ECLI:NL:PHR:2015:183

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2015
Publicatiedatum
16 maart 2015
Zaaknummer
14/02669
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 1 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 6:262 BWArt. 6:263 BWArt. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid overeenkomst tot overdracht woning bij echtscheiding ondanks niet-nakoming voorwaarden

In deze zaak gaat het om de juridische afwikkeling van een echtscheiding tussen partijen die gehuwd waren onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen. Partijen hadden op 28 juli 2009 een onderhandse akte gesloten waarin afspraken waren gemaakt over de verdeling van de woning en andere vermogensbestanddelen. De man was eigenaar van de woning en zou deze aan de vrouw overdragen. Tevens zouden zij gezamenlijk verzoeken indienen tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding.

De vrouw diende echter een eenzijdig verzoek tot echtscheiding in en verzocht partneralimentatie, wat in strijd was met de gemaakte afspraken. De man stelde dat de overeenkomst voorwaardelijk was en dat de niet-nakoming van de voorwaarden betekende dat hij niet gebonden was aan de overdracht van de woning. De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af, maar het hof stelde haar in het gelijk en veroordeelde de man tot levering van de woning.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de overeenkomst niet voorwaardelijk was en dat partijen nog steeds gebonden zijn aan de afspraken. Het hof oordeelde dat de niet-nakoming van de voorwaarden niet tot ontbinding van de overeenkomst leidde en dat de man niet mocht vertrouwen dat de vrouw de overeenkomst niet langer als geldig beschouwde. Het cassatieberoep van de man wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de overeenkomst tot overdracht van de woning niet voorwaardelijk is en dat de man gehouden is de woning aan de vrouw over te dragen.

Conclusie

14/02669
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Zitting 6 maart 2015
Conclusie inzake
[de man]
tegen
[de vrouw]

Inleiding

1. In dit geding, waarin tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken, gaat het in cassatie om de afspraken die partijen, die waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden houdende uitsluiting van iedere gemeenschap, hebben gemaakt over de vermogensrechtelijke gevolgen van hun huwelijk en die zij hebben vastgelegd in een op 28 juli 2009 ondertekende onderhandse akte. Die akte houdt onder meer in dat partijen de huwelijkse voorwaarden “ontbinden” en dat aan de vrouw de (echtelijke) woning met een waarde van ongeveer € 500.000,- wordt toebedeeld. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst verder behelsde dat zij een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding zouden indienen. Partijen zijn niet overgegaan tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft in het onderhavige geding een eenzijdig verzoek tot echtscheiding ingediend en heeft verzocht partneralimentatie vast te stellen, welke verzoeken zijn toegewezen. De vrouw heeft voorts verzocht de man te veroordelen om de woning aan haar in eigendom over te dragen, stellende dat de man daartoe is verplicht op grond van de overeenkomst van 28 juli 2009. De man heeft verweer gevoerd, stellende dat aan de uitvoering van de gemaakte afspraken de voorwaarde was verbonden niet alleen dat partijen gezamenlijk een verzoekschrift tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een verzoekschrift tot echtscheiding zouden indienen maar ook de voorwaarde dat de vrouw geen aanspraak zou maken op partneralimentatie.
De rechtbank heeft de man in het gelijk gesteld en het verzoek van de vrouw om de man tot levering te veroordelen, afgewezen. Het hof heeft dat verzoek evenwel toegewezen. Daartegen richt zich het middel met klachten over ’s hofs oordeel dat de overeenkomst niet voorwaardelijk was en over overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd in appel.
2. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in zijn beschikking van 20 februari 2014 (rov. 3.1 t/m 3.3) heeft weergegeven:
i) Partijen zijn op 1 oktober 1983 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden houdende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.
ii) In juli 2009 zijn partijen feitelijk uiteen gegaan. De man heeft de echtelijke woning aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna ook: de woning) verlaten. De vrouw is samen met een zoon van partijen, [betrokkene], in de woning blijven wonen. De woning is eigendom van de man. Op de woning rust geen recht van hypotheek.
iii) Partijen hebben afspraken gemaakt over de vermogensrechtelijke gevolgen van de beëindiging van hun huwelijk die zij hebben vastgelegd in een onderhandse akte die zij op 28 juli 2009 in het bijzijn van mr. P.M.M. Bisschop, notaris te Beneden-Leeuwen (hierna ook: de notaris) hebben ondertekend. In deze akte hebben zij het volgende bepaald:
“Hierbij verklaren, ondergetekenden, [de man], geboren [...]-[...]-1959 en [de vrouw], geboren [...]-[...]-1955 te [geboorteplaats], in gezamenlijk overleg over te gaan tot ontbinding van het huwelijk, gesloten 01-10-1983.
