3.5.In aanmerking genomen dat de akte die is opgemaakt bij het instellen van het cassatieberoep tegen het arrest van het Hof van 8 oktober 2008, generlei beperking van het beroep inhoudt, terwijl het arrest waarbij de zaak is teruggewezen naar het Hof ook niets inhoudt omtrent een beperkte uitleg die door de Hoge Raad is gegeven aan het ingestelde beroep, heeft het Hof, dat was gebonden aan de door de Hoge Raad gegeven beslissing, terecht art. 423, vierde lid, Sv niet - ook niet naar analogie - toegepast. Naar uit het vorenoverwogene volgt, doet daaraan niet af dat in de eerste cassatieschriftuur uitsluitend werd geklaagd over de beslissingen van het Hof ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.”
27. Hoewel het Hof alleen ten aanzien van feit 1 de zaak opnieuw heeft moeten beoordelen, hoefde het wat de strafoplegging betreft de gevangenisstraffen niet opeens te splitsen. Het Hof had hier gewoon één gevangenisstraf kunnen en moeten opleggen. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Daarmee zeg ik niet dat het in zoverre tot cassatie heeft te leiden. Ik kom hier aanstonds op terug en vervolg eerst met de klacht over de justitiële documentatie.
28. Het Uittreksel Justitiële Documentatie waarnaar het Hof verwijst, dateert van 26 maart 2014. Daarop staan onder het hoofd “Volledig afgedane zaken betreffende misdrijven” een op 30 juni 2001 gepleegde afpersing door twee of meer verenigde personen, een op 4 juni 2001 gepleegde poging tot doodslag, een op 7 februari 2003 gepleegde poging tot gekwalificeerde doodslag en “overige”, waarvoor verzoeker is veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf. Deze straf is blijkens het Uittreksel op 22 februari 2003 onherroepelijk geworden. Op deze straf heeft het Hof in zijn strafmotivering gedoeld. Het vonnis van de rechtbank van 28 april 2010, het vernietigde arrest van het Hof van 31 mei 2012 en de bestreden uitspraak vermelden omtrent die onherroepelijke veroordeling dat gebruik is gemaakt van een vuurwapen, waaraan in het vonnis is toegevoegd dat een slachtoffer daarbij zeer ernstig gewond raakte.
29. Voor zover het middel klaagt over de verwijzing naar de justitiële documentatie in ’s Hofs strafmotivering aangaande de doodslag en bij het bepalen van de straf voor de ‘andere feiten’, is het derhalve tevergeefs voorgesteld.
30. Dan de gestelde schending van art. 359, vijfde en zesde lid, Sv bij het bepalen van de gevangenisstraf voor de ‘andere feiten’. Zoals ik hiervoor heb geconcludeerd, heeft het Hof ten onrechte de hoofdstraffen gesplitst. Ik geef Uw Raad in overweging de bestreden uitspraak verbeterd te lezen, in dier voege dat voor alle feiten één straf wordt opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van achttien (veertien plus vier) jaren. Ik zie geen enkele reden om aan te nemen dat - zou het Hof (wel) één hoofdstraf voor alle feiten hebben opgelegd – de hoogte van de gevangenisstraf anders dan achttien jaren was uitgevallen.
31. Tot cassatie hoeft de klacht over de splitsing van straffen dan niet te leiden, terwijl de klacht dat bij het bepalen van de straffen voor de ‘andere feiten’ art. 359, vijfde en zesde lid, Sv is geschonden, verder buiten bespreking kan blijven.
Het middel voorgesteld namens de benadeelde partij.
32. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de aanvullende kosten van de rechtsbijstand buiten beschouwing heeft gelaten.
33. Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en verzoeker in dat verband onder meer verwezen “in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten”. Het Hof heeft met betrekking daartoe op grond van art. 592a Sv terecht een aparte beslissing gegeven, nu het hier geen rechtstreekse schade betreft. Over de gemaakte en nog te maken kosten vallen de kosten voor de rechtsbijstand, die in het onderhavige geval kunnen gelden als “proceskosten” en bestaan uit gemaakte kosten die niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed (de eigen bijdrage, een bedrag van in totaal € 220,00).Vergoeding van die kosten is mogelijk op grond van art 6:96, tweede lid, BW. Dat het Hof die kosten tot aan de datum van de uitspraak heeft begroot op nihil, kan daaraan niet afdoen.
34. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het Hof de opgevoerde kosten rechtsbijstand niet buiten beschouwing heeft gelaten.
35. Het eerste, het tweede, het derde middel en voor een deel het vierde middel namens verzoeker voorgesteld, kunnen mijns inziens worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering. Het vierde middel is ten dele terecht voorgesteld, maar hoeft niet tot cassatie te leiden. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan eveneens met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
36. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden