ECLI:NL:PHR:2015:138

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2015
Publicatiedatum
3 maart 2015
Zaaknummer
14/00162
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 6:96 lid 2 sub b BWArt. 237 RvArt. 241 RvArt. 361 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie in grensrechterzaak medeplegen doodslag en geweldpleging

Op 2 december 2012 vond tijdens een jeugdvoetbalwedstrijd een gewelddadig incident plaats waarbij de grensrechter werd geslagen en geschopt door spelers van het team Nieuw Sloten, waaronder de verdachte. Het slachtoffer overleed de volgende dag aan de gevolgen van de opgelopen verwondingen.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte tot 24 maanden jeugddetentie, deels voorwaardelijk, wegens medeplegen van doodslag en openlijk geweld plegen. Tevens werden schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen.

In cassatie werden diverse middelen aangevoerd, onder meer over de bewijswaardering, betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, opzet, causaliteit en de toegewezen schadevergoedingen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijsmiddelen zorgvuldig had gewogen, de verklaringen van getuigen betrouwbaar waren geacht en het causaal verband tussen het geweld en het overlijden van het slachtoffer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was vastgesteld.

Ook de klachten over het ontbreken van genetisch onderzoek naar een mogelijke zeldzame vaatziekte bij het slachtoffer werden verworpen, omdat het hof aannemelijk had gemaakt dat dit niet noodzakelijk was. De klachten over de schadevergoedingen en de ontvankelijkheid van de vorderingen werden eveneens afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling medeplegen doodslag en geweldpleging bevestigd.

Conclusie

Nr. 14/00162J
Zitting: 3 maart 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 december 2013 verdachte wegens “medeplegen van doodslag” (feit 1) en “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” (feit 2) veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vierentwintig maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde ten aanzien waarvan het Hof heeft bevolen dat zij dadelijk uitvoerbaar is. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de vier benadeelde partijen, die zich in de onderhavige procedure hebben gevoegd, geheel of gedeeltelijk toegewezen. Het Hof heeft ten behoeve van de vier hiervoor bedoelde benadeelde partijen ook schadevergoedingsmaatregelen aan de verdachte opgelegd.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, zeven middelen van cassatie voorgesteld. Namens [benadeelde partij], één van benadeelde partijen, heeft mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld. [2] Mr. M.L.M. van der Voet heeft hiertegen op zijn beurt namens de verdachte een verweerschrift ingediend.
4.
Inleiding
4.1. Het gaat hier om de zogenaamde “grensrechterzaak”, een zaak die veel media-aandacht heeft gekregen en daardoor bij een groot publiek bekend is geworden. Het volgende is gebeurd. Op 2 december 2012 werd er een voetbalwedstrijd gespeeld tussen twee Amsterdamse jeugdteams: Buitenboys B3 speelde thuis tegen Nieuw Sloten B1. [slachtoffer] was grensrechter bij die wedstrijd. Tijdens de wedstrijd bestond er bij de spelers van Nieuw Sloten onvrede over de beslissingen die [slachtoffer] als grensrechter nam. Na afloop van de wedstrijd hebben zij daarom verhaal gehaald bij [slachtoffer]. [slachtoffer] is geslagen en toen hij op de grond lag – omringd door spelers van Nieuw Sloten - is er op hem ingeschopt. Bij dat geweld waren in elk geval zes spelers van de club Nieuw Sloten en een vader van een van die spelers betrokken. [slachtoffer] is een dag later overleden. De verdachte in deze zaak is één van de spelers van Nieuw Sloten.
4.2. Centraal in cassatie staat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van doodslag. De eerste drie middelen betogen dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het (al dan niet uitdrukkelijk ingenomen) standpunt van de verdediging dat bepaalde verklaringen niet voor het bewijs mochten worden gebruikt. Het vierde middel keert zich tegen het bewezenverklaarde opzet op de doodslag. De middelen vijf en zes van de verdachte hebben betrekking op de vorderingen van de benadeelde partijen. Het zevende richt zijn pijlen op het bewezenverklaarde causaal verband tussen het door verdachte en zijn medeplegers uitgeoefende geweld en het overlijden van [slachtoffer] de dag daarna. Het namens [benadeelde partij] ingediende middel heeft betrekking op de door haar als benadeelde partij ingediende vordering.
4.3. Ik zal eerst de middelen van de verdachte bespreken. Ik wijk daarbij in zoverre af van de volgorde die in de schriftuur is aangehouden, dat ik eerst de middelen 2 en 3 gezamenlijk zal bespreken en dat ik het zevende middel behandel na het vierde middel. Voor een beter begrip geef ik hierna eerst de bewezenverklaring en de – voor de beoordeling van de middelen – meest relevante bewijsoverwegingen van het Hof weer.
5.
Bewijs en bewijsvoering
5.1. Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 tot en met 3 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”
5.2. Deze bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest van het Hof zijn opgenomen. Daarnaast heeft het Hof in het verkorte arrest aan de bewezenverklaring uitvoerige, op deze bewijsmiddelen steunende, bewijsoverwegingen gewijd. Ik volsta met de weergave van deze bewijsoverwegingen, die, voor zover hier van belang, als volgt luiden: [3]
5. Inleidende beschouwing
(…)
5.2 Beoordeling verklaringen
Het incident met betrekking tot grensrechter [slachtoffer] heeft zich in een zeer kort tijdbestek voltrokken. De gewelddadige gedragingen richting [slachtoffer], die werden voorafgegaan door een discussie, hebben maximaal 50 seconden geduurd. Bij het incident waren spelers, leiders, trainers en toeschouwers aanwezig en het middelpunt van het incident - [slachtoffer] - heeft zich gedurende deze 50 seconden op een tweetal plekken op het veld begeven, te midden van een wirwar van personen. Gelet op dit korte tijdsverloop, deze kluwen van mensen - voor zover het spelers betreft ook nog eens grotendeels in dezelfde tenues - en het verplaatsen door grensrechter [slachtoffer], is het voor getuigen bepaald niet eenvoudig gebleken om een adequate en complete verklaring af te leggen over het geheel van handelingen. In het algemeen kan worden vastgesteld dat de getuigen van het incident niet allemaal 'de hele film' hebben gezien. De meeste afgelegde verklaringen zijn dan ook eerder fragmentarisch en beperkt tot de handelingen die bijvoorbeeld zijn verricht op een specifiek moment of door een bepaald persoon. Hierbij heeft de locatie waar de desbetreffende getuige zich bevond ten tijde van zijn waarneming ook een rol gespeeld. Bepaalde handelingen kunnen bijvoorbeeld wel zijn verricht, maar niet zijn waargenomen, simpelweg omdat er iemand in het gezichtsveld stond, of omdat een getuige ver van het incident vandaan stond. In dit licht dient de beoordeling en waardering van de hierboven bedoelde getuigenverklaringen met gepaste behoedzaamheid plaats te vinden. Daarom worden alleen verklaringen van getuigen voor het bewijs gebezigd voor zover deze verklaringen steun vinden (verankerd zijn) in verklaringen van andere getuigen of een ander bewijsmiddel.
In het licht van het voorgaande verdient nog opmerking dat door verschillende raadslieden van de verdachten kritiek is geuit op het zogenoemde 'shoppen' in getuigenverklaringen, waarbij uit alle bewijsmiddelen slechts de belastende gedeelten voor het bewijs zouden worden gebezigd en de ontlastende gedeelten zouden worden gepasseerd. Zo zou bijvoorbeeld de ene getuige die belastend heeft verklaard over persoon A en niets heeft verklaard over gedragingen van persoon B, slechts in belastende zin worden gebruikt ten aanzien van persoon A en niet in ontlastende zin ten aanzien van persoon B. Volstaan wordt met de weergave van het geldend recht op dit onderhavige punt. Naar vaste jurisprudentie dient te worden vooropgesteld dat het aan de rechter - die over de feiten oordeelt en het ten laste gelegde bewezen verklaart - is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering van de bewijsmiddelen behoeft - bijzondere gevallen daargelaten - geen nadere motivering.'
5.3 Foto 's
Een bijzonderheid in deze zaak is dat er door twee toeschouwers foto's zijn gemaakt, hetgeen tot 11 foto's van het incident heeft geleid. Dit betekent dat er van voornoemde 50 seconden slechts 11 momenten zijn vastgelegd, waarbij het merendeel van deze vastgelegde fragmenten de laatste fase van deze 50 seconden betreffen. Een aantal foto's is getoond bij de getuigen- en/of verdachtenverhoren bij de politie en de rechter/raadsheer-commissaris, en ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Over deze foto's wordt het navolgende opgemerkt.
De foto's geven slechts een beeld van een momentopname van de gebeurtenissen op het voetbalveld. De foto's zijn van een afstand genomen en dienen met grote terughoudendheid te worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld ten aanzien van de exacte onderlinge afstanden tussen de betrokkenen. Dit geldt nog sterker voor die foto's die zijn genomen met gebruikmaking van een telelens. Personen die op de foto dicht bij elkaar lijken te staan, kunnen in werkelijkheid verder van elkaar verwijderd hebben gestaan. Ook kunnen personen die niet op de foto te zien zijn, zich wel degelijk in de kring van vechtenden hebben bevonden. Doordat foto's een momentopname weergeven, kunnen er op de foto's geen bewegingen worden waargenomen. Een rennende beweging kan er op een stilstaand beeld uitzien als een trappende beweging, en ook omgekeerd. De foto's kunnen echter wel - met inachtneming van de hierboven opgesomde voorbehouden door middel van een rechterlijke waarneming - een indicatie geven van de positie van [slachtoffer] en welke personen zich op een bepaald moment in de nabijheid bevonden van de gevechtshandelingen, hetgeen vervolgens zonodig kan worden gebruikt bij de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachten en de getuigen over die desbetreffende situatie.