In gezamenlijk overleg wordt na ontbinding van de akte onder huwelijkse voorwaarden, het ontroerend (lees: onroerend; plv. P-G) goed, zijnde [a-straat 1], [...] te [plaats], vrij van schulden alsmede de inboedel, behoudens de in gezamenlijk overleg bepaalde items, toebedeeld aan [de vrouw].
Tevens de gezamelijke (lees: gezamenlijke; plv. P-G) bankrekening, [0001], met de daarop aanwezige gelden, alsmede de daaraan gekoppelde spaarrekening, wordt toebedeeld aan naar [de vrouw].
[de vrouw] blijft in dienst van Reisbureau [A] voor de duur van 24 maanden af 01-07-2009 en ontvangt hiervoor een netto salaris van € 1000,= per maand, met behoud van de auto, zijnde Suzuki SX4.
[de vrouw] levert eventueel inspanningen om het onroerend goed te verkopen, lukt dit binnen de afgesproken 24 maanden, dan stopt het werkverband.
De pensioengelden, aandelenportefeuilles, aandelen Frabo, grond [b-straat] en alle niet bovengenoemde zaken, wordt toebedeeld aan [de man] en derhalve ziet [de vrouw] ook af van eventuele vordering nu en/of in de toekomst.”
3. De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen de rechtbank Arnhem verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij verzocht voorts – onder meer en voor zover in cassatie nog van belang – de man te veroordelen tot een bijdrage in haar levensonderhoud en zij heeft verder na wijziging/aanvulling van haar verzoek verzocht de man te veroordelen mee te werken aan de uitvoering van de afspraken zoals die blijken uit de overeenkomst van 28 juli 2009 en aan de juridische levering van de woning aan haar. In dat verband verzocht zij te bepalen dat de te wijzen beschikking op grond van art. 3:300 BW Pro in de plaats treedt van de transportakte, en dat in het geval overdrachtsbelasting wordt geheven, deze ten laste van de man zal komen. De vrouw heeft na de hierna te noemen beschikking van de rechtbank van 20 april 2011 haar verzoek nog aangevuld met het verzoek dat de rechtbank zal vaststellen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding conform hetgeen is opgenomen in de overeenkomst van 28 juli 2009. Voorts verzocht zij subsidiair te bepalen dat de man aan haar voldoet een bedrag van € 64.336,16 (nog te vermeerderen met pro memorie posten).
De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld – kort samengevat – dat hij niet is gebonden aan de overeenkomst van 28 juli 2009, aangezien deze door het niet wijzigen van de huwelijkse voorwaarden niet in werking is getreden en hij bovendien niet aan de overeenkomst is gebonden nu de daarin gemaakte afspraken inhouden dat afgezien zou worden van huidige en toekomstige vorderingen, dus ook van alimentatievorderingen. De man heeft voorts de rechtbank verzocht partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen voor zover aanwezig, met benoeming van een notaris als onzijdig persoon.
4. De rechtbank Arnhem heeft bij beschikking van 20 april 2011 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man aan de vrouw voor haar levensonderhoud € 1.625,- per maand zal betalen. Zij heeft iedere verdere beslissing met betrekking tot de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de daaraan verknochte overige verzoeken van de vrouw aangehouden. Bij beschikking van 1 maart 2012 heeft de rechtbank de vrouw toegelaten tot het leveren van het bewijs van haar stelling dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan de man verplicht is de echtelijke woning aan haar in eigendom over te dragen.
Bij beschikking van 23 april 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, de verzoeken van de vrouw afgewezen. Zij achtte de vrouw niet geslaagd in het leveren van bewijs van haar stelling.
5. De vrouw is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 april 2013. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Op 16 januari 2014 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat door de griffier van het hof bij brief van 30 juni 2014 aan de griffie van uw Raad is toegestuurd.
6. Bij beschikking van 20 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1272, EB 2014/55) heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 23 april 2013 vernietigd. Het hof stelt vast dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding conform hetgeen is opgenomen in de overeenkomst van 28 juli 2009. Het hof veroordeelt de man om binnen twee maanden na dagtekening van deze beschikking zijn volledige medewerking te verlenen aan uitvoering van de tussen partijen gemaakte afspraken in de overeenkomst van 28 juli 2009 door zijn medewerking te verlenen aan de juridische levering van de (echtelijke) woning, vrij van hypotheken en (door anderen dan de vrouw gelegde) beslagen, op straffe van een dwangsom. Het hof bepaalt voorts dat deze beschikking op grond van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de akte van levering van de woning. Het hof verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.
