Conclusie
[betrokkene 1]en
[betrokkene 2],
1.Feiten en procesverloop
in staat zal zijn (c.q. in staat zal blijven) om zijn schulden van de eenmanszaak alsook de schulden van [A] BV aan o.a. [betrokkene 1]( [betrokkene 1] , hof)
terug te betalen.
van de onderneming.
ge samenwerking te komen.
grieven II-VIIzijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat ABAB aansprakelijk is voor de fout van [betrokkene 6] inzake de “juridisch onmogelijke constructies.” De principale
grief VIIIis gericht tegen het oordeel dat [betrokkene 3] naar aanleiding van het gesprek in september 2004 gebrekkig heeft geadviseerd.
incidentele grieven VIII, X en XIIwordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat geen causaal verband bestaat tussen de onvolkomen advisering door [betrokkene 3] en de door [eisers] gestelde schade wegens onbetaalde facturen, zodat deze schade niet aan ABAB kan worden toegerekend.
onder A.beschreven situatie heeft het hof geconcludeerd – kort samengevat – dat geen aansprakelijkheid van ABAB bestaat, nu het handelen van [betrokkene 6] geen “fout” in de zin van art. 6:170 BW Pro oplevert en “voor [betrokkene 1] na de tijdens de bespreking door [betrokkene 6] en [betrokkene 7] gedane mededelingen geen, in ieder geval onvoldoende reden was voor vertrouwen in [betrokkene 4] als toekomstig debiteur en (…) de schade van [betrokkene 1] niet het gevolg [is] van die mededelingen, maar van de eigen bereidheid van [eisers] om op basis daarvan met de bedrijven van [betrokkene 4] zaken te (blijven) doen.” (rov. 4.5.6.6).
onder B.beschreven situatie heeft het hof ABAB wel aansprakelijk geoordeeld (rov. 4.5.7.1-4.5.7.7). Daartoe heeft het hof overwogen dat [betrokkene 3] , in reactie op het aan hem gedane verslag van de bespreking op of rondom 7 september 2007, [betrokkene 1] niet méér meedeelde dan dat men op een bij ABAB werkzame jurist moet kunnen vertrouwen, waar het betrof de tijdens die bespreking gedane mededelingen van [betrokkene 6] over de financiële toestand en de vooruitzichten van de bedrijven van [betrokkene 4] . Het handelen dat onder de omstandigheden van het geval van [betrokkene 3] kon worden gevergd – hetgeen het hof heeft geëxpliciteerd in rov. 4.5.7.2 – heeft hij nagelaten, zodat hij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig handelend adviseur accountancy/opdrachtnemer mocht worden verwacht. Dat levert jegens [eiseres 2] . en [eiseres 1] een toerekenbare tekortkoming op en jegens [eiseres 3] en [eiseres 4] een onrechtmatige daad, aangezien [betrokkene 3] zich er voor wat betreft laatstgenoemden van bewust moet zijn geweest dat zij belang hadden bij voldoende zekerheid dat hun via [eisers] lopende leveranties tijdig en geheel zouden worden betaald (rov. 4.5.7.2).
nietaan de bedrijven van [betrokkene 4] te leveren?; (ii) zou [betrokkene 1] vervolgens dat advies hebben opgevolgd? Over de beantwoording van beide vragen bestaat naar ’s hofs oordeel onzekerheid (rov. 4.5.7.4).
onder C.beschreven situatie is het hof uiteindelijk tot de bevinding gekomen dat niets gesteld of gebleken is waaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 6] op of na 21 oktober 2004 een zodanige fout heeft gemaakt dat ABAB daarvoor op grond van art. 6:170 BW Pro aansprakelijk kan worden gehouden (rov. 4.5.8.2-4.5.8.4).
2.Beoordeling van het principaal en incidenteel cassatieberoep
normschendingzijdens [betrokkene 3] reeds is gelegen in het feit dat hij jegens [betrokkene 1] tijdens het hiervoor genoemde telefoongesprek het vertrouwen heeft gewekt dat het alsnog uitleveren van de najaars- en wintercollectie aan de bedrijven van [betrokkene 4] verantwoord was en hij de door [betrokkene 6] geschetste rooskleurige financiële vooruitzichten van de bedrijven van [betrokkene 4] heeft gesauveerd,
zonder dat hij een en ander nader heeft onderzocht.” (cassatiedagvaarding, nr. 4, oorspronkelijke cursivering). Het middel wijst op vindplaatsen waar dit standpunt zou zijn uitgewerkt. [15]
precieze normschending van [betrokkene 3]. Daarin is geen betoog omtrent de [betrokkene 3] verweten normschending aan te treffen dat (in relevante mate) afwijkt van de door het hof aangenomen beroepsfout. Het hof kan dus niet verweten worden aan een betoog voorbij te zijn gegaan, dat niet (voldoende uitgewerkt) is aangedragen.
passiefhandelen hebben gezien (het niet verifiëren van [betrokkene 6] ’ informatie etc.), terwijl [eisers] zouden hebben betoogd dat de normschending door [betrokkene 3] in een
actiefhandelen (het wekken van vertrouwen dat leveranties aan [betrokkene 4] c.s. verantwoord waren) is gelegen.
preciezegedragingen te ontleden – nog daargelaten dat elk spoor van een onderscheid in actief of passief handelen ontbreekt. Het hof grondt de fout van [betrokkene 3] vervolgens op meerdere in rov. 4.5.7.2 gememoreerde omstandigheden, en uit zijn motivering blijkt dat de omstandigheden die in de cassatieklacht van [betrokkene 1] worden uitvergroot, geenszins aan het oog van het hof zijn ontsnapt. Zo overweegt het hof met zoveel woorden dat de reactie van [betrokkene 3] op het verslag van [betrokkene 1] – dat de door [betrokkene 6] aan [betrokkene 1] gegeven financiële informatie betrof – ten onrechte niet méér inhield dan dat men op [betrokkene 6] , als bij ABAB werkzame jurist, moet kunnen vertrouwen. Zo ook rov. 4.1.13, waarop het hof blijkens de eerste volzin van rov. 4.5.7.2 mede terugvalt: in het betreffende telefoongesprek heeft [betrokkene 3] zijn vertrouwen in [betrokkene 6] aan [betrokkene 1] doen blijken. [betrokkene 3] was daarin onkritisch op de door [betrokkene 6] gegeven informatie, had deze zelf moeten verifiëren, en had al het nodige moeten doen – aldus mijn parafrase – om [betrokkene 1] uiteindelijk een onderbouwd en deugdelijk advies te kunnen geven. Het doen én nalaten van verschillende handelingen levert in ’s hofs gedachtegang een fout van [betrokkene 3] op. De in de klacht genoemde omstandigheden – het lichtzinnig wekken van vertrouwen en niet-verifiëren van de informatie van [betrokkene 6] – zijn dan ook met zoveel woorden in ’s hofs oordeel verdisconteerd. De klacht faalt dus.
nietaan [betrokkene 4] zou zijn geleverd – nog daargelaten dat, zoals hiervoor bleek, het hof geen wezenlijk andere normschending heeft aangenomen dan [eisers] in hun eerste cassatiemiddel aandragen. In ’s hofs gedachtegang zou [betrokkene 3] zich dan hebben verstaan met [betrokkene 6] , en blijft onzeker of niet ook in dat scenario (uiteindelijk) een geruststellend advies had kunnen volgen (vgl. rov. 4.5.7.4). Tot een relevant verschillende benadering van het onzekere causaal verband – en tot een verschil in uitkomst – voert het betoog van de klacht dan ook niet. Ook op deze grond kan zij niet tot cassatie leiden.
incidentele subonderdeel 1.1richt ABAB zich (in een viertal nadere subonderdelen) tegen ’s hofs vaststelling in rov. 4.5.7.2 dat
[betrokkene 3] zich tijdens het telefoongesprek met [betrokkene 1] had moeten realiseren dat laatstgenoemde voor een belangrijke, snel te nemen beslissing stond betreffende het al dan niet leveren van reeds klaar staande schoenen met een factuurwaarde van ruim € 117.000.Vanuit verschillende invalshoeken wordt geklaagd dat deze vaststelling onbegrijpelijk is.
welkonderbouwd advies een redelijk bekwaam en redelijk zorgvuldig handelend vakgenoot had behoren te geven. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat pas tot een beroepsfout kan worden geconcludeerd indien een redelijk bekwaam etc. vakgenoot een
negatiefleveringsadvies had behoren te geven (subonderdeel 1.2.1), en (ii) dat de concretisering van de van toepassing zijnde open norm (redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot) aldus ten onrechte niet berust op een beoordeling van
allerelevante – (potentieel) decisieve – omstandigheden (subonderdeel 1.2.2).
Subonderdeel 1.3 in het incidenteel beroepvoegt hieraan toe dat het hof aldus de zaak ten onrechte niet heeft onderzocht op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering ten gronde hebben gelegd (art. 24 Rv Pro), nu dit onmiskenbaar inhoudt dat zijdens ABAB ten onrechte geen
negatiefadvies omtrent levering is gegeven.
nietaan de bedrijven van [betrokkene 4] te leveren, en ten tweede of [betrokkene 1] vervolgens
datadvies zou hebben opgevolgd.
nietaan de bedrijven van [betrokkene 4] zouden hebben uitgeleverd, zouden zij hebben getracht om die collectie zo spoedig mogelijk aan andere detaillisten te verkopen. Die laatsten zouden evenwel, naar mag worden aangenomen, reeds (veel) eerder tijdig hun bestellingen voor het najaar en de winter 2004/2005 hebben geplaatst in een voor hun bedrijfsvoering optimale omvang. Dit betekent dat de vraag bij detaillisten naar de in september 2004 niet aan de bedrijven van [betrokkene 4] geleverde collectie vanaf omstreeks eind september 2004 minder groot is dan in de periode waarin die collectie normaliter pleegt te worden besteld. Dit gegeven én het feit dat het hier gaat om modeschoenen maken dat de verkoopwaarde van betreffende collectie vanaf eind september 2004 niet onaanzienlijk in waarde zou zijn gedaald.
schadetot gevolg heeft gehad. [19] Over dit soort gevallen oordeelde Uw Raad in het arrest Deloitte/ […] :
LJNZC2467,
NJ1998/257 (
Baijings) en HR 16 februari 2007,
LJNAZ0419,
NJ2007/256 (
[…])) of om tijdig een rechtsvordering in te stellen (HR 19 januari 2007,
LJNAZ6541,
NJ2007/63 (
[…])). In deze gevallen stond op zichzelf de tekortkoming van de advocaat vast, maar was onzeker of een ingesteld hoger beroep of een ingestelde rechtsvordering tot succes voor de cliënt zou hebben geleid, met andere woorden: of de tekortkoming van de advocaat heeft geleid tot schade voor de cliënt, bestaande in een slechtere uitkomst van het geschil dan bij uitblijven van de tekortkoming het geval zou zijn geweest. Vast stond slechts dat de cliënt de kans op een betere uitkomst door de tekortkoming van de advocaat was onthouden. De Hoge Raad heeft voor dit soort gevallen geoordeeld dat de rechter de schade moet vaststellen door te beoordelen hoe de appelrechter, indien wel (tijdig) hoger beroep was ingesteld, had behoren te beslissen, althans dat de rechter het toewijsbare bedrag aan schadevergoeding moet schatten aan de hand van de goede en kwade kansen die de cliënt in het hoger beroep zou hebben gehad; een overeenkomstige maatstaf geldt voor een te laat ingestelde rechtsvordering.
Fortis/Bourgonjebij toepassing van proportionele aansprakelijkheid op haar plaats is.
condicio-sine-qua-non-verband(hierna ook: csqn-verband) tussen de normschending en de op zichzelf vaststaande of vast te stellen schade, in die zin dat niet kan worden vastgesteld of die schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde persoon, dan wel door een andere oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt, of door een combinatie van beide oorzaken (vgl. rov. 3.5.2 van Deloitte/ […] ). [20]
RvdW2015/771).
stap 1). Vervolgens dient de rechter vast te stellen dat een csqn-verband bestaat tussen deze beroepsfout en het verlies van de kans op een beter resultaat (
stap 2). En tot slot geschiedt de vaststelling van de schade aan de hand van een schatting van de goede en kwade kansen die de benadeelde zou hebben gehad wanneer die kans hem niet was ontnomen. Hierbij dient te worden bedacht dat voor een dergelijke schatting slechts ruimte bestaat indien het gaat om een reële, dat wil zeggen niet zeer kleine, kans op succes (
stap 3).