De foto's zijn op een gegeven moment aan alle verdachten en vrijwel aan iedere getuige getoond. In sommige gevallen heeft dit zelfs meermalen plaatsgevonden. Voor zover ten aanzien hiervan door de verdediging is betoogd dat de nadere getuigenverklaringen hierdoor zijn beïnvloed en op die grond van onwaarde zijn, verdient opmerking dat de foto’s in beginsel aan de verdachten en de getuigen zijn getoond eerst nadat betrokkenen zelf de situatie ter plekke en hetgeen door hen was waargenomen, in hun verklaring hadden beschreven. De foto's die vervolgens zijn getoond hebben in sommige gevallen geleid tot een aanvullende verklaring, een verduidelijking van de eerdere afgelegde verklaring of een bevestiging dat een bepaalde in de eerdere verklaring genoemde persoon inderdaad een bepaalde handeling heeft verricht. Tegen de gevolgde werkwijze bestaat uit het oogpunt van de (bewijs)waardering van getuigenverklaringen geen bezwaar. Voor zover het tonen van de foto's heeft geleid tot verklaringen die afwijken van de eerdere verklaring(en) of tot verklaringen waarin pas voor het eerst een persoon wordt beschuldigd, worden deze verklaringen met gepaste behoedzaamheid beschouwd, in de gevallen waarin zij toch voor het bewijs worden gebezigd. Ten aanzien van die verklaringen is telkens getoetst of er een ontoelaatbare beïnvloeding door de foto's heeft plaatsgevonden.
In bepaalde gevallen hebben getuigen reeds voordat zij hun eerste verklaring hebben afgelegd één of meerdere foto's bekeken. Dit zijn bijvoorbeeld degenen die de foto’s hebben gemaakt en degenen die toegang hadden tot de foto's. Ook is één van de foto's – in geanonimiseerde vorm (geblurd) - geplaatst op de voorpagina van dagblad De Telegraaf. Voor zover getuigen hun eerste verklaring pas hebben afgelegd na het zien van één of meer foto's, worden ook deze verklaringen met gepaste behoedzaamheid beschouwd en slechts dan voor het bewijs gebezigd wanneer blijkt dat hetgeen waarover is verklaard ook daadwerkelijk door betrokkene zelf is waargenomen.
5.4 Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kritisch zijn getoetst en dat deze slechts zijn gebruikt voor zover zij zijn verankerd in andere verklaringen dan wel bewijsmiddelen. Een en ander leidt tot de navolgende overwegingen en bevindingen.

6.Algemene uiteenzetting gang van zaken 2 en 3 december 2012

(...)
“Op zondag 2 december 2012 speelde voetbalteam Buitenboys B3 thuis een competitiewedstrijd tegen Nieuw Sloten BI op één van de kunstgrasvelden van het terrein van Buitenboys B3. De wedstrijd, die eindigde in 2-2, werd geleid door scheidsrechter [betrokkene 1]. Hij werd bijgestaan door twee door de teams aangeleverde grensrechters. Namens Buitenboys B3 was dit [slachtoffer]. Tijdens de wedstrijd werd er door spelers van Nieuw Sloten veelvuldig commentaar geleverd op het vlaggen door grensrechter [slachtoffer]. Hierbij werd er op hem gescholden. Na de wedstrijd werd [slachtoffer] omstreeks 12.20 uur aangesproken door een aantal spelers van Nieuw Sloten, waarbij ook een trainer/begeleider van Nieuw Sloten betrokken was. [slachtoffer] werd hierbij geslagen en ten val gebracht, waarna er op hem werd ingeschopt. [slachtoffer] heeft – na te zijn opgekrabbeld - geprobeerd weg te rennen, maar werd kort hierop wederom ten val gebracht. Terwijl hij op de grond lag, werd er opnieuw op hem ingeslagen en ingeschopt. Een van de geweldplegers zegt hier later over dat hij bang was geweest dat [slachtoffer] niet meer zou opstaan, omdat hij zo hard werd geschopt. Hij werd helemaal “kapot geramd.” [slachtoffer] beschermde zich door zijn armen voor zijn hoofd en borst te brengen. Hij huilde.
[slachtoffer] is, nadat omstanders ingrepen, opgestaan. Hij had bloed aan zijn hand en heeft zijn schoen - die hij bij de schermutselingen verloren had - opgezocht en is van het veld gegaan. Hij is, nadat hij is verzorgd aan een wond aan zijn hand in de verzorgkamer van de voetbalclub, met zijn zoon [betrokkene 2] naar huis gegaan. [slachtoffer] heeft nog met een aantal mensen op de club gesproken. Hij maakte na afloop van het incident op hen een geschrokken en aangeslagen indruk." Zijn jas was stuk en de capuchon van zijn jas hing los. Een aantal mensen zag een blauwe dikke wang en iemand zag een dikke lip bij [slachtoffer]. [slachtoffer] klaagde in de verzorgingsruimte op de club over pijn aan zijn schouder. [slachtoffer] is thuis direct op bed gaan liggen. Hij klaagde tegen zijn zoon over behoorlijke pijn aan hoofd en rug. [slachtoffer] is in de loop van de middag weer teruggegaan naar de club en heeft plaatsgenomen in een dug-out.
Rond 15.00 uur die middag, derhalve ongeveer twee en een half uur na het incident, raakte [slachtoffer] - gezeten in de dug-out - onwel. Hij is per ambulance vervoerd naar het Flevoziekenhuis in Almere. Omdat zijn toestand snel verslechterde, is hij overgebracht naar het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein. In dit ziekenhuis werd een beschadiging van de linker wervelslagader, een zogeheten dissectie, vastgesteld. Ten gevolge hiervan was er een bloedophoping ontstaan tussen de beschadigde wandlagen van de wervelslagader. Door deze bloedophoping werd deze wervelslagader afgesloten, waardoor een herseninfarct is ontstaan. Op 3 december 2012 omstreeks 15.00 uur is [slachtoffer] hersendood verklaard en om 17.00 uur is hij komen te overlijden.

7.Rol van de verdachte

Hieronder volgt een feitelijke beschrijving van de rol van verdachte. Ook hier geldt dat de bronnen ten aanzien van de gedragingen van verdachte worden weergegeven in voetnoten. Voor zover deze verklaringen eveneens als bewijsmiddel zullen worden gebruikt, worden zij opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling.
Verdachte was een van de spelers van Nieuw Sloten. Hij was de enige speler zonder rugnummer op zijn shirt en nummer op zijn broek. Hij droeg tijdens de wedstrijd paarse voetbalschoenen. Verdachte had een zogenoemde ‘hanenkam’, met daarbij de zijkanten van zijn hoofd opgeschoren. Nog tijdens de wedstrijd heeft getuige [getuige 10] verdachte over de grensrechter horen zeggen: “Als ik hem niet pak, dan ben ik een kankerjood”. Na de wedstrijd ontstond er een discussie tussen de spelers van Nieuw Sloten en de grensrechter. Verdachte was, aldus medeverdachte [medeverdachte 5] en getuige [getuige 10], bij deze discussie betrokken. Het was volgens [getuige 11] allemaal geschreeuw. Ze lieten hun vuisten zien, aldus [getuige 10], ten hoogte van het gezicht van [slachtoffer]. Ook [getuige 6] ziet dat de spelers die om [slachtoffer] heen stonden hun handen voor het gezicht hielden. Hij zag gelijk dat het niet goed was. De discussie is ontaard in een duwen en trekken, waarbij er werd geslagen en geschopt tegen het gezicht en in de nek van de grensrechter. Verdachte heeft de grensrechter samen met anderen geslagen en geschopt, zo verklaart getuige [getuige 10]. [slachtoffer] is daarbij van achteren neergehaald, waarbij er krachtig op hem is ingetrapt. Vervolgens is de grensrechter weggerend en is hij na een achtervolging waar verdachte actief aan meedeed – opnieuw neergehaald. Vervolgens is er op hem ingetrapt door – onder meer – verdachte. [slachtoffer] werd hierbij aan zijn gezicht, achterhoofd, nek, zij borstkas en rug geraakt.
Verdachte heeft ontkend zich aan het tenlastegelegde schuldig te hebben gemaakt.

8.Bewijsoverwegingen

(…)
8.5
Causaliteit
8.5.1
Toerekening naar redelijkheid als criterium
Met betrekking tot het bewijs van causaliteit wordt vooropgesteld dat naar geldend recht de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de door de verdachte en/of diens medeplegers verrichte gedragingen - te weten het door hen uitgeoefende geweld gericht op [slachtoffer] en diens latere overlijden - dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dat overlijden redelijkerwijs als gevolg van het uitgeoefende geweld aan verdachte kan worden toegerekend. In het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 maart 2013 is de invulling van dit criterium nader verfijnd. De navolgende aangehaalde passages zijn grotendeels ontleend aan dit arrest.
'Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg - en staat dat gevolg dus in condicio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert -, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. In meer uitzonderlijke gevallen kan niet zonder meer worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg. '
De onderhavige zaak zou zo'n uitzonderlijk geval kunnen zijn nu volgens de verdediging niet kan worden uitgesloten dat het intreden van het gevolg (de dood van [slachtoffer]), onafhankelijk van de gedragingen van de verdachte, alleen door een mogelijke genetische aandoening bij [slachtoffer] is veroorzaakt.
Een dergelijke onzekerheid - zo vervolgt laatstgenoemd arrest - 'behoeft niet per se te leiden tot het oordeel dat het gevolg reeds daarom niet meer redelijkerwijs aan (een gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. In eerdere rechtspraak is onder meer beslist dat in dit verband van belang kan zijn in hoeverre de verdachte met zijn gedragingen de kans op het intreden van het gevolg heeft verhoogd (vgl. HR 30 september 2003, LJN AF9666, NJ 2005/69), dat enerzijds bepaald meer moet worden vastgesteld dan dat niet kan worden uitgesloten dat het gevolg door de gedraging is veroorzaakt (vgl. HR 3 juni 2008, LJN BC6907, NJ 2008/343), maar dat anderzijds aan het aannemen van het causaal verband niet in de weg behoeft te staan een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedraging van de verdachte tot het gevolg heeft geleid (vgl. HR 13 juni 2006, LJN AV8535, NJ 2007/48) of dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot het gevolg (vgl. HR 28 november 2006, LJN AZ0247, NJ 2007/49).
Het bovenstaande komt erop neer dat in gevallen als de onderhavige voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste is vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. HR 20 september 2005, LJN AT8303, NJ 2006/86, rov. 3.5). Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.'
8.5.2
Bewijs van causaliteit
Het hof heeft kennis genomen van:
- het door A. Maes, arts en patholoog en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgebrachte sectierapport, gedateerd 6 februari 2013, naar aanleiding van de door haar verrichte sectie op het lichaam van [slachtoffer], alsmede van de processen-verbaal van de verhoren die hebben plaatsgevonden bij de rechter-commissaris op 6 mei 2013 en ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013,
- het door dr. B. Kubat, arts en patholoog en verbonden aan het NFI, uitgebrachte rapport, gedateerd 1 februari 2013, naar aanleiding van door haar verricht neuropathologische onderzoek aan de hersenen alsmede van haar aanvullende rapport, gedateerd 8 maart 2013, naar aanleiding van een tweetal aan haar voorgelegde hypotheses en van de processen-verbaal van de verhoren die hebben plaatsgevonden bij de rechter-commissaris op 3 mei 2013 en ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013,
- het, op verzoek van de verdediging in het kader van een contra-expertise, door prof. dr. CM. Milroy, forensisch patholoog-anatoom te Ottawa (Canada) uitgebrachte rapport, gedateerd 5 mei 2013 en het proces-verbaal van verhoor dat heeft plaatsgevonden ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013,
- het, op verzoek van de verdediging in het kader van een contra-expertise, door prof. dr. W. Jacobs, docent gerechtelijke geneeskunde te Antwerpen, en prof. dr. E. Beuls uitgebrachte rapport, gedateerd 24 mei 2013 alsmede van een door voornoemde Jacobs (ongedateerd) aanvullend rapport en een proces-verbaal van het verhoor van voornoemde Beuls ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013.
Gelet op de inhoud van bovenstaande rapporten en processen-verbaal bestaat er tussen de deskundigen overeenstemming over de doodsoorzaak van [slachtoffer], te weten een bilaterale dissectie van de arteriae vertébrales. Wel verschillen zij van mening over de wijze waarop die dissectie is ontstaan.
De rechtbank heeft in haar vonnis op de navolgende wijze de verschillende standpunten verwoord:
'Kubat, Beuls en Jacobs zijn de mening toegedaan dat het fatale letsel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gewelddadige handelingen op het hoofd, hals en nek van [slachtoffer]. Een andere oorzaak sluiten zij vrijwel uit. Milroy heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel mishandeling de dissectie kan hebben veroorzaakt, het niet uit te sluiten is dat de dissectie niet het gevolg is van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek. Hij verwijst daarbij naar de in zijn opinie abnormale conditie van de arteriae vertébrales van [slachtoffer], te weten segmentale mediolytische arteriopathie (SMA).
Ter terechtzitting (het hof leest: in eerste aanleg) heeft dr. Kubat SMA uitgesloten. Zij stelt dat zij uitgebreider onderzoek heeft gedaan en wel op 23 niveaus in de linker slagader. Zij verklaart in de onmiddellijke nabijheid van de dissectie aangetroffen te hebben: tekenen van verse ontsteking, reactief infiltraat en oedeem. Zij heeft daarover verklaard: "SMA ziet er anders uit, daar zijn geen acute ontstekingsreacties. Ik heb de coupes ook nog voorgelegd aan twee vatenexperts en beiden hebben geen aanwijzingen voor SMA gevonden. Ik sluit SMA uit. " Dr. Kubat heeft voorts nog verklaard dat de vaatwand normaal was en dat de ontsteking in het beschadigde gebied zat.
De deskundige Maes heeft verklaard dat zij bij de sectie geen aanwijzingen heeft gevonden voor de stelling dat bij [slachtoffer] sprake was van onderliggende defecten in de aderen.
Hoewel prof. Beuls aanvankelijk aangaf dat er weliswaar enige tekenen waren die duiden op SMA, maar dat het ook goed zou kunnen dat het een reactie van het lichaam was op de gebeurtenissen, heeft hij zich vervolgens - aangesloten bij de stellige uitsluiting van SMA door dr. Kubat, Hij stelt ter zitting van de rechtbank: "De SMA literatuur is beperkt. Er zijn maar drie gevallen bekend, dat heeft geen waarde. Er zit teveel onzekerheid in de diagnose. Dit komt ook in de literatuur naar voren. (...) SMA is niet overtuigend. Dit zou een uitzonderlijk toeval zijn. (...) Het trauma heeft enkele uren voordien plaatsgevonden. Dit is hoogst uitzonderlijk en het is hoogst onwaarschijnlijk dat de dissectie niet door dat trauma veroorzaakt zou zijn. "
Prof. Milroy heeft ter zitting (het hof leest: in eerste aanleg verklaard dat SMA een ziekte van de slagaders is die zeldzaam is en waarover weinig vakliteratuur bestaat: "Het is zo zeldzaam, ik heb mijn eerste casus pas 5 jaar geleden gezien en ik ben al 20 jaar arts. Dit is de derde zaak voor mij. Het is zo zeldzaam, 1 of 2 op de 100.000 krijgen het en de meesten overlijden niet. " Milroy verwacht op termijn meer duidelijkheid te verkrijgen door genetisch onderzoek, maar dit veld is nog in ontwikkeling. Milroy stelt dat er in dit geval een genetische test moet worden uitgevoerd om zeker te weten dat sprake is van SMA.
Dr. Kubat en prof. Beuls merken verder nog op dat de literatuur omtrent SMA beperkt is, er bestaat alleen casuïstiek die niet bruikbaar is bij het stellen van diagnosen, zo hebben zij verklaard. Zij stellen dat SMA zich in 99% van de gevallen voordoet in de bloedvaten in de buik of in de hersenen. De halsslagader is volgens hen niet één keer beschreven. '
Milroy is - zo leidt het hof uit het bovenstaande af - de enige deskundige die een voorzichtige kanttekening plaatst bij de mogelijke oorzaak van de dissectie ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden: mogelijk leed [slachtoffer] aan een aandoening van de slagaders die segmentale mediolytische arteriopathie (SMA) wordt genoemd. Zijn - nagenoeg niet nader onderbouwde - standpunt reikt niet verder dan dat het niet uit te sluiten is dat de dissectie niet het gevolg is van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek.
Het bovenstaande leidt tot de navolgende conclusies:
Vast kan worden gesteld dat de gedragingen van de verdachten - gezien de aard van de te bewijzen gewelddadigheden, zoals hierboven omschreven - een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg, te weten de dood van [slachtoffer], hebben geleid.
Eveneens kan vast worden gesteld dat de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten naar hun aard en de omstandigheden waaronder zij werden verricht, geschikt zijn om de dood teweeg te brengen en naar algemene ervaringsregels van dien aard zijn dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van de dood.
Met in achtneming van de conclusies van deskundigen Kubat, Beuls en Jacobs, kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de dood van [slachtoffer] worden toegeschreven aan het op hem uitgeoefende geweld. Maes concludeert - nog stelliger - dat de dood is ingetreden als gevolg van het op [slachtoffer] toegepaste geweld. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan voornoemde conclusies.
Bij dit oordeel van het hof wordt ook betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. Aannemelijk is geworden dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid van doodsoorzaak door een genetische aandoening (SMA) bij [slachtoffer], hoogstwaarschijnlijk niet tot de dood heeft geleid. Onder verwijzing naar de rapporterende deskundigen Maes, Kubat, Beuls en Jacobs, wordt tot het oordeel gekomen dat deze door de verdediging geopperde (alternatieve) oorzaak van het overlijden naar juridische maatstaven als dermate onaannemelijk moet worden beschouwd dat deze hoogstwaarschijnlijk niet tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid. Nader genetisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Ook tegen de achtergrond van het gegeven dat Milroy zelf concludeert dat de meeste mensen die lijden aan het hoogst zeldzame SMA - de wetenschap op dit punt staat nog in de kinderschoenen - hieraan niet komen te overlijden, wordt tot het oordeel gekomen dat genetisch onderzoek niet noodzakelijk is. Het onderzoek in eerste aanleg is volledig is geweest.
Naast het bovenstaande dient een eventuele andere alternatieve gang van zaken die tot de dood van [slachtoffer] zou hebben geleid, namelijk het struikelen door [slachtoffer] tijdens de wedstrijd, eveneens als een hoogst onwaarschijnlijke oorzaak van de hand te worden gewezen nu deze val niet meer heeft behelsd dan een struikelpartij waarbij [slachtoffer] onmiddellijk opkrabbelde en doorging met vlaggen, terwijl zijn hoofd de grond niet heeft geraakt. Dit kan dan – gelet ook op hetgeen de deskundigen over deze val hebben verklaard – evenmin aan bewezenverklaring van het causaal verband in de weg staan.
Het hof is van oordeel dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedragingen van verdachte en of zijn medeverdachten, die tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid als hoogst onwaarschijnlijk moet worden beschouwd.
Afrondend wordt tot het oordeel gekomen dat de dood van [slachtoffer] in redelijkheid kan worden toegerekend aan verdachte en zijn mededaders, waarmee het in de onderhavige zaak vereiste causale verband bewezen is. Derhalve kan het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.”
6.
De middelen 2 en 3
6.1.
Het
tweede middelbetoogt dat het Hof ontoereikend heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen standpunt dat de verklaringen van getuige [getuige 10] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Daarbij wordt gesteld dat het Hof bij de beoordeling van het standpunt ten onrechte niet heeft betrokken wat de verdediging te dien aanzien in eerste aanleg heeft aangevoerd. Het
derde middelklaagt dat het Hof heeft nagelaten te responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de verklaringen van getuige [getuige 6] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
6.2.
De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft in hoger beroep plaatsgevonden op de over meer dagen verspreide zitting van 20, 22, 25 en 29 november 2013 en 5 december 2013. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft de voorzitter van het Hof op 22 november 2013 medegedeeld dat “het hof eraan hecht dat de raadsman de verweren die hij wil voeren tijdens de volgende zitting zelf als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren brengt en niet kan volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg of in strafzaken van medeverdachten bij pleidooi naar voren is gebracht”. Op 25 november 2013 pleitte de raadsman overeenkomstig zijn als bijlage 3 aan het proces-verbaal gehechte pleitnota [4] en deelt dan nog ter aanvulling op die pleitnota het volgende mee: “Het is verwarrend wat nu precies de opzet is van het hoger beroep. In het kader van het voortbouwend appel zou toch mogen worden verwacht dat een pleitnota uit eerste aanleg niet nogmaals helemaal dient te worden voorgedragen. Het beleid bij de hoven is nu onderling verschillend.” De voorzitter merkte naar aanleiding hiervan op “dat op de afgelopen zitting duidelijk uiteen is gezet hoe in de onderhavige zaak met het voortbouwend appel zal worden omgegaan en geeft de raadsman mee dat hij een risico neemt.” Hierop antwoordde de raadsman: “Ik ben mij bewust van dat risico. Ik heb de pleitnota van mr. Spong bij me, maar ik ga deze niet voorlezen. Desnoods zullen we bij de Hoge Raad een robbertje vechten.”
6.3.
Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte blijkens diens pleitnota (slechts) het volgende aangevoerd met betrekking tot de in de middelen bedoelde getuigen [getuige 10] en [getuige 6]:

[medeverdachte 1], [getuige 10] en [getuige 6]
Terecht door de rechtbank buiten beschouwing gelaten, nu deze verklaringen of vaag zijn of afkomstig van potentieel belanghebbenden uit het andere kamp. Bovendien sporen de verklaringen van [getuige 10] en [getuige 6] niet met die van [betrokkene 2].” [5]
6.4.
Het Hof heeft twee verklaringen van [getuige 10] voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddelen 22 en 39). In deze verklaringen wijst de getuige de verdachte aan als één van de spelers die op de grensrechter inschopten. De verklaringen van [getuige 6] zijn als bewijsmiddel 32 en 33 voor het bewijs gebezigd. Deze verklaringen geven een beschrijving van de geweldpleging, maar zijn niet belastend voor de verdachte.
6.5.
Het Hof heeft in een “Inleidende beschouwing” uiteengezet hoe het de getuigenverklaringen heeft beoordeeld (zie hiervoor, onder 5.2). Daarnaast heeft het Hof in paragraaf 8 van het bestreden arrest onder het kopje “Betrouwbaarheidsverweren” nog afzonderlijk op bepaalde verweren gereageerd. Met betrekking tot het ten aanzien van getuige [getuige 6] gevoerde verweer houdt deze paragraaf niets in. Wel wordt gereageerd op het verweer voor zover het ten aanzien van getuige [getuige 10] is gevoerd:
“Voor zover de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 10] heeft willen betwisten door te stellen dat deze a) vaag zouden zijn, b) afkomstig zouden zijn van potentieel belanghebbenden uit het andere kamp en c) niet overeen zouden komen met de verklaring van [betrokkene 2], wordt als volgt overwogen.
De verklaringen van [medeverdachte 1] en [getuige 10] – die belastend zijn voor verdachte – worden anders dan de verdediging stelt, geenszins als vaag beschouwd. Beiden benoemen expliciet dat verdachte geweldshandelingen heeft verricht. Dat beiden of één van hen een belang zouden hebben bij een beschuldiging van verdachte, is niet nader onderbouwd en overigens ook niet gebleken. En dat – ten slotte – de verklaringen van deze getuigen niet overeen zouden komen met de verklaringen van [betrokkene 2] berust op een onjuiste lezing. Aangaande de verklaringen van verdachte komen deze verklaringen met elkaar overeen. Gelet hierop worden de verklaringen van [getuige 10] en [medeverdachte 1] – voor zover betwist – betrouwbaar geacht en kunnen deze verklaringen voor het bewijs worden gebezigd.”
6.6.
In de toelichting op het tweede middel wordt betoogd dat het Hof het gevoerde verweer gelet op het karakter van het voortbouwend appel had dienen te bezien in het licht van het in eerste aanleg gevoerde verweer en dus had moeten ingaan op de in eerste aanleg aangedragen argumenten. Dit betoog stuit af op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat wordt niet anders doordat, zoals wordt betoogd, het ingenomen standpunt door de Rechtbank is gevolgd en dat het standpunt in zoverre neerkomt op een verzoek het vonnis “op dit punt te bevestigen”. Het voorgaande brengt mee dat het middel niet kan slagen.
6.7.
In de toelichting op het derde middel wordt gepoogd de stelling ingang te doen vinden dat het Hof het summiere met betrekking tot getuige [getuige 6] gevoerde verweer had moeten aanmerken als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Ik kan de steller van het middel daarin niet volgen, te meer daar, als gezegd, de desbetreffende getuigenverklaringen geen betrekking hebben op de rol van de verdachte.
6.8.
Daarnaast wordt nog een subsidiaire klacht geformuleerd. De verklaring van [getuige 6] zou zijn gedenatureerd, omdat daaruit de volgende zin zou zijn weggelaten: “De 4 jongens [die achter de grensrechter aanrenden] droegen nummers op hun rug want iedere speler had een rugnummer”. Deze verklaring zou ontlastend voor de verdachte zijn omdat die nu juist geen rugnummer droeg. Deze klacht faalt omdat de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Het zou, merk ik daarbij op, pas vreemd zijn geweest als het Hof deze ontlastende verklaring voor het bewijs had gebruikt.
6.9.
Beide middelen falen.
7.
Middel 1
7.1.
Het middel klaagt over de wijze waarop het Hof het door de verdediging gevoerde verweer – inhoudende dat de verklaringen van getuige [betrokkene 2] niet voor het bewijs mochten worden gebruikt – heeft verworpen.
7.2.
Blijkens diens ter zitting in hoger beroep van 20, 22, 25 en 29 november 2013 en 5 december 2013 overgelegde pleitnota heeft mr. J.P. Plasman bij die gelegenheid het volgende aangevoerd met betrekking tot de door [betrokkene 2] afgelegde verklaringen:

De verklaringen van [betrokkene 2]
De verklaringen van [betrokkene 2] voorzover deze [medeverdachte 4] betreffen zijn niet voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te gebruiken of zelfs tot belangrijkste bewijsmiddel te bestempelen. Dit niet omdat [betrokkene 2] opzettelijk onjuist verklaard zou hebben om [medeverdachte 4] te belasten, ik heb daarvoor geen enkele aanwijzing, maar omdat uit zijn verklaringen blijkt dat zijn waarnemingsvermogen dan wel herinneringsvermogen te kort is geschoten en hij zichzelf bij herhaling tegenspreekt. Dat dat zo is zal waarschijnlijk zijn oorzaak vinden in de stressvolle en emotioneel beladen omstandigheden tijdens de mishandeling van zijn vader. Maar bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen mag die oorzaak geen rol spelen, daar gaat het maar om één vraag: zijn die verklaringen voldoende betrouwbaar?
Verklaring van 2 december 2012.
Deze verklaring is direct na het gebeuren afgelegd en uit de verklaring van [betrokkene 2] blijkt - hoe wrang ook achteraf - dat hij niet dacht aan de mogelijkheid van overlijden van zijn vader. Een van de eerste dingen die [betrokkene 2] dan verklaart is dat ze met zijn vieren op zijn vader gingen. Over de tweede fase verklaart [betrokkene 2] dat hij zag dat zijn vader door drie spelers op de grond werd gegooid: “Ik zag dat deze jongens en de trainer op mijn vader begonnen in te slaan en te schoppen”.
En dan: “Hierop zijn we met verschillende jongens naar mijn vader en de drie jongens en trainer gerend om ze uit elkaar te halen.”
En:
“Alle vier (= incl. trainer) hebben ze hem geraakt waar ze konden.” en: “Ik zag dat de vier mannen (= incl. trainer) erg boos waren.” [betrokkene 2] heeft het dus direct na het gebeuren bij herhaling heel concreet over drie jongens en de trainer, samen vier mannen.
Verklaring van 7 december 2012
De niet ondertekende verklaring van 2 december 2012 wordt door [betrokkene 2] doorgelezen en hij blijft bij de inhoud en ondertekent. Daarna verklaart [betrokkene 2] op blz 104 dat er 3 a 4 jongens achter zijn vader aanrenden; hij kan ze in het geheel niet omschrijven, het ging allemaal zo snel.
Dan komt er nog steeds op blz 104 een passage waar [betrokkene 2] heeft specifiek ingaat op de rol van de volwassene, deze heeft het meest getrapt en over de andere heeft hij het daarvoor wel in het algemeen maar niet specifiek per persoon, anders dus dan bij de volwassene.
Verklaring van 13 december 2012
Op 13 december 2012 krijgt [betrokkene 2] foto IMG-9150 te zien en dan valt op het voor client cruciale moment het opnemen uit. Wat nu in het bijzonder opvalt is dat het lijkt alsof [betrokkene 2] niet zozeer uit herinnering verklaart maar gestuurd wordt door hetgeen hij op de foto ziet. Hij wijst de twee spelers aan waarvan hij ziet dat ze op de foto dichtbij zijn vader staan. Ik voeg daar aan toe: lijken (!) te staan. Deze twee spelers hebben volgens [betrokkene 2] krachtig geschopt tegen lichaam en hoofd. Hij heeft gezien dat ze hun been naar achteren haalden. Er is al vaker gezegd dat dat lijkt op de foto te zien te zijn. [betrokkene 2] kan over de twee spelers die verder van zijn vader af staan niet zeggen of zij geschopt hebben, dat heeft hij in ieder geval niet gezien. [betrokkene 2] blijft duidelijk over de rol van de volwassene, die heeft zijn vader het meest geschopt, die heeft zeker vijf tot tien keer geschopt. Nogmaals, zegt hij, ik weet echt zeker dat dit de man is die mijn vader meerdere keren schopte.
Als deze verklaring wordt gehouden naast de aanvankelijke verklaringen van [betrokkene 2] en dan met name die van 2 december 2012, direct na het gebeuren waar hij heel stellig is over drie jongens, later aangevuld tot drie a vier dan dringt zich de gedachte op dat [betrokkene 2] beinvloed wordt door het beeld op de foto.
Getuigenverklaring bij rechter-commissaris
Bij de rechter-commissaris verklaart [betrokkene 2] dat zijn vader is geschopt door twee jongens en de volwassen man. Uit het niets verklaart hij nu dat één schoppende jongen paarse voetbalschoenen aanhad. Dit is opmerkelijk omdat [betrokkene 2] op blz 103 (eerder genoemd) het heeft over twee jongens die mogelijk deze paarse schoenen droegen, een met duidelijk signalement of zijn directe tegenstander. Maar daar zegt hij niet bij dat de jongen met de paarse schoenen één van de twee schoppers is en later verwijst hij ook niet meer naar die paarse schoenen, terwijl hem toch kort na het stuk over de paarse schoenen wordt gevraagd of hij de schoppende jongens kan omschrijven: nee, zegt hij, dat zou ik echt niet weten. Als hij op dat moment had geweten dat de jongen met de paarse schoenen een van de twee schoppers was dan had hij dat daar toch gezegd en toch niet pas bij de rechter-commissaris. Hoe kan dat, dat hij dit pas zo uit het niets bij de rechter-commissaris verklaart?
En opmerkelijk is natuurlijk ook dat hij nimmer over één van de schoppers verklaard heeft dat die een hanekam zou dragen. Bij de rechter-commissaris wordt ook zijn verklaring over de trainer geheel anders, dat zult u al wel in de zaak Dardak gehoord hebben. Hij denkt nu dat de trainer zijn vader niet zo heel vaak heeft geschopt. Hij zegt nu ook dat hij zelf niet heeft kunnen zien of zijn vader op het hoofd is geschopt en dat is ook diametraal anders dan hij eerder heeft verklaard. Wat belangrijk is is dat het niet om een getuige gaat wiens herinnering is weggezakt. Hij verklaart hier positief dat hij het niet heeft kunnen zien!
Dan kom ik terug op het bekijken van foto IMG9150. Wat hier bij de rechter-commissaris gebeurt is nogmaals een sterke aanwijzing voor de mogelijkheid dat [betrokkene 2] bij het zien van de foto en zijn verklaren toen sterk is beïnvloed door wat hij op de foto méénde te zien. Op 2 december werd zijn vader geschopt door 1 volwassene en drie jongens; dat is herhaaldelijk door hem gezegd, op 7december 2012 blijft hij daarbij, later aangevuld tot drie a vier. Bij het zien van de foto zijn het er twee, de anderen heeft hij niets zien doen en nu worden het er weer drie a vier.
Dan zegt hij heel stellig en herhaald dat de jongens die erbij waren - en dat gaat over het schoppen - tweemaal een nummer acht droegen en eenmaal een nummer zes. [betrokkene 2] zegt daarbij dat hij dit volgens hem ook eerder aan de politie heeft verklaard. Dat zijn drie jongens waar cliënt niet bij zit ! Als ik dan terug ga naar zijn eerste verklaring waar het heel stellig over drie schoppende jongens gaat dan moet de conclusie zijn dat uit de verklaringen van [betrokkene 2] niet kan worden afgeleid dat hij cliënt heeft zien schoppen. De conclusie moet tevens zijn dat [betrokkene 2] op cruciale onderdelen zeer tegenstrijdig heeft verklaard:
- het aantal jongens dat zijn vader heeft belaagd in de tweede fase
- de rol van de trainer
- zeer vaak tegen het hoofd/gezicht geschopt, later dat hij dat niet heeft gezien
Ook hetgeen hiervoor is gezegd over schoppen in het gezicht geeft te denken. [betrokkene 2] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij dat niet gezien heeft maar bij de politie heeft hij dat wel gezien; daar verwijst hij echter direct na zijn waarneming van het gezicht van zijn vader in het mortuarium wat kan duiden op beïnvloeding door de waarneming in het mortuarium.” [6]
7.3.
Het Hof heeft de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs gebezigd. Voor zover die verklaringen de verdachte betreffen, gaat het om de bewijsmiddelen 38 en 41. Bewijsmiddel 41 betreft daarbij de op 13 december 2012 tegenover de politie afgelegde verklaring waarin de getuige de verdachte op foto IMG_9150 aanwijst als één van de spelers die op zijn vader intrapten. Gevraagd naar wat hij over de foto kan vertellen, antwoordt de getuige:
“Dit is het moment dat mijn vader door spelers en de trainer geschopt wordt zoals ik al heb verklaard. Ik zie twee spelers vlakbij staan, ik wijs u nu deze spelers aan, deze spelers van Nieuw Sloten schoppen mijn vader krachtig tegen het lichaam en het hoofd. Ik heb gezien dat ze hun been naar achteren haalden en uithaalden alsof ze tegen een bal schopten. Ik geef op de foto aan wie ik zie. Ik zie dat u erbij schrijft wat ik net gezegd heb.”
Het Hof begrijpt vervolgens op grond van de andere bewijsmiddelen dat de aangewezen persoon de verdachte betreft. Bewijsmiddel 38 houdt als op 2 mei 2013 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring in dat op het slachtoffer werd ingetrapt en dat dit werd gedaan door onder anderen “een jongen met paarse voetbalschoenen”, waarbij het Hof begrijpt dat daarmee de verdachte wordt bedoeld.
7.4.
Zoals gezegd heeft het hof een algemene bewijsoverweging gewijd aan de bewijswaardering. Daarnaast heeft het Hof naar aanleiding van het gevoerde verweer in het bestreden arrest nog het volgende overwogen:
“8.2 Betrouwbaarheidsverweren
Gevoerde betrouwbaarheidsverweren worden slechts besproken indien en voor zover de verklaringen waarop die verweren zien, daadwerkelijk voor het bewijs worden gebezigd.
De voor het bewijs gebruikte verklaringen vinden steun in andere verklaringen en worden - met inachtneming van al hetgeen hierover is gesteld in paragraaf 5 - betrouwbaar geacht. Voor zover deze door de verdediging op uitdrukkelijke wijze nader zijn betwist, wordt hierover nog het navolgende overwogen.
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 2] betwist door te wijzen op de verschillen tussen de vier door hem afgelegde verklaringen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.
[betrokkene 2] heeft op 2 december 2012, 7 december 2012, 13 december 2012 en 2 mei 2013 een verklaring afgelegd. Bij lezing van deze verklaringen stuit ook het hof op verschillen. [betrokkene 2] komt evenwel op geen enkel moment op wezenlijke onderdelen van zijn verklaring terug. De hoofdlijn is en blijft telkens dezelfde. De verschillen die bestaan tussen de opeenvolgende door hem afgelegde verklaringen betreffen ondergeschikte punten, die zich onder meer laten verklaren door invloed van tijdsverloop op het menselijk geheugen. Ook wordt in de ene verklaring ingezoomd op aspecten die in andere verklaringen meer op de achtergrond blijven. Dit brengt aldus verklaarbare verschillen teweeg. [betrokkene 2] heeft de gebeurtenissen van zeer dichtbij waargenomen. In zijn waarnemingen differentieert hij uitdrukkelijk wanneer hij het over spelers van Nieuw Sloten heeft die al dan niet hebben geschopt. Hij scheert de belagers van zijn vader in het geheel niet over één kam, maar benoemt specifiek de rol van bepaalde personen, waaronder die van verdachte. De verklaringen van deze getuige ten aanzien van de gedragingen van verdachte worden derhalve betrouwbaar geacht. Hierbij wordt wellicht ten overvloede - nogmaals opgemerkt dat de verklaringen van hem slechts worden gebruikt, voor zover deze steun vinden in andere bewijsmiddelen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.”
7.5.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het argument van het Hof dat de verschillen niet wezenlijk zijn en dat de getuige niet terugkomt op wezenlijke onderdelen van zijn verklaring, geen recht doet aan het verweer dat de getuige pas maanden na dato opeens verklaart dat de speler die hij zag trappen, paarse schoenen droeg. Aangevoerd wordt ook dat het Hof geheel voorbijgaat aan het verweer dat de getuige door de getoonde foto kan zijn beïnvloed.
7.6.
Het middel heeft hier zeker een punt. De overweging van het Hof lijkt een enigszins aangepaste standaardoverweging te zijn, waarin mede wordt gereageerd op verweren die in de zaken van de medeverdachten zijn gevoerd. Aan het verweer dat in de onderhavige zaak is voorgedragen, wordt in elk geval goeddeels voorbijgegaan, terwijl dat verweer naar mijn oordeel serieuze twijfel oproept aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het punt daarbij is – wat bewijsmiddel 41 betreft – niet dat de door de getuige aangewezen speler de verdachte niet is (dat hij dat wel is, is in confesso), maar dat sterk de vraag is of die aanwijzing berust op een herkenning van de desbetreffende speler. De verklaring zoals die voor het bewijs is gebruikt, wekt de indruk dat de getuige de speler in kwestie aanwijst omdat die hij die op de foto dichtbij ziet staan. De vraag die daar nog bijkomt, is of de getuige wel kon zien dat de speler die hij aanwees, dichtbij stond. Dit vanwege de vertekening van het perspectief die de waarschijnlijk met een telelens gemaakte foto aankleeft. [7] Wat de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring betreft, lijkt het mij met de verdediging twijfelachtig of de gerelateerde paarse schoenen het product van een (“hervonden”) herinnering kunnen zijn die terug te voeren is op waarnemingen die door de getuige op de dag van de wedstrijd zijn gedaan.
7.7.
Als de verklaringen van [betrokkene 2] zo’n beetje het enige bewijs tegen de verdachte was, had ik niet geaarzeld om tot vernietiging te concluderen. Nu dat niet het geval is, heb ik wel even geaarzeld, maar ben ik uiteindelijk tot de slotsom gekomen dat er onvoldoende reden is om te casseren. Wat het Hof verzuimt te expliciteren, is dat [betrokkene 2], die als speler van Buitenboys aan de wedstrijd deelnam, zelf ook op de foto staat afgebeeld. [8] Hij bezag het gebeuren dus niet van een afstand, maar stond er met zijn neus bovenop. Het zou dus kunnen zijn dat de getuige de op de foto afgebeelde situatie herkent en op grond daarvan verklaart dat de verdachte dichtbij stond en zijn vader schopte. [9] Belangrijker evenwel acht ik het volgende. Het Hof heeft een en andermaal tot uitdrukking gebracht dat de belangrijkste toetssteen die het bij de waardering van de verschillende verklaringen hanteerde, was of die verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen. Die steun is hier aanwezig. De betrokkenheid van de verdachte blijkt ook uit (1) de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 19), die inhoudt dat de grensrechter werd geslagen en geschopt door onder anderen de verdachte; (2) de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5] (bewijsmiddel 27), die inhoudt dat hij na afloop van de wedstrijd drie spelers op de grensrechter zag af lopen, onder wie de verdachte en (3) de verklaringen van [getuige 10] (bewijsmiddelen 25 en 39), aan de betrouwbaarheid waarvan in cassatie niet kan worden getwijfeld. Ik merk daarbij op dat deze getuige bij de politie verklaart (bewijsmiddel 25) dat hij de speler met de hanenkam vijf minuten voor het laatste fluitsignaal had horen zeggen: “Als ik hem [de grensrechter] niet pak, ben ik een kankerjood”, dat diezelfde speler bij de spelers was die na afloop van de wedstrijd op de grensrechter toeliepen en dat deze speler ook bij de spelers was die de grensrechter vervolgens sloegen en dat daarna drie spelers achter de grensrechter aanrenden waar de jongen met de hanenkam ook bij was. Bij de rechter-commissaris verklaart deze getuige later, als hem foto IMG_9150 wordt getoond, dat hij de jongen met de hanenkam heeft zien schoppen. De gewraakte verklaringen van [betrokkene 2] zijn aldus vrij stevig verankerd in de andere bewijsmiddelen. Nu dat voor het Hof het belangrijkste argument is geweest [10] , kan zijn bewijsoordeel in cassatie, gelet op de vrijheid die de feitenrechter op dit punt wordt gelaten, niet onbegrijpelijk genoemd worden.
7.8.
Het middel faalt.
8.
Middel 4
8.1.
Het vierde middel klaagt over de motivering van de onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van doodslag en meer in het bijzonder over de bewijsmotivering met betrekking tot het opzet. Geklaagd wordt dat het onbegrijpelijk is dat het Hof van algemene bekendheid heeft geacht dat voetbalschoenen noppen hebben. Dit omdat gespeeld werd op een kunstgrasveld, zoals het Hof heeft vastgesteld. [11]
8.2.
De steller van het middel verwijst in dit verband naar de voor het bewijs (van de feiten 1 en 2) gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1) en naar die van enkele medeverdachten. In die verklaringen wordt gerefereerd aan het schoeisel dat gedragen werd. Het Hof heeft daar steeds (in elke verklaring) aan toegevoegd: “het is een feit van algemene bekendheid dat voetbalschoenen die op het veld worden gebruikt noppen bevatten.” Het belang dat het Hof aan deze toevoegingen hechtte, blijkt uit de overwegingen die het Hof in paragraaf 8.3.3 aan het bewijs van het opzet wijdde. De desbetreffende overweging luidt als volgt:
“Verdachte en medeverdachten hebben zich na afloop van de wedstrijd tezamen op grensrechter [slachtoffer] gestort en hebben met geschoeide voet vol tegen het lichaam van [slachtoffer] geschopt, op het moment dat hij onbeschermd op de grond lag. [slachtoffer] werd al liggend tegen het lichaam waaronder zijn hoofd, hals en nek geschopt. Het schoeisel dat verdachte droeg - voetbalschoenen met noppen - is vervaardigd met als doel (onder meer) om zo hard mogelijk tegen een bal te kunnen trappen. Dit wordt naast de hardheid van het schoenmateriaal zelf, met name bewerkstelligd door de aanwezigheid van noppen. Zij voorzien het standbeen van grip op het moment dat er uitgehaald wordt, waardoor een trap met kracht kan worden geplaatst. Deze noppen kunnen daarnaast, wanneer ze het lichaam van een ander treffen, dusdanig letsel toebrengen dat het niet alleen gebruikelijk maar zelfs verplicht is om tijdens een voetbalwedstrijd ter bescherming van de benen scheenbescherming te dragen.”
Hoewel het Hof in deze overweging alleen spreekt over het schoeisel “dat verdachte droeg”, neem ik aan dat het Hof het oog had op het schoeisel van alle verdachten. Dit vanwege de medepleeg-constructie en omdat het Hof de bedoelde toevoegingen niet voor niets zal hebben aangebracht.
8.3.
Volgens de steller van het middel kan op een kunstgrasveld ook met voetbalschoenen zonder noppen worden gespeeld en wordt op een dergelijk veld ook daadwerkelijk zonder noppen gespeeld. Waarop de steller van het middel deze stelling baseert, is mij niet duidelijk. Van een feit van algemene bekendheid lijkt mij geen sprake. Een klein uitstapje op internet leert dat er weliswaar in toenemende mate wordt gespeeld met voetbalschoenen die speciaal voor kunstgrasvelden zijn ontwikkeld, maar schoenen zonder noppen ben ik niet tegengekomen. Wel is het zo dat de noppen van kunstgrasschoenen anders zijn geplaatst en doorgaans van ander (minder hard) materiaal zijn vervaardigd, maar dat neemt niet weg dat ook deze voetbalschoenen noppen hebben. In dit verband wijs ik erop dat bewijsmiddel 11 als verklaring van getuige Van Gelderen inhoudt dat de speler met rugnummer 8 met de onderkant van zijn schoen – “dus met de noppen van zijn voetbalschoen” – vol op het hoofd van het slachtoffer trapte. Het is zo gezien niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat hetgeen – volgens wat van algemene bekendheid mag worden geacht – in het algemeen geldt, in het onderhavige geval ook gold.
8.4.
Ten overvloede merk ik nog op dat ook kunstgrasschoenen zijn ontwikkeld met het doel om maximale grip op het veld te hebben. In zoverre is dus van geen enkel belang met welke type schoen werd gespeeld. Alleen voor zover het gaat om het met de onderkant van de schoen trappen, kan het enig verschil maken of dat met een gewone voetbalschoen dan wel met een speciale schoen voor een kunstgrasveld werd gedaan. Maar niet gezegd is dat het Hof dat verschil heeft veronachtzaamd.
8.5.
Het middel faalt.
9.
Middel 7
9.1.
Het middel klaagt over de motivering van het Hof ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde causaal verband. Het middel valt in twee klachten uiteen.
9.2.
Ik stel daarbij het volgende voorop. In de toelichting op het middel wordt gesproken van een door de (gezamenlijke) verdediging gedaan verzoek tot genetisch onderzoek. Dat van een dergelijk verzoek sprake is, mist feitelijke grondslag. Zoals hiervoor, onder 6.2, is uiteengezet, wenste het Hof niet te weten van raadslieden die op elkaars verweren meeliften. Hetzelfde zal gegolden hebben voor verzoeken. Hoe dan ook, uit de pleitnota van de raadsman, noch anderszins blijkt dat de verdediging een dergelijk verzoek heeft gedaan, terwijl evenmin blijkt dat het Hof erin heeft bewilligd dat de verdediging geacht werd een dergelijk (in een zaak van een medeverdachte gedaan) verzoek ook in de zaak van de verdachte te hebben gedaan.
9.3.
Veel hoeft dat voor de beoordeling van het middel niet uit te maken. Het Hof heeft zich ook in de zaak van de verdachte uitgesproken over de noodzaak van genetisch onderzoek, zodat de verdachte over de begrijpelijkheid van dat oordeel kan klagen. Meer in het algemeen geldt dat over gebreken in de bewijsmotivering ook geklaagd kan worden als op het desbetreffende punt geen verweer is gevoerd. Dat de verdediging met betrekking tot de causaliteit geen enkel verweer heeft gevoerd, staat aan de beoordeling van het middel dus niet in de weg.
9.4.