Het hof overwoog daartoe – kort samengevat en voor zover in cassatie van belang – als volgt.
Dit geschil betreft de afwijzing door de rechtbank van de verzoeken van de vrouw. Grief I betreft het primaire verzoek inzake de uitvoering door de man van de afspraken die partijen hebben gemaakt in de overeenkomst van 28 juli 2009 en de levering van de woning aan de vrouw. (rov. 4.1)
Tussen partijen is niet in geschil is dat zij de overeenkomst zijn aangegaan die is vastgelegd in de onderhandse akte van 28 juli 2009. Uitgangspunt is dan ook dat zij jegens elkaar gehouden zijn deze overeenkomst uit te voeren en dat de primaire verzoeken van de vrouw toegewezen kunnen worden, tenzij komt vast te staan dat partijen, op welke grond ook, niet meer gebonden zouden zijn aan de overeenkomst. (rov. 5.1)
De man heeft tegen de vrouw gezegd dat zij (onder meer) de woning krijgt. Ter voorkoming van overdrachtsbelasting bij de verkrijging van de woning is op advies van de notaris ervoor gekozen de huwelijkse voorwaarden te wijzigen en de woning vervolgens vrij van overdrachtsbelasting toe te delen aan de vrouw. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst verder behelsde dat zij een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding zouden indienen. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij niet verwachtte dat de man na uitvoering van de overeenkomst nog zou bijdragen aan haar levensonderhoud. (rov. 5.2)
Vaststaat dat partijen, anders dan was overeengekomen, niet zijn overgegaan tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft vervolgens in weerwil van de afspraak van partijen een eenzijdig verzoek tot echtscheiding ingediend en daarbij verzocht om een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Indien daarin al tekortkomingen van de vrouw in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst zijn gelegen, doet dat niet af aan de geldigheid van deze overeenkomst en de verplichting van de man mee te werken aan de uitvoering daarvan. Gesteld nog gebleken is immers dat de man de overeenkomst van 28 juli 2009 vanwege deze tekortkomingen op grond van art. 6:265 BW Pro heeft ontbonden of de op hem rustende verplichtingen heeft opgeschort op grond van art. 6:262 en Pro 6:263 BW. (rov. 5.3)
De man stelt in zijn verweerschrift in hoger beroep dat aan de overeenkomst van partijen voorwaarden zijn verbonden, te weten dat partijen samen verzoekschriften tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en de echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw geen aanspraak zou maken op partneralimentatie. De vrouw betwist dat. Het hof is van oordeel dat noch de bewoordingen van de overeenkomst van partijen noch hetgeen partijen over de totstandkoming van die overeenkomst hebben verklaard aanknopingspunten bieden voor de juistheid van de stelling van de man. Daaruit volgt evenmin dat de man redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de overeenkomst voorwaardelijk was. Dat partijen als onderdeel van hun overeenkomst afspraken dat zij samen de bedoelde verzoekschriften zouden indienen en dat de vrouw geen partneralimentatie zou vragen betekent immers nog niet dat partijen ook zijn overeengekomen dat de overeenkomst bij niet vervulling van deze onderdelen zou zijn ontbonden. De man heeft overigens geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de overeenkomst van partijen is aangegaan onder de door hem genoemde voorwaarden. Het hof ziet dan ook geen aanleiding hem tot bewijs van zijn stelling toe te laten. (rov. 5.4)
Het hof is van oordeel dat hetgeen de man aanvoert op zich noch in samenhang voldoende is om te rechtvaardigen dat hij erop mocht vertrouwen dat de vrouw niet langer uitging van de gelding van de overeenkomst van 28 juli 2009. Dat geldt zowel voor de omstandigheid dat geen deugdelijke vermogensoverzichten aan de notaris zijn overgelegd (die noodzakelijk waren om te komen tot een wijziging van de huwelijkse voorwaarden) als voor de omstandigheid dat partijen met elkaar in onderhandeling zijn geweest over een van de overeenkomst van 28 juli 2009 afwijkende regeling. Ook de indiening van het eenzijdig verzoek tot echtscheiding en het verzoek om een bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw zijn onvoldoende om dit vertrouwen te wekken, nu de vrouw in haar verzoekschrift uitdrukkelijk verzoekt een nevenvoorziening te treffen die nu juist de nakoming van de overeenkomst van 28 juli 2009 betreft. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat dit verzoek om partneralimentatie als een subsidiair verzoek moet worden gezien, dat pas aan de orde komt indien de man niet verplicht zou zijn de overeenkomst van 28 juli 2009 na te komen. (rov. 5.5-5.6)