nietde terughoudende benadering in acht behoefde te nemen die bij toepassing van proportionele aansprakelijkheid op haar plaats is [22] , nu het hof het csqn-verband tussen de normschending en het verlies van een kans (op een beter resultaat) had vastgesteld volgens de gewone bewijsregels (rov. 3.7). Hieruit kan allereerst worden afgeleid dat de in het kader van stap 2 benodigde vaststelling van het csqn-verband aan de hand van de gewone bewijsregels dient te geschieden. Deze overweging van Uw Raad suggereert m.i. echter tevens dat een proportionele en een kansschade benadering kunnen samengaan. [23] Wordt echter het csqn-verband tussen normschending en verlies van een kans proportioneel ingevuld (waarna vervolgens de kans concreet kan worden ingeschat), dan dient de aan de proportionele aansprakelijkheid inherente terughoudende benadering te worden gehanteerd.
verlies van een kansop een beter resultaat. [24] Voor de toepassing van de kansschadeleer dient een csqn-verband tussen de normschending en die verloren kans te kunnen worden vastgesteld. In geval van een gemiste procedure is dat verband – evenals de inhoud van de gemiste kans zelf – evident. Zoals ook in de literatuur is opgemerkt, zal in de hier gevolgde benadering echter ook in andere gevallen (afgebroken onderhandelingen, foute diagnose, fout advies) vrijwel
steedssprake kunnen zijn van vergoedbare schade, een en ander afhankelijk van de omschrijving c.q. afbakening van de verloren kans. [25] Naarmate onzekerheden – zoals die omtrent de vraag of in het hypothetische geval dat een juist advies was gegeven, dat advies door de gelaedeerde zou zijn gevolgd –
inde vast te stellen verloren kans worden opgenomen, zal het csqn-verband tussen normschending en verloren kans zich sterker opdringen. Ook het maken van een beroepsfout – ‘hard’ of ‘zacht’ – kan op deze wijze reeds het verloren gaan van een kans op beter resultaat impliceren, zodat in beginsel zonder meer aan stap 2 is voldaan.
zou hebben opgevolgd. [26] Deze door Uw Raad als correcte toepassing van stap 2 gesanctioneerde gang van zaken zou kunnen suggereren dat het vaststellen van het csqn-verband in een geval waarin de beroepsfout bestaat in ondeugdelijke advisering
altijdvergt dat de rechter eerst beoordeelt of aannemelijk is dat een gegeven wél-deugdelijk advies ook zou zijn opgevolgd. De toepassing van de leer van de kansschade – de vaststelling van de concrete kans – grijpt in deze voorstelling pas in op de daaropvolgende vraag of, ware die deugdelijke advisering opgevolgd, dat ook tot een positiever
resultaathad geleid.
naderonderzoek in het geval van ‘zachte’ beroepsfouten wel, maar bij ‘harde’ beroepsfouten – waarin een rechtsmiddel niet is aangewend of een rechtsvordering niet is ingesteld – juist niet is vereist. Anders dan bij (de ‘zachte’) verkeerde advisering ligt bij dergelijke ‘harde’ beroepsfouten al vast welke route zou worden gevolgd. De normschending veronderstelt immers reeds dat, ware geen fout gemaakt, de misgelopen procedure was gevoerd of de betreffende rechtsvordering was ingesteld, zoals Uw Raad ook benadrukte.
concretegeval eerst ‘begint’ bij de inspanningen van de cliënt om – met onzeker resultaat – zich binnen de daarvoor geldende voorwaarden in te kopen, zodat de (voor)vraag of hij, in het hypothetische geval van een juist gegeven advies, dat advies zou hebben opgevolgd,
in casubehoort tot het terrein van het csqn-verband. Het arrest zou dan, in lijn met rov. 3.5.3, de mogelijkheid openlaten dat laatstbedoelde vraag in andere gevallen
inde kans zelf wordt ondergebracht.
eerste klachtneemt tot uitgangspunt dat het leerstuk van verlies van een kans niet ziet op het causaal verband (in de zin van condicio-sine-qua-non-verband), maar uitsluitend op de omvang van de schade. Geklaagd wordt dat het hof, door aan het slot van rov. 4.5.7.3 te overwegen dat causaal verband aanwezig is tussen de normschending en de verloren kans op een beter bedrijfsresultaat, het leerstuk van de kansschade dan ook ten onrechte op het niveau van de causaliteit heeft geplaatst (cassatiedagvaarding nr. 10).