De eerste klacht houdt in dat onbegrijpelijk is dat het Hof nader genetisch onderzoek niet noodzakelijk heeft geacht. Voor het gemak geef ik de desbetreffende overweging van het Hof – die deel uitmaakt van de onder 5.2 weergegeven overwegingen met betrekking tot de causaliteit – hier nogmaals weer:
“Nader genetisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Ook tegen de achtergrond van het gegeven dat Milroy zelf concludeert dat de meeste mensen die lijden aan het hoogst zeldzame SMA - de wetenschap op dit punt staat nog in de kinderschoenen - hieraan niet komen te overlijden, wordt tot het oordeel gekomen dat genetisch onderzoek niet noodzakelijk is. Het onderzoek in eerste aanleg is volledig is geweest.”
9.5.
In de toelichting op het middel wordt – afgezien van hetgeen met betrekking tot het “gezamenlijke verzoek” wordt aangevoerd, waaraan voorbijgegaan moet worden – enkel gesteld dat het Hof zich bij zijn oordeel “de vraag [had] moeten stellen of het causaliteit op een andere wijze zou worden beoordeeld indien die genetische afwijking wel degelijk uit dat erfelijkheidsonderzoek zou blijken”. Als ik het goed begrijp, wordt hier bedoeld dat het Hof in zijn oordeel over de noodzakelijkheid van het bedoelde onderzoek had moeten betrekken of en zo ja, in hoeverre een voor de verdediging positieve uitkomst van het onderzoek relevant is voor de vraag of de dood van de grensrechter aan het uitgeoefende geweld kan worden toegerekend. Ik zal de juistheid daarvan niet ontkennen. Voor zover evenwel geïmpliceerd wil zijn dat het Hof zulks heeft nagelaten, mist de klacht feitelijke grondslag. Ik merk daarbij in de eerste plaats op dat dr. Kubat ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat SMA zich in 99% van de gevallen voordoet in de bloedvaten in de buik of in de hersenen en dat de halsslagader in de literatuur niet één keer is beschreven. [12] Daaruit kan worden afgeleid dat, ook als zou komen vast te staan dat het slachtoffer een genetische aanleg had voor SMA, daarmee bepaald niet is gezegd dat de halsslagaders SMA vertoonden. Ik merk in de tweede plaats op dat, als vast zou staan dat sprake was van SMA in de halsslagaders, daarmee niet is gezegd dat de dood niet aan het uitgeoefende geweld kan worden toegerekend. Met zijn vaststelling dat de meeste mensen die aan SMA lijden, daaraan niet overlijden, heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat SMA niet snel tot een spontane dissectie leidt. De kans dat de dubbele dissectie spontaan is opgetreden en niet veroorzaakt is door het kort voor het overlijden uitgeoefende geweld, is daardoor op voorhand weinig waarschijnlijk te achten. [13] De relevantie van de (mogelijke) uitkomst van het onderzoek heeft dus wel degelijk een rol gespeeld bij het oordeel van het Hof.
9.6.
De tweede klacht houdt in dat onbegrijpelijk is dat het Hof overweegt dat prof. Milroy “een voorzichtige kanttekening” heeft geplaatst bij de geweldsinwerking als oorzaak van de dissectie. Ik geef weer voor het gemak de desbetreffende overweging nogmaals weer.
“Milroy is - zo leidt het hof uit het bovenstaande af - de enige deskundige die een voorzichtige kanttekening plaatst bij de mogelijke oorzaak van de dissectie ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden: mogelijk leed [slachtoffer] aan een aandoening van de slagaders die segmentale mediolytische arteriopathie (SMA) wordt genoemd. Zijn - nagenoeg niet nader onderbouwde - standpunt reikt niet verder dan dat het niet uit te sluiten is dat de dissectie niet het gevolg is van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek.”
9.7.
In de toelichting op het middel wordt als ik het goed begrijp aangevoerd dat de kwalificatie “voorzichtig” onbegrijpelijk is omdat prof. Milroy ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij de coupes aan zijn vaatexpert (dr. Veinot) heeft laten zien, die onmiddellijk zei dat het SMA was. Die stelligheid laat zich, zo meen ik te mogen begrijpen, moeilijk met bedoelde kwalificatie rijmen.
9.8.
Naar mijn mening berust deze klacht op een onjuiste lezing van de bedoelde overweging. Prof. Milroy mag dan vrij stellig zijn geweest over de aanwezigheid van SMA, maar toonde zich voorzichtig als het ging om de vraag of de dissectie spontaan was ontstaan en dus niet mede het gevolg was van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek. [14] Dat is wat het Hof hier tot uitdrukking brengt. Ik kan daarbij niet nalaten op te merken dat bij de stelligheid van prof. Milroy als het om de diagnose SMA gaat, de kanttekening valt te plaatsen dat prof. Milroy ter zitting in eerste aanleg zelf verklaarde dat een genetisch onderzoek een vereiste is en bovendien dat er testen moeten worden gedaan op de aders door het hele lichaam. [15] Zo zeker van zijn zaak was prof. Milroy dus kennelijk ook weer niet. Ik merk daarbij op dat dr. Kubai verklaarde dat prof. Milroy alleen de coupes had gezien, terwijl zij de linker slagader op 23 niveaus had bekeken [16] en dus tot op zekere hoogte had voldaan aan de eis van het testen van de aders door het hele lichaam. Dr. Kubat verklaarde daarbij dat alleen in het beschadigde gebied een ontsteking was te zien en dat de vaatwand verder volstrekt normaal was. [17] Als daarbij in aanmerking wordt genomen (1) dat uit de literatuur blijkt dat er “teveel onzekerheid” in de diagnose is en dat terughoudendheid bij het stellen van de diagnose geboden is, zoals dr. Kubat en prof. Beuls verklaarden [18] , (2) dat ook voor prof. Milroy gold dat diens praktische ervaring met het diagnosticeren van SMA beperkt was en (3) dat diens oordeel, zoals het Hof overwoog, niet nader was onderbouwd, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het Hof minder gewicht toekende aan de stelligheid van prof. Milroy dan de verdediging graag had gezien.
9.9.
Het middel faalt.
10.
Middel 5
10.1.
Het middel heeft betrekking op de geheel of gedeeltelijk toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. De steller van het middel betoogt dat de verdediging zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk moesten worden verklaard in hun vordering. Het Hof zou onvoldoende gemotiveerd aan dit verweer zijn voorbijgegaan.
10.2.
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdediging met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen niet meer dan het volgende aangevoerd:
“Subsidiair verzoek ik u de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren wegens onevenredige belasting van dit strafproces; cliënt betwist daarnaast de vordering en ook op dit punt sluit ik mij aan bij wat in de zaken van de medeverdachten naar voren is gebracht.” [19]
10.3.
Daarmee is niet iets aangevoerd wat het Hof noopte tot een nadere motivering van zijn oordeel. Ten overvloede merk ik op dat het Hof het gestelde heel wel heeft kunnen verstaan als enkel betrekking hebbend op de door [benadeelde partij] gevorderde vergoeding van kosten voor gederfd levensonderhoud. Tevens merk ik op dat het Hof deze benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering.
10.4.
Het middel faalt.
11.
Middel 6
11.1.
Het zesde middel klaagt over de (motivering van de) beslissing van het Hof op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], voor zover die betrekking heeft op de kosten van de overlijdensschadeberekening.
11.2.
Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van de bedoelde kosten geen verweer gevoerd. Het Hof heeft het door [benadeelde partij] gevorderde bedrag ter zake van de overlijdensschadeberekening (€ 2.831,40) toegewezen. Daartoe overwoog het Hof het volgende:
“Ten aanzien van de kosten schadeberekening:
De kosten van de overlijdensschadeberekening hangen onder meer samen met de toe te wijzen vorderingen terzake het verlies van levensonderhoud van de kinderen. Aannemelijk is dat [benadeelde partij] onderhavige kosten ten behoeve van zichzelf en haar kinderen heeft gemaakt. Op grond van art. 6:96 lid 2 sub b BW Pro vormen deze kosten in het buitengerechtelijke traject schade wanneer de kosten als redelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Inschakeling van voornoemd bureau wordt in casu zonder meer redelijk geacht bij overlijdensschade terwijl de in rekening gebrachte kosten ook redelijk zijn te achten. Niet valt in te zien dat wanneer in rechte kosten moeten worden gemaakt om de omvang van de vordering te berekenen, deze kosten dan wel voor rekening van [benadeelde partij] zouden moeten blijven. Art. 237 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering biedt in zoverre materieel voldoende grondslag voor vergoeding van de onderhavige kosten. Ten slotte overweegt het hof, voor zover het de gevorderde kosten terzake verlies levensonderhoud van [benadeelde partij] zelf betreft, dat een niet-ontvankelijkverklaring op zichzelf een toewijzing van dit deel van de vordering evenmin in de weg staat.”
11.3.
Het middel betoogt dat deze motivering onbegrijpelijk is, omdat het Hof de bedoelde kosten enerzijds aanmerkt als kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 sub b BW Pro, maar anderzijds overweegt dat art. 237 Rv Pro grondslag biedt voor vergoeding van de schade, hetgeen zou impliceren dat het hof de bedoelde kosten als proceskosten heeft aangemerkt. Daarbij wordt gewezen op art. 241 Rv Pro, dat bepaalt dat ten aanzien van kosten die als proceskosten plegen te worden aangemerkt, geen vergoeding op grond van art. 6:96 lid 2 onder Pro b en c BW kan worden toegekend en dat dan alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Hetzelfde valt te lezen in art. 6:96 lid 3 BW Pro.
11.4.
Wat de verdachte met deze klacht denkt te bereiken, wordt in de toelichting op het middel niet erg duidelijk gemaakt. Voor zover enkel is bedoeld te klagen over de begrijpelijkheid van de motivering, is van een middel van cassatie geen sprake.
11.5.
Het Hof heeft in de bestreden uitspraak de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten telkens begroot op nihil. Gelet daarop mist de in het cassatiemiddel betrokken stelling dat het Hof de kosten van de overlijdensschadeberekening kennelijk als proceskosten heeft aangemerkt, feitelijke grondslag. Wat het Hof in de gewraakte overweging, waarin gesteld wordt dat art. 237 Rv Pro “materieel” voldoende grondslag voor vergoeding biedt, kennelijk tot uitdrukking bedoelde te brengen, is dat de – ook door de steller van het middel aangehangen – opvatting dat het enkele feit dat de bedoelde kosten met het oog op (dan wel tijdens) het onderhavige strafproces zijn gemaakt, meebrengt dat geen sprake is van buitengerechtelijke kosten die op basis van art. 6:96 lid 2 sub b BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen, onjuist is en dat, zo dit anders zou zijn, art. 237 Rv Pro een grondslag voor vergoeding biedt. Anders gezegd: het is gezien de wettelijke regeling het één of het ander (en niet: het één noch het ander).
11.6.
Het middel faalt.
12.
Middel van de benadeelde partij
12.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor zover die betrekking heeft op inkomstenderving ter zake van levensonderhoud.
12.2.
[benadeelde partij] is de ex-echtgenote van het slachtoffer met wie zij op het moment dat hij overleed onder een dak woonde. Zij heeft in dit strafproces de volgende bedragen gevorderd: een bedrag van € 12.874,85 voor uitvaartkosten; een bedrag van € 2.831,40 voor de overlijdensschadeberekening; een bedrag van € 211.467,- voor verlies van levensonderhoud en een bedrag van € 25.000,- voor immateriële schade.
12.3.
Ter zitting in hoger beroep van 22 november 2013 heeft de raadsman van de benadeelde partijen alle vorderingen toegelicht. Dat blijkt uit de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota van mr. Moszkowicz. [20] De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij] gevorderd dat haar vordering hoofdelijk moest worden toegewezen tot de bedragen van € 12.874,85 (uitvaartkosten) en € 2.831,40 (kosten schadeberekening). De advocaat-generaal vorderde ten aanzien van de overige posten dat [benadeelde partij] niet-ontvankelijk zou worden verklaard in haar vordering. Zoals ik bij de bespreking van de namens verdachte ingediende middelen 5 en 6 heb opgemerkt, heeft de raadsman van verdachte ter zitting in hoger beroep geen verweer gevoerd tegen de vordering van [benadeelde partij], anders dan dat “de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering vanwege een onevenredige belasting van het strafproces” en daarnaast dat verdachte de vordering betwist. [21]
12.4.
Het Hof heeft de door [benadeelde partij] gevorderde bedragen voor uitvaartkosten (€ 12.874,85) en de overlijdensschadeberekening (€ 2.831,40) toegewezen. Voor het overige (dat zijn de posten: verlies van levensonderhoud en de vergoeding van immateriële schade) heeft het Hof [benadeelde partij] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Daartoe overwoog het Hof ten aanzien van de gevorderde post “verlies van levensonderhoud” het volgende in het bestreden arrest:
“Voor wat betreft de vordering terzake het verlies aan kosten van levensonderhoud van [benadeelde partij] ligt aan de vordering eveneens bovengenoemde overlijdensschadeberekening ten grondslag [gerefereerd wordt aan de overlijdensschadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade, met bijlagen; toevoeging A-G]. Dit gedeelte van de vordering leent zich echter niet voor afdoening binnen het kader van het strafgeding. Onder meer het gegeven dat een echtscheiding heeft plaatsgevonden terwijl partijen in dezelfde gezinssituatie zijn blijven wonen, dient met het oog op de omvang van het schadebedrag binnen het civielrechtelijk kader te worden beoordeeld. Zo is niet aanstonds duidelijk over welk aantal levensjaren de inkomstenderving zou moeten worden berekend. Behandeling van voornoemd gedeelte van de vordering van [benadeelde partij] zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.”
12.5.
Op grond van art. 361, derde lid, Sv (jo art. 415 Sv Pro) kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het Hof heeft dus de juiste maatstaf aangelegd. Daarover klaagt het middel ook niet. Wel betoogt het middel dat ’s Hofs overweging – dat niet duidelijk is over welk aantal levensjaren de inkomstenderving zou moeten worden berekend – onbegrijpelijk is.
12.6.
Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Daarbij toetst de Hoge Raad terughoudend. [22] In de onderhavige zaak heeft het Hof overwogen dat [benadeelde partij] gescheiden was van het slachtoffer maar dat zij wel onder hetzelfde dak woonden. Tegen deze achtergrond was het voor het Hof niet duidelijk over hoeveel jaren het de inkomstenderving van [benadeelde partij] moest berekenen. Daardoor zou de behandeling van dit gedeelte van de vordering een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dat oordeel is – mede in het licht van hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd – geenszins onbegrijpelijk.
12.7.
Het middel faalt.
13. De namens de verdachte aangevoerde middelen falen. Zij kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het namens de benadeelde partij ingediende middel faalt evenzeer en kan ook worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 7] (14/00096), [medeverdachte 2] (14/00111), [medeverdachte 3] (14/00126), [medeverdachte 5] (14/00289), [medeverdachte 1] (14/00110) en [medeverdachte 6] (14/00408). In al die andere zaken zal ik ook vandaag concluderen.
2.Het betreft hier één cassatieschriftuur die in alle zeven samenhangende zaken (zie de vorige voetnoot) tegelijk is ingediend.
3.De voetnoten laat ik omwille van de leesbaarheid achterwege.
4.Aan het bedoelde proces-verbaal is een verminkte versie van de pleitnota gehecht. Namens mij is een complete versie van de pleitnota bij het Hof opgevraagd. Aan dat verzoek heeft het Hof gevolg gegeven.
5.Dit blijkt uit de laatste pagina van de pleitnota van mr. Plasman, zoals die aan het proces-verbaal van de in november en december 2013 gehouden zittingen in hoger beroep is gehecht.
6.In de desbetreffende pleitnota ontbreekt een paginanummering, maar het hier geciteerde gedeelte staat op p. 4 t/m 6 van die pleitnota.
7.In zijn algemene bewijsoverweging geeft het Hof zelf aan dat de foto’s met grote terughoudendheid moeten worden geïnterpreteerd, onder meer “ten aanzien van de exacte onderlinge afstanden tussen de betrokkenen. Dit geldt nog sterker voor die foto's die zijn genomen met gebruikmaking van een telelens”. In zijn pleitnota heeft de raadsman daar ten aanzien van foto IMG_9150 expliciet op gewezen: “Uit de foto kan niet worden afgeleid hoe groot de onderlinge afstanden waren, althans niet in de diepte”. Ik merk daarbij op dat deze foto geïnsereerd is in het proces-verbaal van de terechtzitting (zie p. 8) en inderdaad een bedrieglijke vertekening van de afstand in de diepte te zien geeft. De middencirkel lijkt direct achter de afrastering te liggen. De speler die volgens de voorzitter van het Hof de verdachte is en die door verschillende getuigen is aangewezen, staat met zijn rug naar de lens, terwijl zijn voeten achter de boarding schuil gaan. Dat maakt het nog moeilijker om de onderlinge afstand te zien.
8.Dit blijkt onder meer uit p. 8 van het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling van de zaak van medeverdachte [medeverdachte 6], van welk stuk de Hoge Raad ambtshalve kennis kan nemen. In het arrest in die zaak stelt het Hof op p. 7 vast dat [betrokkene 2] heeft gepoogd zijn vader te ontzetten door diens belagers weg te duwen.
9.De foto geeft het moment weer waarop [medeverdachte 2], één van de belagers, door de keeper van Buitenboys, omver wordt geduwd. De foto lijkt genomen vlak vóór het moment waarop de toesnellende [betrokkene 2] zich in de strijd mengt.
10.Dit wordt geïllustreerd door het feit dat [medeverdachte 6], de andere speler die door [betrokkene 2] werd aangewezen, door het Hof is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. In diens zaak was er minder steunbewijs en oordeelde het Hof dat de verklaring van [betrokkene 2] “onvoldoende concreet” was (zie p. 13 van het desbetreffende arrest).
11.Zie p. 5 van het bestreden arrest waar onder het kopje “6 Algemene uiteenzetting gang van zaken 2 en 3 december 2012” wordt vermeld: “Op zondag 2 december 2012 speelde voetbalteam Buitenboys B3 thuis een competitiewedstrijd tegen Nieuw Sloten B1 op één van de kunstgrasvelden van het terrein van Buitenboys B3.
12.Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 29 mei 2013, p. 5.
13.Zie onder meer HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0607, waarin het slachtoffer, van wie vaststond dat hij hartklachten had, overleed ten gevolge van hartritmestoornissen die werden opgewekt door de hevige emotie die de overval teweegbracht. Aan de redelijke toerekening stond niet in de weg dat het slachtoffer aan hartklachten leed.
14.Het rapport van prof. Milroy, dat zich bij de stukken van het geding bevindt, vermeldt dat er bij het slachtoffer “een verhoogd risico voor dissectie van de arteriae vertebrales [bestond], zowel spontaan als door licht of meer ernstig trauma” en dat daardoor “andere voorzaken dan uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek niet worden uitgesloten”.
15.Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 29 mei 2013, p. 7.
16.Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 29 mei 2013, p. 5.
17.Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 29 mei 2013, p. 5 en 6.
18.Zie het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 29 mei 2013, p. 6 en 7.
19.Zie laatste pagina van de pleitnota van mr. Plasman, zoals die aan het proces-verbaal van de zittingen van november en december 2013 in hoger beroep is gehecht.
20.Zie p. 3 t/m 7 van die pleitnota voor wat betreft de toelichting op de vordering van [benadeelde partij].
21.Zie de laatste pagina van de pleitnota van mr. Plasman, zoals die aan het proces-verbaal van de zittingen van 20, 22, 25 en 29 november 2013 en 5 december 2013 is gehecht.
22.Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:HR:2014:3472 en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751