Conclusie
middelklaagt dat het Hof de bewezenverklaring ten aanzien van de zinsnede ‘tezamen en in vereniging met een ander’ ontoereikend heeft gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij braak en inklimming werd gebruikt om toegang te verkrijgen tot een pand. De diefstal betrof twee laptops uit een psychologenpraktijk te Leeuwarden op 7 september 2012. Een getuige zag twee jongens bij het pand, waarvan één het raam vernielde en naar binnen ging.
Forensisch onderzoek bracht bloedsporen op een glasscherf aan het licht die met grote zekerheid aan verdachte konden worden toegeschreven. Verdachte ontkende de inbraak, maar zijn alternatieve verklaring werd door het hof niet geloofd vanwege inconsistenties met getuigenverklaringen en fysieke kenmerken.
Het hof stelde vast dat verdachte medepleger was bij de diefstal. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen de bewezenverklaring dat de diefstal in vereniging was gepleegd. De Hoge Raad oordeelde dat het belang van verdachte bij cassatie niet evident was, mede omdat hij ook voor enkelvoudige diefstal met braak en inklimming veroordeeld had kunnen worden en de strafmaxima gelijk zijn.
Omdat de vereiste toelichting op het belang bij cassatie ontbrak in de schriftuur, verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO. Hiermee werd het arrest van het hof in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van evident belang bij cassatie.