Het cassatiemiddel
9. Het cassatiemiddel bestaat uit een aantal onderdelen. Onderdeel 1 bevat een inleiding. Onderdeel 2 vangt eveneens aan met een inleiding. De “hoofdklachten” zijn vervolgens onder 2.1 t/m 2.3 weergegeven. De “resterende klachten” zijn opgenomen onder 2.4 t/m 2.7. Onder 2.8 is een “subsidiaire klacht” verwoord en onder 2.9 een “veegklacht algemeen”.
De onderdelen 2.1 t/m 2.3; onbegrijpelijke uitleg stellingen partijen en overschrijding grenzen rechtsstrijd in appel
10. Onderdeel 2.1 betoogt dat uit de vaststellingen van het hof in rov. 5.2 (eerste t/m zevende volzin), 5.3 (eerste en tweede volzin) en 5.6 (laatste volzin) geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat in dit geding vaststaat dat de overeenkomst van 28 juli 2009 door partijen is gesloten onder de voorwaarden dat (i) partijen een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden hebben ingediend, (ii) zij een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend, en (iii) de vrouw in het kader van de echtscheiding geen aanspraak op partneralimentatie maakt. Nu voorts vaststaat dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, is onbegrijpelijk – aldus het onderdeel – het oordeel van het hof in rov. 5.1, 5.3 en 5.4 dat de gebondenheid van partijen aan de afspraken als uitgangspunt geldt en dat de overeenkomst niet onder genoemde voorwaarden is aangegaan. Ook is onbegrijpelijk – zo betoogt het onderdeel – het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat de vrouw heeft betwist dat genoemde voorwaarden aan de overeenkomst van partijen zijn verbonden, nu dit oordeel in strijd is met de vaststelling van het hof in rov. 5.2 dat de vrouw uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de huwelijkse voorwaarden zouden worden gewijzigd, dat zij verder een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding zouden indienen en dat zij niet verwachtte dat de man na uitvoering van de overeenkomst nog zou bijdragen in haar levensonderhoud, alsmede met de vaststelling aan het slot van rov. 5.6 dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat haar alimentatieverzoek als subsidiair moet worden gezien.
11. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat uit de door het onderdeel bedoelde vaststellingen in de rov. 5.2, 5.3 en 5.6 moet worden afgeleid dat partijen een bepaalde wijze van uitvoering voor ogen heeft gestaan inzake de overeenkomst die zij met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindiging van hun huwelijk hebben gesloten, in afwijking van hetgeen daarover is bepaald in de huwelijkse voorwaarden, zoals partijen in beginsel ook vrijstond. (De rechtbank verwees in dit verband in haar beschikking van 1 maart 2012 naar HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, NJ 2004/399.) Dat het niet ervan is gekomen uitvoering te geven aan de overeenkomst op de wijze die partijen voor ogen stond, te weten door indiening van een gemeenschappelijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding waarbij de vrouw zou afzien van een verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat partijen niet meer gebonden zouden zijn aan deze overeenkomst. Het hof baseert zijn oordeel daarop dat immers is gesteld noch gebleken is dat de man de overeenkomst heeft ontbonden of zich op een opschortingsrecht heeft beroepen op grond van een tekortkoming van de vrouw in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, gesteld al dat de handelwijze van de vrouw (het eenzijdig indienen van een verzoek tot echtscheiding met het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie) een tekortkoming zou opleveren. Het hof baseert zijn oordeel voorts daarop dat noch de bewoordingen van de overeenkomst noch hetgeen partijen over de totstandkoming van de overeenkomst hebben verklaard, aanknopingspunten bieden voor de juistheid van de door de vrouw weersproken stelling van de man dat aan de overeenkomst de voorwaarden zijn verbonden dat partijen samen een verzoekschrift tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw geen aanspraak zou maken op alimentatie.
