Conclusie
1.Feiten en procesverloop
van de lening, rechtbank) later onder gelijke voorwaarden (
de rechtbank begrijpt: het inroepen van de uitsluitingsclausule) werd kwijtgescholden”. De rechtbank is van oordeel dat de man op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Niet gesteld is welk bedrag of welke bedragen van de restantschuld op welke wijze en wanneer aan de man zijn kwijtgescholden en onder welke bewoordingen daarbij een beroep is gedaan op de uitsluitingsclausule. Dat had wel op de weg van de man gelegen nu de vrouw betwist heeft dat bij de latere kwijtschelding de uitsluitingsclausule is ingeroepen. Nu niet aan de stelplicht is voldaan komt de rechtbank ook niet toe aan bewijslevering op dit punt. Zij zal der derhalve van uitgaan dat het bedrag van fl. 17.004,00 niet onder de uitsluitingsclausule is kwijtgescholden.
NJ1983, 250,
Erven Bal) moet worden afgeleid dat nu in casu 67,3 % van de koopsom van het perceel direct bij de overdrachtshandeling is kwijtgescholden onder een uitsluitingsclausule, en het restant in de jaren na de koop, niet de koopsom maar het gekochte object, het perceel zelf, geschonken is. Daarnaast was het de uitdrukkelijke bedoeling van de ouders van de man dat de vrouw geen recht zou hebben op het perceel of op enig bedrag daaruit. Daarom zou het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien zijn aanspraak beperkt zou zijn tot vergoeding van (een deel van) het nominale bedrag van de geschonken koopsom ad fl. 52.000, aldus nog steeds de man. [8]
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Erven Bal, de privéfinanciering van verkrijgingen door in gemeenschap van goederen gehuwde echtelieden, en de analoge toepassing van art. 1:124 lid 2 BW Pro (oud) binnen de algehele gemeenschap van goederen.
huwelijksvermogensrechtelijkegevolgen van een dergelijke constructie waren, wanneer het verkrijgende kind in gemeenschap van goederen gehuwd was en aan de kwijtschelding – van de koopsom of van de terugbetalingsverplichting uit geldlening – een uitsluitingsclausule was verbonden. Uit het tot 1 januari 2012 geldende art. 1:94 lid 1 BW Pro (oud) volgde dat goederen die overgingen ten titel van gift, buiten de huwelijksgemeenschap vielen indien aan de gift een uitsluitingsclausule was verbonden (vgl. thans art. 1:94 lid 2 sub a BW Pro). Dat kan echter voor de hier besproken constructie, waarbij het goed ten titel van koop wordt overgedragen en de uitsluitingsclausule aan de kwijtschelding (van koopsom c.q. terugbetalingsverplichting) verbonden is, niet (zonder meer) worden aangenomen. De vraag is dus: viel het goed ook in een dergelijk geval buiten de huwelijksgemeenschap?
Erven Bal. [14] Het ging in die zaak, voor zover hier van belang, om de vraag of sprake was van een gift in de zin van art. 968 BW Pro (oud) [15] . Uw Raad oordeelde dat in het kader van die bepaling het betoog relevant was dat aan een kwijtschelding van de tegenprestatie tegelijk met of vlak na een overdrachtshandeling, het karakter van een schenking van het overgedragen goed zelve toekomt. Indien dat betoog juist zou zijn, dan “zou er in feite sprake zijn van een gift van dat goed in de zin van art. 968, (…)”, aldus Uw Raad. [16] Uit deze rechtspraak hebben sommige schrijvers de (verstrekkende) conclusie getrokken dat
in zijn algemeenheid– en dus niet slechts voor de vraag of sprake is van een gift in de zin van art. 968 BW Pro (oud), zoals in de Erven Bal zaak aan de orde was [17] – door een overdracht gevolgd door kwijtschelding ‘heen moet worden gekeken’, en dat dit samenstel van handelingen moet worden gekwalificeerd als schenking, met alle rechtsgevolgen van dien. Men zal, in deze gedachtegang, de werkelijkheid boven de schijn moeten laten gaan, en de schenkingsbedoeling die vermoed moet worden aan deze constructie ten grondslag te liggen laten prevaleren, in die zin dat ook rechtens de aanwezigheid van een schenking wordt aangenomen.
ontkennendebeantwoording van de vraag of – onder de hiervóór, onder 2.2 vermelde omstandigheden – sprake is van privéfinanciering, pleit het volgende.
strekkingheeft (júist) om vermogensbestanddelen in privé van ouders naar kind(eren) over te hevelen, doel mist, louter vanwege het feit dat niet de juiste
vormis gekozen.
