten.
Grief 1richt zich tegen de bevestigende beantwoording van die vraag door de voorzieningenrechter. Naar het oordeel van het hof is het niet relevant of de actie al dan niet als een bedrijfsbezetting gekwalificeerd kan of moet worden. Waar het om gaat is dat de hiervoor gereleveerde gang van zaken niet anders kan worden gezien dan als collectieve actie, waarbij zijdens Abvakabo een groot aantal mensen was betrokken, waarbij Amsta de vrije beschikking over haar bedrijfsruimte is ontnomen en waarbij aan een aantal mensen de toegang tot het Dr. Sarphatihuis werd ontzegd. Dat betrof, anders dan Abvakabo suggereert, niet alleen bestuursleden van Amsta maar ook de hiervoor geciteerde vrijwilligster [betrokkene 1], het afdelingshoofd [betrokkene 2] en de arts [betrokkene 3].
grief 2aan de orde. Het hof beantwoordt die vraag eveneens ontkennend. Niet alleen is een collectieve actie slechts geoorloofd indien die van te voren is aangekondigd, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is geweest, maar bovendien kon de actie de proportionaliteitstoets niet doorstaan: gesteld noch gebleken is dat voor Abvakabo geen andere middelen meer voor handen waren om tot het door haar gewenste resultaat te komen. De onderhavige actie is dus niet ingezet als “ultimum remedium” en dat brengt met zich dat Abvakabo geen beroep kan doen op de bescherming van artikel 6 lid 4 ESH Pro. De actie was daarom naar het voorlopig oordeel van het hof onrechtmatig jegens Amsta.
3.Feitelijke uitgangspunten in cassatie en de juridische betekenis daarvan
Onderdeel 2vertolkt op dit punt vooral formele klachten, maar gaat niet in op een inhoudelijke afweging die zou kunnen rechtvaardigen dat de door haar ingeroepen belangen zwaarder zouden moeten wegen. Dat begrijp ik, want een dergelijke stelling lijkt mij (bijkans) onverdedigbaar.
Deze laatsteworden door de klachten op kundige wijze aan de orde gesteld. Maar aldus wordt eraan voorbij gezien dat de primaire taak van de rechter is om een beslissing te geven in een concreet geschil. De klachten haken daar evenwel nauwelijks bij aan.
4.Juridisch kader
kanin deze redenering in voorkomende gevallen een beperking van het collectief actierecht rechtvaardigen wanneer dat recht niet bij wijze van uiterste middel wordt ingezet. Maar het moet dan wel gaan om een weging van alle relevante omstandigheden, heel in het bijzonder die genoemd in art. G. [36]
volledigterzijde geschoven behoeft te worden. [37] Ik benadruk in dat verband “niet volledig” omdat er wel het nodige aan de hand zal moeten zijn vooraleer genoemd criterium, tezamen met alle andere relevante feiten en omstandigheden, tot de conclusie kan leiden dat een staking (in ruime zin) niet geoorloofd is.
lijkt”) kan worden opgemaakt dat de spelregeltoets naar de achtergrond is geschoven, in die zin dat zij steeds geplaatst dient te worden in de sleutel van de door art. G ESH toegestane beperkingen, [39] al voegen ze eraan toe dat de wens hier de vader van de gedachte zou kunnen zijn. Mogelijk houdt de in dit arrest geformuleerde regel verband met het feit dat hierover in die zaak in cassatie geen oordeel werd gevraagd. [40]
5.Een “ludieke actie”?
6.Behandeling van de klachten voor zover nodig
onderdeel 1verdedigt Abvakabo dat de stelling het enkele feit dat een collectieve actie niet vooraf is aangekondigd, niet steeds - bij wijze van harde regel - tot het oordeel leidt dat die actie niet de door art. 6 aanhef Pro en onder 4 ESH geboden bescherming toekomt. Bij alternatieve vormen van collectieve actie, als aan de orde in deze zaak, die zich anders dan de klassieke werkstaking er door kenmerken dat het werk niet wordt neergelegd, is in beginsel niet (steeds) een aanzegging vereist teneinde die actie als rechtmatige uitoefening van dat grondrecht te kunnen beschouwen. [42]
nietdat het in mijn ogen een erg wenselijke benadering is; zelf voel ik me meer aangetrokken door de onder 6.6.2 vermelde rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt. In het algemeen is er m.i. niets mis met een spelregeltoets, ook niet buiten het kader van art. G. Zoals al vermeld onder 4.5, 4.12 en 6.6 is zeker niet onmogelijk dat ook het Comité die opvatting (nog steeds) is toegedaan.
onderdelen 2 en 3reeds daarin hun Waterloo. Immers kan ‘s Hofs door onderdeel 1 bestreden oordeel de door het Hof bereikte uitkomst zelfstandig dragen. Hierna ga ik ervan uit dat twijfel mogelijk is over de juistheid van dat oordeel.
onderdelen 2en 3 stellen de principiële rechtsvraag aan de orde of als harde eis voor iedere uitoefening van het in art. 6 aanhef Pro en onder 4 ESH erkende recht steeds de spelregel heeft te gelden dat die actie als “ultimum remedium” moet zijn ingezet. [49] Onderdeel 3is gericht tegen rov. 3.11, 3.15 tot en met 3.17 en bouwt voort op de klachten van de voorgaande onderdelen.
dat zij[Abvakabo, A-G]
de medische eindverantwoordelijkheid hebben”zó ver afstaat van de feiten waarvan de klacht uitgaat dat er geen basis is voor beoordeling.