Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
‘Van de termijn, bedoeld in lid 3, kan schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer.’
‘In artikel 7:672, zesde lid, van het BW.is immers bepaald dat als de opzegtermijn van de werknemer wordt verlengd, de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn niet korter mag zijn dan het dubbele van die voor de werknemer. Anders dan de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat het in deze bepaling opgenomen schriftelijkheidsvereiste niet alleen met zich brengt dat een afwijking van de door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn schriftelijk moet zijn vastgelegd. Dit vereiste moet, mede uit een oogpunt van rechtszekerheid, zo worden verstaan dat in geval van afwijking van de door de werknemer in acht te nemen opzegtermijn de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn eveneens schriftelijk moet worden vastgelegd. Daarbij is van belang dat uit artikel 7:672, zesde lid, van het BW niet zonder meer voortvloeit dat de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn het dubbele is van die voor de werknemer. Deze bepaling laat immers de mogelijkheid open om een langere opzegtermijn voor de werkgever overeen te komen.’
4.Voldoet het middel aan de daaraan te stellen eisen?
onderdeel 2betoogt Flextronics, onder verwijzing naar literatuur en jurisprudentie - kort gezegd - dat het schriftelijkheidsvereiste in art. 7:672 lid 6 BW Pro slechts ziet op de in het derde lid van dat artikel genoemde opzegtermijn voor de werknemer. De verlengde termijn van de werkgever behoeft volgens haar niet uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst te worden opgenomen. ’s Hofs andersluidende oordeel, dat gegrond is op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 18 juli 2012, [14] art. 7:672 lid 5 BW Pro en art. 7:672 lid Pro 6 (oud) BW, is volgens haar dan ook onjuist.
onderdeel 3wijst Flextronics erop dat zij zich met name in appel uitdrukkelijk op art. 6:248 lid 1 BW Pro heeft beroepen. [17] Aan het slot van haar onderdeel stelt zij dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de opzegtermijn in de arbeidsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd of aangevuld dat voor [verweerder] een opzegtermijn van twee maanden geldt en voor haar een opzegtermijn van (tenminste) vier maanden. [18] Als in dit verband relevante omstandigheden noemt zij dat (1) het opzegbeding duidelijk vermeldt welke opzegtermijn voor [verweerder] geldt, en (2) hij dus wist welke opzegtermijn voor hem gold, (3) [verweerder] de arbeidsovereenkomst zelf heeft opgezegd, (4) Flextronics heeft betoogd dat voor haar tenminste de dubbele opzegtermijn gold in geval zij de arbeidsovereenkomst zou hebben opgezegd en (5) dus aan de beschermingsgedachte van art. 7:672 BW Pro is voldaan en geen afbreuk wordt gedaan aan het door de wetgever beoogde evenwicht voor wat betreft de bij de opzegging betrokken belangen.
nietduidelijk was hoe het precies met de voor haar geldende opzegtermijn was gesteld. Daarin vindt (ook)
onderdeel 3zijn Waterloo.
voor de werknemerook de ex lege verlengde termijn voor de werkgever
schriftelijkmoet worden vastgelegd. Men kán het vijfde lid van art. 7:672 BW Pro zo lezen dat dit laatste moet gebeuren, [21] maar dwingend is die lezing allerminst om twee redenen:
overeengekomenlangere termijn wél, maar een
ex legeontstane langere termijn als gevolg van schriftelijke verlenging van de termijn die voor de werknemer geldt niet schriftelijk zou moeten worden vastgelegd.
voor hemin de overeenkomst vastgelegde opzegtermijn, maar niet die van de werkgever;
nietwaaraan hij toe is. Maar bovendien moeten rechtsregels niet worden geschreven of uitgelegd met het oog op individuele gevallen. Daarom doet ook niet ter zake of [verweerder] al dan niet van de hoed en de rand wist. [36]
voor de werkgevergeldende termijn steeds schriftelijk moet gebeuren, maar die lezing is zeker niet dwingend. Verdedigbaar is zelfs dat zij gezocht is.
onderdeel 4dat ’s Hofs uitkomst via de weg van conversie toch weer op losse schroeven probeert te stellen. Voor het geval Uw Raad een andere oplossing dan hiervoor door mij bepleit, verkiest, ga ik nader op deze klacht in.
onderdeel 5.