ECLI:NL:PHR:2015:137

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2015
Publicatiedatum
3 maart 2015
Zaaknummer
14/00269
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij beroep in zaak gekwalificeerde diefstal met braak en inklimming

Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij braak en inklimming werd gebruikt om toegang te verkrijgen tot een pand. De diefstal betrof twee laptops uit een psychologenpraktijk te Leeuwarden op 7 september 2012. Een getuige zag twee jongens bij het pand, waarvan één het raam vernielde en naar binnen ging.

Forensisch onderzoek bracht bloedsporen op een glasscherf aan het licht die met grote zekerheid aan verdachte konden worden toegeschreven. Verdachte ontkende de inbraak, maar zijn alternatieve verklaring werd door het hof niet geloofd vanwege inconsistenties met getuigenverklaringen en fysieke kenmerken.

Het hof stelde vast dat verdachte medepleger was bij de diefstal. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen de bewezenverklaring dat de diefstal in vereniging was gepleegd. De Hoge Raad oordeelde dat het belang van verdachte bij cassatie niet evident was, mede omdat hij ook voor enkelvoudige diefstal met braak en inklimming veroordeeld had kunnen worden en de strafmaxima gelijk zijn.

Omdat de vereiste toelichting op het belang bij cassatie ontbrak in de schriftuur, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO. Hiermee werd het arrest van het hof in stand gelaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van evident belang bij cassatie.

Conclusie

Nr. 14/00269
Mr. Harteveld
Zitting 20 januari 2015
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 18 december 2013 verdachte ter zake van “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 101 dagen, met aftrek van voorarrest. In eerste aanleg is verdachte vrijgesproken ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde; in zoverre is verdachte niet ontvangen in zijn (onbeperkt ingestelde) hoger beroep.
2. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het
middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring ten aanzien van de zinsnede ‘tezamen en in vereniging met een ander’ ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2. Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 7 september 2012, te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand, gelegen aan de [a-straat], aldaar heeft weggenomen twee laptops, toebehorende aan Psychologenpraktijk [A] / [betrokkene 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak en inklimming.”
Het arrest van het Hof bevat met betrekking tot het bewijs de volgende overweging:
“Bewijsoverweging
Op 10 september 2012 heeft [betrokkene 1] aangifte gedaan van een inbraak in haar psychologenpraktijk aan de [a-straat] te Leeuwarden op 7 september 2012. Hierbij zijn twee laptops weggenomen.
Het dossier bevat een verklaring van getuige [getuige 1], die op 7 augustus 2012 (het hof begrijpt: 7 september 2012) omstreeks 03:00 uur samen met zijn vriendin over de [a-straat] liep. [getuige 1] heeft verklaard dat hij aan de andere kant van de weg twee jongens zag die aan het 'klooien' waren. Hij hoorde dat de jongens met glas bezig waren en dat dat ophield toen ze [getuige 1] en zijn vriendin opmerkten. Toen [getuige 1] en zijn vriendin verder liepen hoorde [getuige 1] glasgerinkel uit de richting waar beide jongens stonden. Hij liep vervolgens direct terug en zag dat de jongen die in het zwart gekleed was bij het raam stond en vervolgens door het gat naar binnen ging. Kort daarop kwam de jongen weer naar buiten. De andere jongen had [getuige 1] opgemerkt en was er vandoor gegaan. Deze jongen liep een steeg in richting de Speelmanstraat. De jongen die weer door het raam naar buiten kwam, ging hierna diezelfde steeg in en beide jongens gingen aan het einde van de steeg rechtsaf. De persoon ('jongen 1 ') die het raam vernielde en naar binnen ging, wordt door [getuige 1] onder meer beschreven als een blanke man van 1.85 m met een slank postuur en kort haar. De ander ('jongen 2') was een blanke man van 1.70 met een normaal postuur, met kort halfdonkerblond haar. 'Jongen I ' was ongeveer anderhalve kop groter dan 'jongen 2', aldus [getuige 1].
Uit het proces-verbaal van sporenonderzoek blijkt dat een ruit van de psychologenpraktijk van [betrokkene 1] met een putdeksel is vernield. Dit putdeksel werd door de benadeelden in het kantoor op de vloer aangetroffen. Op een glasscherf dat nog in de sponning van het raam zat, is bloed aangetroffen. Dit bloed is bemonsterd en veiliggesteld. Door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut is vastgesteld dat het DNA-profiel in de bemonstering matcht met het DNA-profiel van verdachte. De matchkans is kleiner dan één op één miljard.
Verdachte heeft zowel bij de politie als in eerste aanleg en in hoger beroep ontkend dat hij de betreffende inbraak heeft gepleegd. Bij de politie heeft verdachte omtrent het aantreffen van zijn bloed op de glasscherf verklaard dat hij eens een snee in zijn vinger heeft gehad toen hij Parketnummer: 21-005328-13 3 in de stad was en dat iemand dit bloed aan de glasscherf gesmeerd kan hebben, In eerste aanleg heeft verdachte aangegeven dat hij zich niets omtrent het ten laste gelegde feit kan herinneren.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij op 7 september 2012 met een andere jongen uit de kroeg kwam en onderweg was naar huis toen hij op de [a-straat] zag dat er bij een pand een ruit was ingegooid. Verdachte heeft vervolgens aan de gebroken ruit gezeten. De jongen die bij hem was heeft een putdeksel naar binnen gegooid en is door het raam naar binnen gegaan. Volgens verdachte was hij toen zelf al weggerend. Desgevraagd heeft verdachte aangegeven dat het gat in de ruit voordat het putdeksel naar binnen werd gegooid, niet groot genoeg was om er door naar binnen te gaan. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij ongeveer 1.90 m. lang is. De jongen die bij hem was, was ongeveer even lang volgens verdachte.
Het hof stelt voorop dat de door verdachte beschreven alternatieve toedracht, pas in hoger beroep is gegeven en dat verdachte geen duidelijke reden heeft gegeven waarom hij nu pas met deze verklaring is gekomen. Het hof stelt verder vast dat het gebeuren zoals verdachte heeft beschreven, de situatie moet zijn die door [getuige 1] is waargenomen. In de lezing van verdachte, zou verdachte de door getuige [getuige 1] beschreven 'jongen 2' moeten zijn en de jongen die bij verdachte was 'jongen 1 '. Het hof acht deze verklaring van verdachte niet geloofwaardig. In zijn lezing zouden beide jongens ongeveer 1.90 m. - een opvallende lengte - moeten zijn. [getuige 1] heeft echter geconstateerd dat de ene jongen anderhalve kop groter was dan de ander. De ene jongen wordt door de getuige op 1.85 m. geschat en de ander op 1.70 m. Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat verdachte de door [getuige 1] beschreven 'jongen 1' is, die het raam heeft ingegooid, er door naar binnen is gegaan en de laptops heeft gestolen.
Uit het handelen van verdachte en de andere jongen voorafgaand aan het inslaan van de ruit en het vervolgens samen vluchten, blijkt dat er tussen hen beiden een nauwe en bewuste samenwerking bestond gericht op de inbraak. Het hof acht daarom medeplegen bewezen.”
3.3. Ingevolge het eerste lid van art. 80a RO kan het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard op de grond dat de betrokkene klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Gelet daarop mag in voorkomende gevallen waarin dat belang niet evident is, van de raadsman en het openbaar ministerie in redelijkheid worden verlangd dat de schriftuur een toelichting bevat met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en dus ook het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. [1]
3.4. Het middel ziet enkel op de bewezenverklaarde zinsnede ‘tezamen en in vereniging met een ander’, niet op de rest van de bewezenverklaring. De vaststelling door het Hof dat verdachte ‘het raam heeft ingegooid, erdoor naar binnen is gegaan en de laptops heeft gestolen’ wordt in cassatie niet betwist. Van deze vaststelling van de feiten wordt in cassatie derhalve uitgegaan. Dat betekent dat de verdachte zelf alle bestanddelen van de delictsomschrijving van – kort gezegd – diefstal met braak en inklimming heeft vervuld en dat hij daarom, ook gelet op ’s Hofs toereikende motivering te dien aanzien, in ieder geval voor het (enkelvoudig) plegen van de op deze wijze gekwalificeerde diefstal veroordeeld had kunnen worden. Voor de op het feit gestelde straf had dat geen verschil gemaakt, nu diefstal met braak/inklimming gelet op art. 311 Sr Pro niet met een andere straf wordt bedreigd indien deze diefstal in vereniging wordt gepleegd.
3.5. Gelet op dit wettelijk strafmaximum en in aanmerking genomen 's Hofs motivering van de opgelegde straf, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. Een onder 3.3 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het – rechtens te respecteren – belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak ontbreekt in de schriftuur geheel. [2]
3.6. De Hoge Raad heeft in het recente verleden in zaken waarin art. 80a RO nog geen toepassing kon vinden enkele malen gecasseerd als uit de bewijsmiddelen wel bleek van plegen, maar niet van het bewezenverklaarde medeplegen. [3] De schriftuur in deze zaak is echter na 1 oktober 2012 ingediend, zodat art. 80a RO in deze zaak van toepassing is zonder dat daarbij terughoudendheid hoeft te worden betracht. [4]
3.7. Het voorgaande brengt mee dat het middel, nu verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang heeft bij de in dat middel opgeworpen klacht, geen behandeling in cassatie rechtvaardigt.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, r.o. 2.6.2.
2.Vgl. HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3551.
3.Zie bv. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK0972.
4.Vgl. de conclusie voor HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1422.