Partijen zijn gelet op het vooroverwogene nog steeds gebonden aan de overeenkomst van 28 juli 2009. De strekking van die overeenkomst is dat de man verplicht is de eigendom van de woning te doen overgaan op de vrouw. Wijziging van de huwelijkse voorwaarden is niet langer mogelijk. De man blijft nog wel gehouden de woning aan de vrouw te leveren. De overdrachtsbelasting komt voor rekening van de vrouw. Tegen het verzoek te bepalen dat de beschikking op grond van art. 3:300 lid 2 BW Pro (in het verzoekschrift is kennelijk per abuis art. 3:300 lid 1 BW Pro genoemd) in de plaats van de akte van levering van de woning treedt, is geen verweer gevoerd. Ook dat verzoek zal worden toegewezen. (rov. 5.7)
7. De man heeft (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. Hij heeft zich in zijn cassatieverzoekschrift het recht voorbehouden zijn cassatiemiddel aan te vullen voor zover het proces-verbaal waarover hij vóór het verstrijken van de cassatietermijn nog niet de beschikking had, daartoe aanleiding geeft. De man heeft na ontvangst van het proces-verbaal bericht dat het proces-verbaal geen aanleiding is het verzoek aan te vullen.
De vrouw heeft aangegeven af te zien van indiening van een verweerschrift in cassatie.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

8. Het cassatieberoep in ingesteld bij verzoekschrift van 20 mei 2014. Het richt zich tegen de uitspraak van het hof waarin is bepaald dat zij in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Het cassatieberoep is binnen acht dagen na het instellen daarvan, te weten op 21 mei 2014, ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, zoals op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven door art. 3:301 lid 2 BW Pro. Dat blijkt uit het door de man ingediende afschrift van de bevestiging van deze inschrijving door de griffier van het hof. De man is dus ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

Het cassatiemiddel

9. Het cassatiemiddel bestaat uit een aantal onderdelen. Onderdeel 1 bevat een inleiding. Onderdeel 2 vangt eveneens aan met een inleiding. De “hoofdklachten” zijn vervolgens onder 2.1 t/m 2.3 weergegeven. De “resterende klachten” zijn opgenomen onder 2.4 t/m 2.7. Onder 2.8 is een “subsidiaire klacht” verwoord en onder 2.9 een “veegklacht algemeen”.
De onderdelen 2.1 t/m 2.3; onbegrijpelijke uitleg stellingen partijen en overschrijding grenzen rechtsstrijd in appel
10. Onderdeel 2.1 betoogt dat uit de vaststellingen van het hof in rov. 5.2 (eerste t/m zevende volzin), 5.3 (eerste en tweede volzin) en 5.6 (laatste volzin) geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat in dit geding vaststaat dat de overeenkomst van 28 juli 2009 door partijen is gesloten onder de voorwaarden dat (i) partijen een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden hebben ingediend, (ii) zij een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend, en (iii) de vrouw in het kader van de echtscheiding geen aanspraak op partneralimentatie maakt. Nu voorts vaststaat dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, is onbegrijpelijk – aldus het onderdeel – het oordeel van het hof in rov. 5.1, 5.3 en 5.4 dat de gebondenheid van partijen aan de afspraken als uitgangspunt geldt en dat de overeenkomst niet onder genoemde voorwaarden is aangegaan. Ook is onbegrijpelijk – zo betoogt het onderdeel – het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat de vrouw heeft betwist dat genoemde voorwaarden aan de overeenkomst van partijen zijn verbonden, nu dit oordeel in strijd is met de vaststelling van het hof in rov. 5.2 dat de vrouw uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de huwelijkse voorwaarden zouden worden gewijzigd, dat zij verder een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding zouden indienen en dat zij niet verwachtte dat de man na uitvoering van de overeenkomst nog zou bijdragen in haar levensonderhoud, alsmede met de vaststelling aan het slot van rov. 5.6 dat de vrouw ter zitting heeft verklaard dat haar alimentatieverzoek als subsidiair moet worden gezien.
11. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat uit de door het onderdeel bedoelde vaststellingen in de rov. 5.2, 5.3 en 5.6 moet worden afgeleid dat partijen een bepaalde wijze van uitvoering voor ogen heeft gestaan inzake de overeenkomst die zij met betrekking tot de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindiging van hun huwelijk hebben gesloten, in afwijking van hetgeen daarover is bepaald in de huwelijkse voorwaarden, zoals partijen in beginsel ook vrijstond. (De rechtbank verwees in dit verband in haar beschikking van 1 maart 2012 naar HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, NJ 2004/399.)
Dat het niet ervan is gekomen uitvoering te geven aan de overeenkomst op de wijze die partijen voor ogen stond, te weten door indiening van een gemeenschappelijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding waarbij de vrouw zou afzien van een verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat partijen niet meer gebonden zouden zijn aan deze overeenkomst. Het hof baseert zijn oordeel daarop dat immers is gesteld noch gebleken is dat de man de overeenkomst heeft ontbonden of zich op een opschortingsrecht heeft beroepen op grond van een tekortkoming van de vrouw in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, gesteld al dat de handelwijze van de vrouw (het eenzijdig indienen van een verzoek tot echtscheiding met het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie) een tekortkoming zou opleveren. Het hof baseert zijn oordeel voorts daarop dat noch de bewoordingen van de overeenkomst noch hetgeen partijen over de totstandkoming van de overeenkomst hebben verklaard, aanknopingspunten bieden voor de juistheid van de door de vrouw weersproken stelling van de man dat aan de overeenkomst de voorwaarden zijn verbonden dat partijen samen een verzoekschrift tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw geen aanspraak zou maken op alimentatie.
12. Onderdeel 2.1 strekt ten betoge dat in dit geding vaststaat dat de overeenkomst is gesloten onder de voorwaarden dat partijen een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend en dat de vrouw geen aanspraak maakt op partneralimentatie. Kennelijk wil het onderdeel daarmee betogen dat gelet op de verklaringen van partijen als weergegeven door het hof in de door het middelonderdeel genoemde overwegingen, vaststaat dat de overeenkomst is gesloten onder genoemde voorwaarden. Het onderdeel bestrijdt daarmee het oordeel van het hof in rov. 5.4 dat de vrouw heeft betwist dat deze voorwaarden aan de overeenkomst zijn verbonden. Het komt aldus op tegen de aan het hof voorbehouden uitleg van de stellingen van partijen, welke uitleg slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
Anders dan het middelonderdeel betoogt, volgt uit de vaststellingen van het hof in rov. 5.2 (eerste t/m zevende volzin), 5.3 (eerste en tweede volzin) en 5.6 (laatste volzin) niet dat niet anders kan worden geconcludeerd (zodat het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk is) dan dat in dit geding vaststaat dat de overeenkomst van 28 juli 2009 door partijen is gesloten onder de voorwaarden dat partijen een gezamenlijk verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding hebben ingediend en dat de vrouw in het kader van de echtscheiding geen aanspraak op partneralimentatie maakt. Ik licht dit toe.
In rov. 5.2 heeft het hof vastgesteld dat de man heeft verklaard, een verklaring die de vrouw heeft bevestigd, dat hij tegen de vrouw heeft gezegd dat zij de woning krijgt (plus de bankrekening) en dat ervoor is gekozen de huwelijkse voorwaarden te wijzigen om te voorkomen dat de vrouw overdrachtsbelasting zou moeten betalen. Daaruit volgt bepaald niet dat het hof niet anders kon dan oordelen dat tussen partijen daarmee vaststaat dat de overeenkomst is gesloten onder de voorwaarde dat een verzoek tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden wordt ingediend, hetgeen zou meebrengen dat de man niet meer is gehouden aan de vrouw de woning te doen toekomen ingeval partijen niet ertoe overgaan (ertoe kunnen komen) de huwelijkse voorwaarden te wijzigen. Integendeel, uit de verklaringen van partijen kon het hof afleiden dat het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden naar de bedoeling van partijen slechts tot doel had te voorkomen dat overdrachtsbelasting verschuldigd zou worden.
