Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden legde aan betrokkene de verplichting op tot betaling van €79.053 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde cassatie in tegen het oordeel dat een geldbedrag van €30.000, afkomstig uit een lening van zijn grootvader, niet in mindering mocht worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bedrag van €30.000 niet in mindering werd gebracht, terwijl uit het proces-verbaal bleek dat bepaalde uitgaven niet in de kasopstelling waren meegenomen vanwege gebrek aan specificaties. Het hof had niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene daadwerkelijk ten minste €30.000 aan uitgaven bovenop de bekende posten had gedaan.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat het hof terecht het in contanten aangetroffen geld en banktegoeden had betrokken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, ook al was betrokkene daarvoor niet veroordeeld wegens witwassen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting met nadere motivering over de mindering van de lening op het wederrechtelijk verkregen voordeel.