ECLI:NL:PHR:2015:132

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2015
Publicatiedatum
3 maart 2015
Zaaknummer
14/00096
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 361 lid 3 SvArt. 415 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen doodslag grensrechter na voetbalincident

Op 2 december 2012 vond tijdens een jeugdvoetbalwedstrijd een gewelddadig incident plaats waarbij de grensrechter werd mishandeld door spelers van Nieuw Sloten, waaronder de verdachte. Het slachtoffer werd meerdere malen met kracht getrapt en geslagen, wat leidde tot een dissectie van de wervelslagader en uiteindelijk zijn overlijden op 3 december 2012.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde de verdachte voor medeplegen van doodslag en openlijk geweld tegen personen tot twaalf maanden jeugddetentie, deels voorwaardelijk, en legde schadevergoedingsmaatregelen op ten behoeve van de benadeelde partijen. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in, met als kernpunt de discussie over het opzet op de doodslag.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het voorwaardelijk opzet aannam, aangezien de verdachte en medeverdachten willens en wetens de aanmerkelijke kans op overlijden van het slachtoffer hebben aanvaard door met voetbalschoenen met noppen krachtig tegen het hoofd, de nek en het lichaam van het slachtoffer te trappen. Verzoeken van de verdediging tot benoeming van aanvullende deskundigen werden afgewezen wegens onvoldoende belang en onderbouwing.

Daarnaast werd het cassatieberoep van de benadeelde partij verworpen voor zover het ging om vorderingen tot verlies van levensonderhoud en immateriële schade, omdat deze vorderingen niet ontvankelijk zijn binnen het strafproces en civielrechtelijk moeten worden behandeld. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen van doodslag en openlijk geweld wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 14/00096J
Zitting: 3 maart 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 december 2013 verdachte wegens “medeplegen van doodslag” (feit 1) en “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen” (feit 2) veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met een bijzondere voorwaarde ten aanzien waarvan het Hof heeft bevolen dat zij dadelijk uitvoerbaar is. De vorderingen van de vier benadeelde partijen die zich in de onderhavige procedure hebben gevoegd, heeft het Hof geheel of gedeeltelijk toegewezen. Het Hof heeft ten behoeve van de vier hiervoor bedoelde benadeelde partijen ook schadevergoedingsmaatregelen aan de verdachte opgelegd.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. [1]
3. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens [benadeelde partij], één van benadeelde partijen, heeft mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld. [2]

4.Inleiding

4.1.
Het gaat hier om de zogenaamde “grensrechterzaak”, een zaak die veel media-aandacht heeft gekregen en daardoor bij een groot publiek bekend is geworden. Het volgende is gebeurd. Op 2 december 2012 werd er een voetbalwedstrijd gespeeld tussen twee Amsterdamse jeugdteams: Buitenboys B3 speelde thuis tegen Nieuw Sloten B1. [slachtoffer] was grensrechter bij die wedstrijd. Tijdens de wedstrijd bestond er bij de spelers van Nieuw Sloten onvrede over de beslissingen die [slachtoffer] als grensrechter nam. Na afloop van de wedstrijd hebben zij daarom verhaal gehaald bij [slachtoffer]. [slachtoffer] is geslagen en toen hij op de grond lag – omringd door spelers van Nieuw Sloten - is er op hem ingeschopt. Bij dat geweld waren in elk geval zes spelers van de club Nieuw Sloten en een vader van een van die spelers betrokken. [slachtoffer] is een dag later overleden. De verdachte in deze zaak is één van de spelers van Nieuw Sloten.
4.2.
Centraal in cassatie staat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van doodslag. De namens verdachte ingediende middelen hebben beide betrekking op het bewezenverklaarde opzet op de doodslag. Het namens [benadeelde partij] ingediende middel heeft betrekking op de door haar als benadeelde partij ingediende vordering.
4.3.
Ik zal eerst de middelen van de verdachte bespreken. Daaraan voorafgaand geef ik hierna eerst de bewezenverklaring en de – voor de beoordeling van de middelen - relevante bewijsoverwegingen van het Hof weer.