In rov. 5.2 heeft het hof voorts vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst behelsde dat zij gezamenlijk een verzoek tot echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij niet verwachtte dat de man na uitvoering van de overeenkomst zou bijdragen in haar levensonderhoud. In rov. 5.3 heeft het hof vastgesteld dat de vrouw in weerwil van de afspraak een eenzijdig verzoek tot echtscheiding heeft ingediend en daarbij heeft verzocht om partneralimentatie. In rov. 5.6 heeft het hof vastgesteld dat de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat haar verzoek om partneralimentatie als een subsidiair verzoek moet worden gezien dat pas aan de orde komt indien de man niet verplicht zou zijn de overeenkomst van 29 juli 2009 na te komen.
Deze vaststellingen dwongen niet tot de conclusie dat de vrouw, in tegenstelling tot wat het hof heeft aangenomen, heeft gesteld dat de overeenkomst onder voorwaarden is aangegaan. Integendeel, uit p. 6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling waarin de door het hof weergegeven en door het middel genoemde verklaringen van de vrouw zijn opgenomen, blijkt dat de vrouw expliciet heeft betwist dat er voorwaarden aan de overeenkomst van 28 juli 2009 verbonden zijn. De vrouw heeft gesteld dat zij, nu de huwelijkse voorwaarden niet werden gewijzigd, in de positie kwam dat zij wel een verzoek tot vaststellen van partneralimentatie moest indienen, dat het duidelijker was geweest een en ander primair dan wel subsidiair te verzoeken en dat zij wel alimentatie moest vragen omdat de afgesproken € 1.000,- per maand uit het bedrijf van de man niet werd betaald.
13. Onderdeel 2.2 betoogt dat het hof buiten de grenzen van het ‘rechtsdebat in appel’ is getreden met zijn overweging in rov. 5.4 (tweede volzin, in combinatie met de eerste volzin) dat de vrouw betwist dat aan de overeenkomst van partijen voorwaarden zijn verbonden, te weten dat partijen samen verzoekschriften tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding zouden indienen en dat de vrouw geen aanspraak zou maken op partneralimentatie. De vrouw heeft namelijk – aldus dit onderdeel – geen (kenbare) grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de voorwaardelijkheid van de overeenkomst in rov. 3.12 van de beschikking van 23 april 2013. Het hof had dan ook op grond van het beperkte rechtsdebat in appel moeten vaststellen dat de overeenkomst onder de genoemde voorwaarden is aangegaan en dat die voorwaarden niet in vervulling zijn gegaan, zodat partijen aan de afspraken niet gebonden zijn. Zo betoogt het onderdeel.
14. Dit onderdeel komt aldus op tegen de aan het hof voorbehouden en slechts op begrijpelijkheid te toetsen uitleg van grief I die betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek van de vrouw inzake de uitvoering door de man van de afspraken gemaakt in de overeenkomst van 28 juli 2009 en de levering van de woning aan haar.
Het onderdeel faalt. De vrouw komt met grief I van haar verzoekschrift in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.14 van de beschikking van 23 april 2013 dat de vrouw niet erin is geslaagd haar stelling te bewijzen dat tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen op grond waarvan de man verplicht is aan haar de woning in eigendom over te dragen. Deze grief bestrijdt niet expliciet rov. 3.12 van deze beschikking, die mede ten grondslag ligt aan de slotsom die de rechtbank bereikt in rov. 3.14 en waarin de rechtbank overweegt dat de vrouw het bestaan van de voorwaarde dat zij geen aanspraak zou maken op partneralimentatie niet gemotiveerd heeft betwist en dat het de rechtbank ook overigens aannemelijk voorkomt dat de vrouw geen aanspraak zou toekomen op partneralimentatie. Uit het betoog van de vrouw in de toelichting op grief I volgt evenwel dat zij onverkort betoogt dat haar primaire verzoeken moeten worden toegewezen en dat zij zich daarbij op het standpunt stelt dat de overeenkomst niet onder voorwaarden is aangegaan. In dat kader heeft de vrouw ook een verklaring gegeven voor het gegeven dat de uiteindelijke gang van zaken afwijkt van de in de overeenkomst opgenomen intenties van de partijen (verzoekschrift in hoger beroep, nrs. 7-9). Zij heeft betoogd dat de afwijkende gang van zaken, namelijk dat de vrouw in haar echtscheidingsverzoek om een aanvullende partneralimentatie verzoekt, geen verandering brengt in de geldigheid van de overeenkomst van 28 juli 2009 (verzoekschrift in hoger beroep, nr. 10).
De man heeft de grief eveneens zo opgevat dat deze ziet op de toewijzing van de primaire verzoeken, en hij heeft zich daartegen verweerd met de stelling dat er weliswaar een overeenkomst bestaat, maar dat deze overeenkomst onder voorwaarden is gesteld, zodat het primaire verzoek niet toegewezen kan worden (verweerschrift in hoger beroep, nr. 1, in combinatie met het slot van het verweerschrift).