12. Onderdeel 2.1 strekt ten betoge dat in dit geding vaststaat dat de overeenkomst is gesloten onder de voorwaarden dat partijen een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend en dat de vrouw geen aanspraak maakt op partneralimentatie. Kennelijk wil het onderdeel daarmee betogen dat gelet op de verklaringen van partijen als weergegeven door het hof in de door het middelonderdeel genoemde overwegingen, vaststaat dat de overeenkomst is gesloten onder genoemde voorwaarden. Het onderdeel bestrijdt daarmee het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat de vrouw heeft betwist dat deze voorwaarden aan de overeenkomst zijn verbonden. Het komt aldus op tegen de aan het hof voorbehouden uitleg van de stellingen van partijen, welke uitleg slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
Anders dan het middelonderdeel betoogt, volgt uit de vaststellingen van het hof in rov. 5.2 (eerste t/m zevende volzin), 5.3 (eerste en tweede volzin) en 5.6 (laatste volzin) niet dat niet anders kan worden geconcludeerd (zodat het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is) dan dat in dit geding vaststaat dat de overeenkomst van 28 juli 2009 door partijen is gesloten onder de voorwaarden dat partijen een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend en dat de vrouw in het kader van de echtscheiding geen aanspraak op partneralimentatie maakt. Ik licht dit toe.
In rov. 5.2 heeft het hof vastgesteld dat de man heeft verklaard, een verklaring die de vrouw heeft bevestigd, dat hij tegen de vrouw heeft gezegd dat zij de woning krijgt (plus de bankrekening) en dat ervoor is gekozen de huwelijkse voorwaarden te wijzigen om te voorkomen dat de vrouw overdrachtsbelasting zou moeten betalen. Daaruit volgt bepaald niet dat het hof niet anders kon dan oordelen dat tussen partijen daarmee vaststaat dat de overeenkomst is gesloten onder de voorwaarde dat een verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden wordt ingediend, hetgeen zou meebrengen dat de man niet meer is gehouden aan de vrouw de woning te doen toekomen ingeval partijen niet ertoe overgaan (ertoe kunnen komen) de huwelijkse voorwaarden te wijzigen. Integendeel, uit de verklaringen van partijen kon het hof afleiden dat het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden naar de bedoeling van partijen slechts tot doel had te voorkomen dat overdrachtsbelasting verschuldigd zou worden.
In rov. 5.2 heeft het hof voorts vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst behelsde dat zij gezamenlijk een verzoek tot echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij niet verwachtte dat de man na uitvoering van de overeenkomst zou bijdragen in haar levensonderhoud. In rov. 5.3 heeft het hof vastgesteld dat de vrouw in weerwil van de afspraak een eenzijdig verzoek tot echtscheiding heeft ingediend en daarbij heeft verzocht om partneralimentatie. In rov. 5.6 heeft het hof vastgesteld dat de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat haar verzoek om partneralimentatie als een subsidiair verzoek moet worden gezien dat pas aan de orde komt indien de man niet verplicht zou zijn de overeenkomst van 29 juli 2009 na te komen.
Deze vaststellingen dwongen niet tot de conclusie dat de vrouw, in tegenstelling tot wat het hof heeft aangenomen, heeft gesteld dat de overeenkomst onder voorwaarden is aangegaan. Integendeel, uit p. 6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling waarin de door het hof weergegeven en door het middel genoemde verklaringen van de vrouw zijn opgenomen, blijkt dat de vrouw expliciet heeft betwist dat er voorwaarden aan de overeenkomst van 28 juli 2009 verbonden zijn. De vrouw heeft gesteld dat zij, nu de huwelijkse voorwaarden niet werden gewijzigd, in de positie kwam dat zij wel een verzoek tot vaststellen van partneralimentatie moest indienen, dat het duidelijker was geweest een en ander primair dan wel subsidiair te verzoeken en dat zij wel alimentatie moest vragen omdat de afgesproken € 1.000,- per maand uit het bedrijf van de man niet werd betaald.
13. Onderdeel 2.2 betoogt dat het hof buiten de grenzen van het ‘rechtsdebat in appel’ is getreden met zijn overweging in rov. 5.4 (tweede volzin, in combinatie met de eerste volzin) dat de vrouw betwist dat aan de overeenkomst van partijen voorwaarden zijn verbonden, te weten dat partijen samen verzoekschriften tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw geen aanspraak zou maken op partneralimentatie. De vrouw heeft namelijk – aldus dit onderdeel – geen (kenbare) grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de voorwaardelijkheid van de overeenkomst in rov. 3.12 van de beschikking van 23 april 2013. Het hof had dan ook op grond van het beperkte rechtsdebat in appel moeten vaststellen dat de overeenkomst onder de genoemde voorwaarden is aangegaan en dat die voorwaarden niet in vervulling zijn gegaan, zodat partijen aan de afspraken niet gebonden zijn. Zo betoogt het onderdeel.
14. Dit onderdeel komt aldus op tegen de aan het hof voorbehouden en slechts op begrijpelijkheid te toetsen uitleg van grief I die betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek van de vrouw inzake de uitvoering door de man van de afspraken gemaakt in de overeenkomst van 28 juli 2009 en de levering van de woning aan haar.
Het onderdeel faalt. De vrouw komt met grief I van haar verzoekschrift in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.14 van de beschikking van 23 april 2013 dat de vrouw niet erin is geslaagd haar stelling te bewijzen dat tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen op grond waarvan de man verplicht is aan haar de woning in eigendom over te dragen. Deze grief bestrijdt niet expliciet rov. 3.12 van deze beschikking, die mede ten grondslag ligt aan de slotsom die de rechtbank bereikt in rov. 3.14 en waarin de rechtbank overweegt dat de vrouw het bestaan van de voorwaarde dat zij geen aanspraak zou maken op partneralimentatie niet gemotiveerd heeft betwist en dat het de rechtbank ook overigens aannemelijk voorkomt dat de vrouw geen aanspraak zou toekomen op partneralimentatie. Uit het betoog van de vrouw in de toelichting op grief I volgt evenwel dat zij onverkort betoogt dat haar primaire verzoeken moeten worden toegewezen en dat zij zich daarbij op het standpunt stelt dat de overeenkomst niet onder voorwaarden is aangegaan. In dat kader heeft de vrouw ook een verklaring gegeven voor het gegeven dat de uiteindelijke gang van zaken afwijkt van de in de overeenkomst opgenomen intenties van de partijen (verzoekschrift in hoger beroep, nrs. 7-9). Zij heeft betoogd dat de afwijkende gang van zaken, namelijk dat de vrouw in haar echtscheidingsverzoek om een aanvullende partneralimentatie verzoekt, geen verandering brengt in de geldigheid van de overeenkomst van 28 juli 2009 (verzoekschrift in hoger beroep, nr. 10).
De man heeft de grief eveneens zo opgevat dat deze ziet op de toewijzing van de primaire verzoeken, en hij heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat er weliswaar een overeenkomst bestaat, maar dat deze overeenkomst onder voorwaarden is gesteld, zodat het primaire verzoek niet toegewezen kan worden (verweerschrift in hoger beroep, nr. 1, in combinatie met het slot van het verweerschrift).
Dat het hof grief I aldus heeft uitgelegd dat daarmee aan de orde werd gesteld of de primaire verzoeken van de vrouw toewijsbaar waren en – in verband daarmee – of de overeenkomst van 28 juli 2009 onder voorwaarden was aangegaan of niet, is niet onbegrijpelijk. De conclusie moet derhalve zijn dat het hof in zijn beoordeling niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
15. Onderdeel 2.3 bevat een voortbouwende klacht en deelt daarmee het lot van de voorgaande onderdelen.
Onderdeel 2.4 t/m 2.7; resterende klachten
16. Onderdeel 2.4 komt op tegen rov. 5.1 (tweede volzin), rov. 5.3 (derde en vierde volzin), en – met name – rov. 5.4 (vijfde volzin). Het hof oordeelt in deze rechtsoverwegingen dat de omstandigheid dat partijen als onderdeel van hun overeenkomst afspraken dat zij samen de bedoelde verzoekschriften zouden indienen en dat de vrouw geen partneralimentatie zou vragen, nog niet betekent dat partijen ook zijn overeengekomen dat de overeenkomst bij niet vervulling van deze onderdelen zou zijn ontbonden.
Het onderdeel klaagt dat voor zover het hof met dit oordeel tot uitgangspunt heeft genomen dat in deze zaak de vraag voorligt of de overeenkomst onder
ontbindende voorwaardenis aangegaan, het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden. Het onderdeel voert daartoe aan dat immers de vrouw, zoals in onderdeel 2.2 aangegeven, geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.12 dat de overeenkomst in haar geheel niet in werking is getreden omdat aan de desbetreffende voorwaarde niet is voldaan, hetgeen impliceert dat niet is gesteld dat de overeenkomst onder ontbindende voorwaarde is aangegaan.
17. Dit onderdeel 2.4 moet falen omdat het voortbouwt op onderdeel 2.2, dat faalt op de hiervoor aangegeven gronden.
18. Onderdeel 2.5 komt op tegen de laatste twee volzinnen (de zesde en zevende volzin) van rov. 5.4, waarin het hof overweegt dat de man overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de overeenkomst van partijen is aangegaan onder de door hem genoemde voorwaarden en dat het hof dan ook geen aanleiding ziet de man tot het bewijs van zijn stelling toe te laten.
Het gaat hier, aldus het onderdeel, om voorwaarden in de overeenkomst die naar analogie met de opschortende voorwaarden dienen te worden behandeld. Voor die gevallen heeft de Hoge Raad – aldus het onderdeel – geoordeeld dat de schuldeiser de bewijslast heeft indien de schuldenaar zich op de desbetreffende voorwaarde beroept. Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser. De bewijslast ligt daarom in het onderhavige geval op de vrouw, en niet op de man. De vrouw moet immers stellen en bewijzen dat de woning aan haar moet worden geleverd, ondanks het bestaan van de opschortende voorwaarden waarop de man zich beroept. Zo betoogt het onderdeel. 19. Dit onderdeel moet naar mijn oordeel reeds falen omdat het hof heeft geoordeeld dat de bewoordingen van de overeenkomst noch hetgeen partijen over de totstandkoming van die overeenkomst hebben verklaard, aanknopingspunten biedt voor de juistheid van de stelling van de man dat aan de overeenkomst voorwaarden zijn verbonden, zodat reeds om die reden moet worden aangenomen dat de overeenkomst niet voorwaardelijk was, en dat oordeel door het middelonderdeel op zichzelf niet wordt bestreden.
20. Onderdeel 2.6 komt op tegen rov. 5.7 (eerste en tweede volzin), waarin het hof overweegt dat gelet op hetgeen daarvoor is overwogen, het hof van oordeel is dat partijen nog steeds gebonden zijn aan de overeenkomst van 28 juli 2009 en dat gelet op hetgeen in rov. 5.2 is overwogen, de strekking van die overeenkomst is dat de man verplicht is de eigendom van de woning te doen overgaan op de vrouw.
Het onderdeel betoogt dat laatstgenoemde overweging niet concludent is nu uit rov. 5.2 juist de onvermijdelijke conclusie volgt dat de overeenkomst onder de daar genoemde voorwaarden was aangegaan, aan welke voorwaarden blijkens rov. 5.3 niet is voldaan. Het onderdeel verwijst daarbij naar onderdeel 2.1. Het onderdeel betoogt dat deze klacht ook de rov. 5.5 t/m 5.7 raken waar het hof op de hier gewraakte overweging voortbouwt.
21. Het onderdeel bouwt voort op hetgeen in onderdeel 2.1 is aangevoerd, en moet daarom op de daar aangegeven gronden falen.