bevestigendebeantwoording van de vraag of sprake is van privéfinanciering pleit derhalve dat op die manier recht kan worden gedaan aan de werkelijke bedoeling van partijen – of, meer in het algemeen, gebruikers van de litigieuze constructie. Daartoe kan m.i. ook een juridisch aanknopingspunt worden gevonden, en wel door aansluiting te zoeken bij de Erven Bal constructie, die hiervóór in een iets ander kader al aan de orde kwam. Ik acht het verdedigbaar dat ook de onderhavige constructie (verkoop, lening, kwijtschelding onder uitsluitingsclausule) rechtens moet worden gezien zoals zij door partijen
bedoeldis. Die werkelijke bedoeling is dan niet zozeer een schenking van het registergoed – zoals in de Erven Bal zaak – maar het verschaffen aan de ene echtgenoot van
privémiddelenom daarmee – in privé – het goed aan te schaffen. Economisch is dat immers wat er gebeurt: de ouders stellen de man in staat de aankoop van hun perceel voor het grootste deel te doen met middelen die door hen voor dat doel worden gefourneerd, met de uitdrukkelijke vermelding dat dit enkel de man – en niet de huwelijksgemeenschap – dient te bevoordelen. [36] De juridische werkelijkheid behoort zich daarbij aan te sluiten: het samenstel van rechtshandelingen – de lening en kwijtschelding onder uitsluitingsclausule – dient rechtens als één geheel te worden behandeld, en wel als de verstrekking van privévermogen aan de man. [37]
niet in de gemeenschap valt(art. 1:125 BW Pro (oud). Deze bepaling maakt deel uit van de regeling betreffende de gemeenschap van vruchten en inkomsten, meer in het bijzonder de regeling van de privéverkrijging van goederen op de voet van art. 1:124 lid 2 BW Pro (oud), waarover uitgebreid hierna. Met deze bepaling is bedoeld te bewerkstelligen dat een echtgenoot een privégoed kan verkrijgen (mede) uit geleend geld. [38] Waar, zoals hieronder zal worden betoogd, plaats is voor analoge toepassing van art. 1:124 lid 2 BW Pro (oud), kan ook art. 1:125 BW Pro (oud) steun geven voor de zojuist bepleite gedachte dat financiering via een kwijtgescholden lening, aangegaan met het oog op de verwerving van privégoed, als privéfinanciering moet kwalificeren. [39]
geheeluit zijn eigen goederen is voldaan”, zoals de oude tekst [42] luidde. Het was sindsdien voldoende dat meer dan de helft in privé is gefinancierd. [43]
uitgangspuntvan de wettelijke gemeenschap – zoals deze tijdens het huwelijk van partijen was vormgegeven – onverminderd de gemeenschappelijkheid van vermogen. De strekking van de algehele gemeenschap is dat behoudens uitzonderingen, bijvoorbeeld wegens verknochtheid of uitsluitingen, er een algehele solidariteit van aangebracht of verworven vermogen (baten en schulden) is. Bij de beperkte gemeenschap van vruchten en inkomsten is dat in zoverre anders, dat gemeenschappelijkheid van vermogen de
uitzonderingis, in die zin dat de gemeenschap zich slechts uitstrekt tot bepaalde vermogensbestanddelen en bepaalde wijzen van verwerving. Bij een dergelijke beperkte gemeenschap past een regel als gegeven in art. 1:124 lid 2 BW Pro (oud), die ertoe strekt dat goederen die voornamelijk of geheel ten laste van privévermogen zijn verworven, niet aan de gemeenschap toevallen, maar in de privésfeer – en het privévermogen – van de echtgenoot blijven die de tegenprestatie voor de verwerving (grotendeels) heeft opgebracht.
algehelegemeenschap gehuwd – in een later stadium ermee geconfronteerd kunnen worden dat vermogen toch niet in de gemeenschap valt, hoewel zich geen in de wet genoemd uitzonderingsgeval voordoet.