Dat het hof grief I aldus heeft uitgelegd dat daarmee aan de orde werd gesteld of de primaire verzoeken van de vrouw toewijsbaar waren en – in verband daarmee – of de overeenkomst van 28 juli 2009 onder voorwaarden was aangegaan of niet, is niet onbegrijpelijk. De conclusie moet derhalve zijn dat het hof in zijn beoordeling niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.
15. Onderdeel 2.3 bevat een voortbouwende klacht en deelt daarmee het lot van de voorgaande onderdelen.
Onderdeel 2.4 t/m 2.7; resterende klachten
16. Onderdeel 2.4 komt op tegen rov. 5.1 (tweede volzin), rov. 5.3 (derde en vierde volzin), en – met name – rov. 5.4 (vijfde volzin). Het hof oordeelt in deze rechtsoverwegingen dat de omstandigheid dat partijen als onderdeel van hun overeenkomst afspraken dat zij samen de bedoelde verzoekschriften zouden indienen en dat de vrouw geen partneralimentatie zou vragen, nog niet betekent dat partijen ook zijn overeengekomen dat de overeenkomst bij niet vervulling van deze onderdelen zou zijn ontbonden.
Het onderdeel klaagt dat voor zover het hof met dit oordeel tot uitgangspunt heeft genomen dat in deze zaak de vraag voorligt of de overeenkomst onder
ontbindende voorwaardenis aangegaan, het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden. Het onderdeel voert daartoe aan dat immers de vrouw, zoals in onderdeel 2.2 aangegeven, geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.12 dat de overeenkomst in haar geheel niet in werking is getreden omdat aan de desbetreffende voorwaarde niet is voldaan, hetgeen impliceert dat niet is gesteld dat de overeenkomst onder ontbindende voorwaarde is aangegaan.
17. Dit onderdeel 2.4 moet falen omdat het voortbouwt op onderdeel 2.2, dat faalt op de hiervoor aangegeven gronden.
18. Onderdeel 2.5 komt op tegen de laatste twee volzinnen (de zesde en zevende volzin) van rov. 5.4, waarin het hof overweegt dat de man overigens geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de overeenkomst van partijen is aangegaan onder de door hem genoemde voorwaarden en dat het hof dan ook geen aanleiding ziet de man tot het bewijs van zijn stelling toe te laten.
Het gaat hier, aldus het onderdeel, om voorwaarden in de overeenkomst die naar analogie met de opschortende voorwaarden dienen te worden behandeld. Voor die gevallen heeft de Hoge Raad – aldus het onderdeel – geoordeeld dat de schuldeiser de bewijslast heeft indien de schuldenaar zich op de desbetreffende voorwaarde beroept. Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt. W.D.H. Asser. De bewijslast ligt daarom in het onderhavige geval op de vrouw, en niet op de man. De vrouw moet immers stellen en bewijzen dat de woning aan haar moet worden geleverd, ondanks het bestaan van de opschortende voorwaarden waarop de man zich beroept. Zo betoogt het onderdeel.
19. Dit onderdeel moet naar mijn oordeel reeds falen omdat het hof heeft geoordeeld dat de bewoordingen van de overeenkomst noch hetgeen partijen over de totstandkoming van die overeenkomst hebben verklaard, aanknopingspunten biedt voor de juistheid van de stelling van de man dat aan de overeenkomst voorwaarden zijn verbonden, zodat reeds om die reden moet worden aangenomen dat de overeenkomst niet voorwaardelijk was, en dat oordeel door het middelonderdeel op zichzelf niet wordt bestreden.
20. Onderdeel 2.6 komt op tegen rov. 5.7 (eerste en tweede volzin), waarin het hof overweegt dat gelet op hetgeen daarvoor is overwogen, het hof van oordeel is dat partijen nog steeds gebonden zijn aan de overeenkomst van 28 juli 2009 en dat gelet op hetgeen in rov. 5.2 is overwogen, de strekking van die overeenkomst is dat de man verplicht is de eigendom van de woning te doen overgaan op de vrouw.
Het onderdeel betoogt dat laatstgenoemde overweging niet concludent is nu uit rov. 5.2 juist de onvermijdelijke conclusie volgt dat de overeenkomst onder de daar genoemde voorwaarden was aangegaan, aan welke voorwaarden blijkens rov. 5.3 niet is voldaan. Het onderdeel verwijst daarbij naar onderdeel 2.1. Het onderdeel betoogt dat deze klacht ook de rov. 5.5 t/m 5.7 raken waar het hof op de hier gewraakte overweging voortbouwt.