tweede klachtvan het middel komt erop neer dat het in rov. 4.5.7.4-4.5.7.6 vaststellen en met elkaar vermenigvuldigen van meerdere percentages – 50% van 50% van 70% – neerkomt op een toepassing van ‘proportionele maatstaven’ die in strijd is met de in art. 6:97 BW Pro, tweede zin, bedoelde vrijheid van de rechter om de schade te schatten (cassatiedagvaarding nrs. 11-12).
nietaan [betrokkene 4] maar aan derden te leveren, en (2) [betrokkene 1] dat advies ook had opgevolgd.
kansdat deze schade ook daadwerkelijk zou zijn geleden schat het hof, zoals gezegd, op 50% van 50%. Nu het hof deze kansen met zoveel woorden als niet zeer klein beoordeelt, strookt ook dit oordeel met het door Uw Raad in het arrest Deloitte/ […] gegeven procedé. Dát het hof deze kans reëel acht, is een feitelijk oordeel dat ik niet onbegrijpelijk vind. Dat geldt reeds op zichzelf voor wat betreft de geaccumuleerde kans van 25%, maar dringt zich m.i. nog sterker op wanneer bedacht wordt dat het hof van elk van de twee gebeurtenissen waaruit de uiteindelijke kans is opgebouwd, even waarschijnlijk acht dat zij zou hebben plaatsgevonden, als dat zij niet hebben plaatsgevonden. Van een niet-reëel scenario, en daarmee een niet-reële kans, kan men bij deze stand van zaken m.i. niet spreken.
niet-juristrespectievelijk
juridische leekbij uitstek van de professionele opvattingen van [betrokkene 6] afhankelijk was, faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof doelt in de bestreden overweging immers klaarblijkelijk niet op de
juridischeaanvaardbaarheid van de voorgestelde structuur, maar op de
commerciëleaanvaardbaarheid van het ondernemen, samen met [betrokkene 4] , in een dergelijke nieuwe b.v.
middel 5 in het principaal beroeprichten [eisers] zich tegen rov. 4.5.8.4, voor zover die luidt:
henzelfonder eigendomsvoorbehoud aan die bedrijven geleverde schoenen daar zouden weghalen indien die bedrijven die leveringen niet betalen, waartoe [eisers] krachtens dat voorbehoud in beginsel gerechtigd waren en welk handelen dan ook niet zonder meer als paulianeus geldt. Niet is in dit verband gebleken dat [betrokkene 6] jegens [eisers] over iets anders heeft gesproken dan over het terughalen bij een niet-betalende debiteur van aan deze onder eigendomsvoorbehoud geleverde goederen. Hetgeen de heer [betrokkene 1] als getuige heeft verklaard over een door [betrokkene 6] aan [B] beweerdelijk gedane toezegging tot verpanding van door haar aan [betrokkene 4] geleverde goederen in de wetenschap dat die voorraden aan de bank verpand waren, heeft, wat er van die verklaring verder zij, geen betekenis voor de vraag of [betrokkene 6] onrechtmatig heeft gehandeld, reeds omdat, als gezegd, degene die goederen onder eigendomsvoorraad heeft geleverd, in beginsel het recht heeft om die goederen bij zijn niet-betalende debiteur terug te halen, ongeacht of die voorraden (eerder) aan de bank van die debiteur waren verpand.
overdracht van de voorraden en het interieur van [A] B.V.aan [E] B.V.
zonder daarvoor te betalen(verwezen wordt naar mva nrs. 110 en 113) ofwel onjuist heeft geadviseerd over de
inbrengvan [A] in de nieuwe vennootschap (verwezen wordt naar mva nrs. 114 en 125) – iets waar de curator in het latere faillissement van [A] B.V. een punt van zou maken. De rechtbank zou op deze grond [betrokkene 6] aansprakelijk hebben geoordeeld in rov. 5.13-5.15 van haar tussenvonnis van 11 maart 2009.
nietgeoordeeld dat [betrokkene 6] wordt verweten te hebben geadviseerd tot (algehele)
inbrengvan voorraden en interieur van (de Bredase vestiging van) [A] B.V. in de nieuwe vennootschap [E] B.V. [34] [35]
3.Conclusie
- niet-ontvankelijkverklaring van de vennoten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in hun beroep;
- verwerping van het principaal en van het incidenteel cassatieberoep.