5.Bewijs en bewijsvoering

5.1.
Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 tot en met 3 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van [slachtoffer] geschopt en/of getrapt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;”
5.2.
Deze bewezenverklaring steunt op bewijsmiddelen die in de aanvulling op het verkorte arrest van het Hof zijn opgenomen. Daarnaast heeft het Hof in het verkorte arrest aan de bewezenverklaring uitvoerige, op deze bewijsmiddelen steunende, bewijsoverwegingen gewijd. Ik volsta met de weergave van deze bewijsoverwegingen, die, voor zover hier van belang, als volgt luiden: [3]

6. Algemene uiteenzetting gang van zaken 2 en 3 december 2012
(...)
“Op zondag 2 december 2012 speelde voetbalteam Buitenboys B3 thuis een competitiewedstrijd tegen Nieuw Sloten BI op één van de kunstgrasvelden van het terrein van Buitenboys B3. De wedstrijd, die eindigde in 2-2, werd geleid door scheidsrechter[betrokkene 1]. Hij werd bijgestaan door twee door de teams aangeleverde grensrechters. Namens Buitenboys B3 was dit [slachtoffer]. Tijdens de wedstrijd werd er door spelers van Nieuw Sloten veelvuldig commentaar geleverd op het vlaggen door grensrechter [slachtoffer]. Hierbij werd er op hem gescholden. Na de wedstrijd werd [slachtoffer] omstreeks 12.20 uur aangesproken door een aantal spelers van Nieuw Sloten, waarbij ook een trainer/begeleider van Nieuw Sloten betrokken was. [slachtoffer] werd hierbij geslagen en ten val gebracht, waarna er op hem werd ingeschopt. [slachtoffer] heeft – na te zijn opgekrabbeld - geprobeerd weg te rennen, maar werd kort hierop wederom ten val gebracht. Terwijl hij op de grond lag, werd er opnieuw op hem ingeslagen en ingeschopt. Een van de geweldplegers zegt hier later over dat hij bang was geweest dat [slachtoffer] niet meer zou opstaan, omdat hij zo hard werd geschopt. Hij werd helemaal “kapot geramd.” [slachtoffer] beschermde zich door zijn armen voor zijn hoofd en borst te brengen. Hij huilde.
[slachtoffer] is, nadat omstanders ingrepen, opgestaan. Hij had bloed aan zijn hand en heeft zijn schoen - die hij bij de schermutselingen verloren had - opgezocht en is van het veld gegaan. Hij is, nadat hij is verzorgd aan een wond aan zijn hand in de verzorgkamer van de voetbalclub, met zijn zoon [betrokkene 2] naar huis gegaan. [slachtoffer] heeft nog met een aantal mensen op de club gesproken. Hij maakte na afloop van het incident op hen een geschrokken en aangeslagen indruk." Zijn jas was stuk en de capuchon van zijn jas hing los. Een aantal mensen zag een blauwe dikke wang en iemand zag een dikke lip bij [slachtoffer]. [slachtoffer] klaagde in de verzorgingsruimte op de club over pijn aan zijn schouder. [slachtoffer] is thuis direct op bed gaan liggen. Hij klaagde tegen zijn zoon over behoorlijke pijn aan hoofd en rug. [slachtoffer] is in de loop van de middag weer teruggegaan naar de club en heeft plaatsgenomen in een dug-out.
Rond 15.00 uur die middag, derhalve ongeveer twee en een half uur na het incident, raakte [slachtoffer] - gezeten in de dug-out - onwel. Hij is per ambulance vervoerd naar het Flevoziekenhuis in Almere. Omdat zijn toestand snel verslechterde, is hij overgebracht naar het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein. In dit ziekenhuis werd een beschadiging van de linker wervelslagader, een zogeheten dissectie, vastgesteld. Ten gevolge hiervan was er een bloedophoping ontstaan tussen de beschadigde wandlagen van de wervelslagader. Door deze bloedophoping werd deze wervelslagader afgesloten, waardoor een herseninfarct is ontstaan. Op 3 december 2012 omstreeks 15.00 uur is [slachtoffer] hersendood verklaard en om 17.00 uur is hij komen te overlijden.
7. Rol van de verdachte
Hieronder volgt een feitelijke beschrijving van de rol van verdachte. Ook hier geldt dat de bronnen worden weergegeven in voetnoten. Voor zover deze verklaringen eveneens als bewijsmiddel zullen worden gebruikt, worden zij opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling.