21. Het onderdeel bouwt voort op hetgeen in onderdeel 2.1 is aangevoerd, en moet daarom op de daar aangegeven gronden falen.
Onderdeel 2.8; subsidiaire klacht
22. Onderdeel 2.8 bevat een subsidiaire klacht die wordt aangevoerd voor het geval dat de voorgaande klachten niet opgaan. Nu de klachten uit voorgaande onderdelen falen, moet ook dit onderdeel worden beoordeeld.
Het onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof in de eerste en tweede volzin van rov. 5.6 dat, kort gezegd, de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw niet langer uitging van de gelding van de overeenkomst van 28 juli 2009 en dat, kort gezegd, de man geen uitdrukkelijke verklaringen van de vrouw in die zin stelt en dat daarvan ook niet uit de processtukken blijkt. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen in de inleiding van het verzoekschrift tot cassatie en in onderdeel 2.2 naar voren is gebracht, te weten dat de vrouw uitdrukkelijk heeft bevestigd dat partijen waren overeengekomen dat zij een gemeenschappelijk verzoek tot wijziging huwelijkse voorwaarden en tot echtscheiding zouden indienen en dat zij geen aanspraak zou maken op alimentatie, dat partijen niet tot wijziging van de huwelijkse voorwaarden zijn overgegaan, dat de vrouw in weerwil van de afspraken een eenzijdig echtscheidingsverzoek heeft ingediend en partneralimentatie heeft verzocht en voorts dat het rechtsdebat door de vrouw in appel dusdanig is gefixeerd dat de voorwaardelijkheid van de overeenkomst als zodanig daaronder niet meer viel. Dit geldt, aldus het middel, eens te meer nu de vrouw op geen enkele wijze heeft laten blijken dat haar verzoek om partneralimentatie subsidiair is gedaan. Dat de vrouw ter zitting heeft aangegeven dat dat verzoek als subsidiair moet worden aangemerkt, is niet ter zake doende.
23. De klachten van onderdeel 2.8 moeten falen. Zij bouwen grotendeels voort op hetgeen in de onderdelen 2.2 en 2.1 wordt betoogd en delen derhalve het lot daarvan. Ik voeg hier nog het volgende aan toe.
Het hof heeft geoordeeld dat niet sprake is van een voorwaardelijke overeenkomst (rov. 5.4) en dat de vrouw weliswaar heeft gehandeld in weerwil van genoemde afspraken, maar dat dit nog niet afdoet aan de geldigheid van de overeenkomst en de verplichting van de man om mee te werken aan de uitvoering daarvan (rov. 5.3). In rov. 5.5 en 5.6 heeft het hof geoordeeld dat de man niet erop mocht vertrouwen dat de vrouw niet langer uitging van de gelding van de overeenkomst van 28 juli 2009. In onderdeel 2.8 wordt in essentie aangevoerd dat de man wel erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst van 28 juli 2009 niet meer gold nu de vrouw in weerwil heeft gehandeld van de voorwaarden die de overeenkomst volgens de man zou bevatten. Dat betoog faalt reeds omdat de klachten tegen het oordeel van het hof dat niet sprake was van een voorwaardelijke overeenkomst en de klachten over de fixatie van het debat in appel, falen zoals bij de bespreking van de voorgaande middelonderdelen is gebleken.
Het hof, dat oordeelde dat niet sprake is van een voorwaardelijke overeenkomst, heeft geoordeeld dat de man uit het verdere stilzitten van de vrouw (toen geen van beide partijen het initiatief nam om het vermogensoverzicht dat was vereist voor de wijziging van de huwelijkse voorwaarden alsnog te completeren), niet mocht concluderen dat de overeenkomst in het geheel niet meer gold. Het hof heeft voorts overwogen dat ook de indiening van het eenzijdig verzoek tot echtscheiding en het verzoek om een bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw onvoldoende zijn om dit vertrouwen te wekken nu de vrouw in haar verzoekschrift uitdrukkelijk verzoekt een nevenvoorziening te treffen die nu juist de nakoming van de overeenkomst van 28 juli 2009 betreft. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 2.9; veegklacht
24. Onderdeel 2.9 bevat opnieuw een voortbouwende klacht, die daarom ook moet falen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden