De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin aan betrokkene een betalingsverplichting van € 3.600,- is opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit voordeel werd geschat op € 3.607,20, gebaseerd op gestolen geldbedragen en pintransacties met bankpassen van meerdere slachtoffers.
In de onderliggende strafzaak zijn aan de benadeelde partijen onherroepelijk vorderingen toegekend tot een totaalbedrag van € 462,10, bestaande uit materiële schade die rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde feiten. Het hof heeft deze vorderingen echter niet in mindering gebracht op het geschatte voordeel, wat volgens de Hoge Raad een verzuim is.
De Hoge Raad stelt dat op grond van art. 36e, achtste lid (oud) Sr, deze vorderingen wel in mindering gebracht moeten worden om dubbele terugvordering te voorkomen. Daarnaast is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden, wat eveneens leidt tot vermindering van de betalingsverplichting.
De Hoge Raad herstelt het verzuim door het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen tot € 3.145,10 en de betalingsverplichting tot afgerond € 3.100,-. Tevens wordt de betalingsverplichting verder verminderd wegens de termijnoverschrijding. Het beroep wordt verder verworpen.