Onderdeel 2.8; subsidiaire klacht
22. Onderdeel 2.8 bevat een subsidiaire klacht die wordt aangevoerd voor het geval dat de voorgaande klachten niet opgaan. Nu de klachten uit voorgaande onderdelen falen, moet ook dit onderdeel worden beoordeeld.
Het onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof in de eerste en tweede volzin van rov. 5.6 dat, kort gezegd, de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw niet langer uitging van de gelding van de overeenkomst van 28 juli 2009 en dat, kort gezegd, de man geen uitdrukkelijke verklaringen van de vrouw in die zin stelt en dat daarvan ook niet uit de processtukken blijkt. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen in de inleiding van het verzoekschrift tot cassatie en in onderdeel 2.2 naar voren is gebracht, te weten dat de vrouw uitdrukkelijk heeft bevestigd dat partijen waren overeengekomen dat zij een gemeenschappelijk verzoek tot wijziging huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding zouden indienen en dat zij geen aanspraak zou maken op alimentatie, dat partijen niet tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden zijn overgegaan, dat de vrouw in weerwil van de afspraken een eenzijdig echtscheidingsverzoek heeft ingediend en partneralimentatie heeft verzocht en voorts dat het rechtsdebat door de vrouw in appel dusdanig is gefixeerd dat de voorwaardelijkheid van de overeenkomst als zodanig daaronder niet meer viel. Dit geldt, aldus het middel, eens te meer nu de vrouw op geen enkele wijze heeft laten blijken dat haar verzoek om partneralimentatie subsidiair is gedaan. Dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat dat verzoek als subsidiair moet worden aangemerkt, is niet ter zake doende.
23. De klachten van onderdeel 2.8 moeten falen. Zij bouwen grotendeels voort op hetgeen in de onderdelen 2.2 en 2.1 wordt betoogd en delen derhalve het lot daarvan. Ik voeg hier nog het volgende aan toe.
Het hof heeft geoordeeld dat niet sprake is van een voorwaardelijke overeenkomst (rov. 5.4) en dat de vrouw weliswaar heeft gehandeld in weerwil van genoemde afspraken, maar dat dit nog niet afdoet aan de geldigheid van de overeenkomst en de verplichting van de man om mee te werken aan de uitvoering daarvan (rov. 5.3). In rov. 5.5 en 5.6 heeft het hof geoordeeld dat de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw niet langer uitging van de gelding van de overeenkomst van 28 juli 2009. In onderdeel 2.8 wordt in essentie aangevoerd dat de man wel erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst van 28 juli 2009 niet meer gold nu de vrouw in weerwil heeft gehandeld van de voorwaarden die de overeenkomst volgens de man zou bevatten. Dat betoog faalt reeds omdat de klachten tegen het oordeel van het hof dat niet sprake was van een voorwaardelijke overeenkomst en de klachten over de fixatie van het debat in appel, falen zoals bij de bespreking van de voorgaande middelonderdelen is gebleken.
Het hof, dat oordeelde dat niet sprake is van een voorwaardelijke overeenkomst, heeft geoordeeld dat de man uit het verdere stilzitten van de vrouw (toen geen van beide partijen het initiatief nam om het vermogensoverzicht dat was vereist voor de wijziging van de huwelijkse voorwaarden alsnog te completeren), niet mocht concluderen dat de overeenkomst in het geheel niet meer gold. Het hof heeft voorts overwogen dat ook de indiening van het eenzijdig verzoek tot echtscheiding en het verzoek om een bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw onvoldoende zijn om dit vertrouwen te wekken nu de vrouw in haar verzoekschrift uitdrukkelijk verzoekt een nevenvoorziening te treffen die nu juist de nakoming van de overeenkomst van 28 juli 2009 betreft. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 2.9; veegklacht
24. Onderdeel 2.9 bevat opnieuw een voortbouwende klacht, die daarom ook moet falen.