bovendien verdedigen sommige schrijvers dat het wettelijk stelsel meebrengt dat zij ook op andere gemeenschappen toepassing moet vinden, waardoor op z'n minst (…) rechtsonzekerheid is ontstaan. Daar er geen goede grond bestaat, om haar ook onder het nieuwe recht te handhaven, wordt voorgesteld de regeling der zaaksvervanging te verruimen. Dit geschiedt in het nieuwe tweede lid, blijkens hetwelk doorslaggevend zal zijn of de betaalde prijs voor het nieuwe goed voor het grootste deel ten laste van een der echtgenoten komt; voor het geval het goed geheel of ten dele met geleend geld wordt gefinancierd, zie men de aanvulling van artikel 125. (…).” [48] (onderstreping toegevoegd, A-G)
algehelegemeenschap (pas) redelijk wordt geacht wanneer daar een vergoedingsvordering op grond van economische deelgerechtigheid aan verbonden is. De nominale récompense die onder de zaaksvervangingsregel van art. 1:124 lid 2 BW Pro (oud) gold, past weliswaar bij de ratio van de beperkte gemeenschap van vruchten en inkomsten, maar zoals uit de regeling naar huidig recht blijkt, niet zozeer bij de hedendaagse opvattingen over wat als een redelijke zaaksvervangingsregeling voor de algehele gemeenschap kan gelden.
leemteblijkt voor te doen die met gebruikmaking van een niet toepasselijke maar verwante regel kan worden gedicht, en analoge toepassing vervolgens op een algemeen beginsel kan worden gegrond. [49] [50] In de onderhavige zaak lijkt mij een dergelijke situatie zich niet voor te doen; duidelijk is immers wat het rechtsgevolg is wanneer art. 1:124 lid 2 BW Pro (oud) niet analoog wordt toegepast: het perceel valt in de gemeenschap, overeenkomstig de regels van het huwelijksvermogensregime van partijen. Men kan dus niet zeggen dat er een juridische leemte is, die door toepassing van een goed aansluitende verwante norm zou moeten worden gedicht.
vooranaloge toepassing worden aangevoerd. Deze argumenten zijn naar mijn mening van een dusdanig gewicht, dat zij dienen te prevaleren.
privévermogenvan de man.
subonderdeel 2.7heeft het hof miskend dat de door de man tijdens het huwelijk aangegane lening een
gemeenschapsschuldis, zodat, nu de koopprijs (gedeeltelijk) is voldaan met (gedeeltelijke) kwijtschelding van die gemeenschapsschuld, de koopsom geacht moet worden ten laste van de
gemeenschapte zijn gekomen. Daaraan doet niet af dat aan de kwijtschelding een uitsluitingsclausule is verbonden, noch dat verkoop, lening en kwijtschelding tegelijkertijd hebben plaatsgevonden, aldus de vrouw.
Subonderdeel 2.8klaagt dat het hof niet op een betoog van die strekking heeft gerespondeerd.
samenstelvan rechtshandelingen – lening en gelijktijdige kwijtschelding onder uitsluitingsclausule – is
beoogd. Voor een constructie als de onderhavige geldt reeds in het algemeen dat daarmee beoogd is om de verkrijgende echtgenoot in staat te stellen van zijn ouders onroerend goed in privé te verwerven. Dat geldt temeer in het onderhavige concrete geval, waarin het hof ook daadwerkelijk heeft vastgesteld dat de man geld van zijn ouders heeft geleend – dat hem onder uitsluitingsclausule is kwijtgescholden –
met het doelom daarmee het perceel te betalen. [54] Ten slotte kan, zoals ik hiervoor onder 2.22 betoogde, aan art. 1:125 BW Pro (oud) steun worden ontleend voor de gedachte dat een financiering als de onderhavige kwalificeert als privéfinanciering.
subonderdeel 2.9, waarin de vrouw klaagt dat het hof heeft miskend dat het de aard en de strekking van de kwijtschelding had moeten vaststellen door uitleg van de schuldbekentenis aan de hand van de Haviltex-maatstaf, en daarbij tevens de stelling van de vrouw had moeten betrekken dat de ouders van de man ten tijde van de verkoop met lening en kwijtschelding in 1993 niet de bedoeling hadden om het perceel buiten de gemeenschap te houden.
notariële verklaring van 26 juni 2009– waaraan de rechtbank betekenis zou hebben gehecht –
geen waardekan worden gehecht voor wat betreft de daarin eerst vele jaren later en door juridische leken op leeftijd afgelegde, maar niettemin in juridisch jargon afgelegde verklaringen omtrent hun eertijdse bedoelingen (verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, nrs. 32-37). Dit betoog mondt uit in de incidentele grief dat
laterekwijtscheldingen van het resterende bedrag ad fl. 17.004,- eveneens onder een uitsluitingsclausule te verrichten. Op die kwestie – ter zake waarvan het hof bewijslevering heeft toegelaten – ziet ook het op de aangegeven vindplaats in de akte na getuigenverhoor (nrs. 3-10) gevoerde betoog van de vrouw.