Verdachte was een van de spelers van Nieuw Sloten en speelde met nummer 10. Zijn positie in het veld was die van laatste man. Hij werd er tijdens de wedstrijd 5 minuten uitgestuurd door de scheidsrechter. Na de wedstrijd ontstond er een discussie tussen spelers van Nieuw Sloten en de grensrechter. Dit is ontaard in een schreeuwpartij en duwen en trekken. Verdachte heeft zijn shirt uitgetrokken en heeft - aldus de verklaring van getuige [getuige 1] – [slachtoffer] van achteren neergehaald. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart over wat verdachte daar deed. Hij verklaart dat dit met de armen is gebeurd, door middel van een beweging die leek op het geven van een klap. Toen [slachtoffer] op de grond lag, heeft verdachte een krachtige trap tegen het bovenlichaam [slachtoffer] gegeven. [getuige 2] verklaart dat hij zag dat [slachtoffer] bij het afgeven van de vlag werd benaderd, achterna werd gezeten en opeens op de grond lag en dat ze hem aan het schoppen waren. [getuige 2] heeft verdachte daarbij herkend als één van de jongens die de eerste trap gaf. Zijn eerste trap was naar de nek van de grensrechter, waarbij het hoofd van de grensrechter helemaal bewoog. Daarop probeerde [slachtoffer] zijn gezicht te beschermen. Daarna heeft verdachte nogmaals krachtig tegen het achterhoofd [slachtoffer] getrapt, die daardoor helemaal in elkaar dook. Vervolgens is hij weggerend. Verdachte is de speler die later terug kwam rennen met een stok in zijn handen.
Verdachte heeft verklaard uitsluitend tegen de schouder te hebben getrapt.
(…)
8.3.3
Bewijs van opzet op de doodslag
De volgende vraag is of bij verdachte, bij wie er zoals hierboven is vastgesteld een bewuste en nauwe samenwerking bestond met zijn medeverdachten, ook het voor medeplegen vereiste opzet bestond op het primair ten laste gelegde gronddelict. Anders gezegd: had verdachte (ook) opzet op de dood van de grensrechter.
Langs jurisprudentiële weg zijn verschillende redeneerpatronen ontwikkeld waarvan de rechtspraak zich kan bedienen wanneer het gaat om het bewijzen van ten laste gelegd opzet. Indien opzet wordt betwist op een teweeggebracht gevolg is het gangbaar te bezien of er gesproken kan worden van 'voorwaardelijk' opzet. Met betrekking tot het bewijs van voorwaardelijk opzet moet worden vooropgesteld dat opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de opzettelijke levensberoving van [slachtoffer] - aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Verdachte en medeverdachten hebben zich na afloop van de wedstrijd tezamen op grensrechter [slachtoffer] gestort en hebben allen met geschoeide voet vol tegen het lichaam van [slachtoffer] geschopt, op het moment dat hij onbeschermd op de grond lag. [slachtoffer] werd al liggend tegen het lichaam waaronder zijn hoofd, hals en nek geschopt. Het schoeisel dat verdachte droeg - voetbalschoenen met noppen - is vervaardigd met als doel (onder meer) om zo hard mogelijk tegen een bal te kunnen trappen. Dit wordt naast de hardheid van het schoenmateriaal zelf, met name bewerkstelligd door de aanwezigheid van noppen. Zij voorzien het standbeen van grip op het moment dat er uitgehaald wordt, waardoor een trap met kracht kan worden geplaatst. Deze noppen kunnen daarnaast, wanneer ze het lichaam van een ander treffen, dusdanig letsel toebrengen dat het niet alleen gebruikelijk maar zelfs verplicht is om tijdens een voetbalwedstrijd ter bescherming van de benen scheenbescherming te dragen.
Over de rol van verdachte in dit kader nog het navolgende. Verdachte is na zijn geweldpleging bij [slachtoffer] vandaan gelopen. Verdachte heeft in de aanvang van de confrontatie waarbij sprake was van geschreeuw, geduw, getrek en slaan, [slachtoffer] onderuitgehaald. Vervolgens heeft hij een aantal malen op [slachtoffer] – die toen in de kluwen op de grond lag – ingetrapt. Ook door een medeverdachte wordt op dat moment tegen [slachtoffer] geschopt. Daarmee heeft verdachte in het geweld zowel een initiërende rol als substantieel uitvoerende rol. Het is verdachte geweest die met zijn handelingen de toon heeft gezet voor het verdere vervolg van de gewelddadigheden. Dat hij vervolgens het strijdtoneel heeft verlaten om enige tijd later terug te keren waarbij hij zich heeft bewapend met een stok, vormt geen omstandigheid die het oordeel kan dragen dat hij zich in juridische zin zou hebben gedistantieerd van de gewelddadigheden.
Over de wijze waarop [slachtoffer] is getrapt hebben verschillende getuigen een verklaring afgelegd.
[getuige 3] verklaart dat er na afloop van het incident op het veld een groepje jongens haar passeert, dat op weg is naar de kleedkamers. Zij verklaart: ' lk hoorde één van de jongens zeggen: 'Zag je wat ik deed?' Ik hoorde een andere jongen zeggen: 'Wat?' Ik zag toen dat de jongen die aan de anderen had gevraagd of zij gezien hadden wat hij had gedaan, zijn knie optrok, zijn tenen omhoog deed en dus de hak naar beneden en dat hij een trappende beweging maakte naar beneden. Ik zag dat de hak daarbij met kracht schuin naar beneden werd gebracht. Ik hoorde de jongen die had gevraagd: 'Wat?' daarop zeggen: 'Ik ook!'
[getuige 2] beschrijft dat [slachtoffer] meermalen wordt getrapt door twee spelers van Nieuw Sloten, één ter hoogte van de buik, de ander ter hoogte van de rug [slachtoffer]. Beiden trapten met de bovenkant van hun voet.'
[getuige 4] verklaart over een speler van Nieuw Sloten die met de onderkant van zijn schoen vol op het hoofd [slachtoffer] trapt, met de noppen dus van zijn voetbalschoen.
[getuige 5] beschrijft in gelijke zin een Nieuw Sloten-speler die vol met de noppen van zijn voetbalschoen [slachtoffer] tegen het hoofd schopte ter hoogte van zijn nek.
Getuige [getuige 6] spreekt over vier jongens die trapten met hun wreef en punt. Over de kracht waarmee is getrapt verklaart deze getuige dat het trappen waren alsof je tegen een bal schopt: 'Ik zag dat er kracht in de trappen zat omdat hun hele lichaamshouding mee ging en ze hun handen echt in een vechthouding hadden. Ik zag dat ze continu aan het trappen waren.'
[getuige 7] ziet een speler van Nieuw Sloten hard op [slachtoffer] schoppen, terwijl deze op de grond lag. 'Ik zag dat hij zijn voet naar achteren haalde en hard schopte tegen de rug [slachtoffer] ergens tussen midden en hoog op de rug. Ik zag dat het lichaam [slachtoffer] bewoog en heen en weer ging door de schop van die speler. Ik zag echt dat die jongen met lange uithalen van de voet schopte.'
[medeverdachte 6] heeft het over een harde trap van een medespeler met diens wreef die de linkerkant van het gezicht van de grensrechter raakt.
Uit de beschrijving van laatstgenoemde getuigen volgt dat zowel met de wreef en de punt van de schoen met kracht werd geschopt, maar ook dat met het been van boven naar onderen werd getrapt waarbij [slachtoffer] op het lichaam werd geraakt. Verdachte en zijn medeverdachten schopten met grote kracht aldus onder meer in op de kwetsbare delen van het lichaam, te weten de nek, hals en het hoofd [slachtoffer]. Dit betreffen uit geweldsoogpunt dermate excessieve gedragingen dat deze naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer komt te overlijden.
In aanmerking genomen:
- de aard van de gedragingen van verdachte - zoals onder 6, 7 en in deze paragraaf beschreven - die kunnen worden gekwalificeerd als een door de verdachter geleverde substantiële bijdrage in het totaal van de gewelddadigheden en
– de beschreven omstandigheden waaronder deze gedragingen zijn begaan, kunnen deze gedragingen worden aangemerkt als zozeer gericht op het mogelijke gevolg - de dood [slachtoffer] - dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties hiervoor is niet gebleken. Er is derhalve sprake van (voorwaardelijk) opzet op het gronddelict.”

6.Middel 1

6.1.
Het middel richt zich tegen ’s Hofs afwijzing van het door de verdediging gedane verzoek om een forensisch patholoog alsmede een forensisch statisticus als deskundigen te benoemen.
6.2.
In zijn tussenarrest van 26 augustus 2013 heeft het Hof deze onderzoekswens van de verdediging als volgt samengevat:
“10. De verdediging verzoekt een forensisch patholoog alsmede een forensisch statisticus als deskundigen te benoemen, die voor een objectieve kwantificering van de kans op overlijden kunnen zorgdragen. Zij dienen – aldus de raadsvrouw – in hun rapportages aandacht te besteden aan de hoeveelheid zaken in Nederland waarbij sprake is van soortgelijk gering geweld als in de onderhavige zaak, het letsel dat over het algemeen intreedt, de frequentie van het optreden van dissectie van de arteria vertebralis of enige andere (slag)ader, de mortaliteit bij een dergelijke dissectie, de gevolgen die toepassing van geweld als in onderhavige zaak onder soortgelijke omstandigheden over het algemeen betreft, de mortaliteit in dergelijke zaken in het algemeen alsmede eventuele overige kwesties, aldus de raadsvrouw.”
6.3.
Vervolgens heeft het Hof naar aanleiding van dit verzoek van de verdediging het volgende overwogen (in het tussenarrest):
“Voor wat betreft gevraagd (nader) deskundigenonderzoek toetst het hof of het belang van de verdediging – voor zover daarvan sprake is – tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken (HR 19 juni 2007, NJ 2008, 169).
(…)
Voor wat betreft het verzoek van de verdediging genoemd onder nummer 10, toetst het hof – zoals hierboven reeds omschreven – of het belang van de verdediging tegen de achtergrond van een eerlijke procesvoering en het belang van het onderzoek, (nader) deskundigenonderzoek noodzakelijk doen zijn. Bij die afweging dienen bij ieder gevraagd deskundigenonderzoek de relevante specifieke omstandigheden te worden betrokken.
Het Hof zal ook bij het bovenomschreven verzoek de specifieke omstandigheden in ogenschouw nemen.
Het hof wijst het onder 10 genoemde verzoek tot het benoemen van zowel een forensisch patholoog als een forensisch statisticus af. Het verzoek van de raadsvrouw is ontoereikend onderbouwd, gaat uit van vooronderstellingen die juist in de onderhavige strafzaak onderwerp uitmaken van debat en is zo weinig specifiek geformuleerd dat in redelijkheid niet mag worden verwacht dat enig deskundige in Nederland in staat zal zijn dit onderzoek voor zijn rekening te nemen.
Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden het belang van het onderzoek in deze strafzaak niet noopt tot het oordeel dat het gevraagde nadere onderzoek noodzakelijk is.”
6.4.
Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte op 25 november 2013 [4] opnieuw verzocht om een forensisch patholoog en een statisticus als deskundigen te benoemen. [5] Het Hof heeft op dit verzoek in het bestreden arrest – onder het kopje “8.5 Voorwaardelijke verzoeken/onderzoekswensen” - als volgt gereageerd:
“De raadsman heeft voorts nogmaals het voorwaardelijke verzoek gedaan om een forensisch patholoog te laten rapporteren omtrent (onder meer) de aard van het bij [slachtoffer] vastgestelde letsel, indien het hof rechtens zou vaststellen dat er sprake is geweest van hevige geweldsinwerking op [slachtoffer] in de vorm van het al dan niet met kracht meermalen trappen tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de nek van [slachtoffer]. Daaraan heeft de raadsman toegevoegd dat de afwijzing van het eerdere verzoek bij tussenarrest van het hof geen recht doet aan de door de verdediging gegeven onderbouwing.
Onder verwijzing naar de relevante overwegingen van het hof in zijn tussenarrest wordt volstaan met de constatering dat het hof met de raadsman voor wat betreft het na overlijden aangetroffen letsel uitgaat van het (waarneembare) letsel zoals dat uit het schouwrapport en het sectierapport naar voren is gekomen. Het hof stelt vast dat, gelet op de frequentie van de trappen en slagen en de snelheid waarmee deze handelingen gepaard gingen, het effect van iedere geweldshandeling op het lichaam van [slachtoffer] niet te reconstrueren valt. Deskundige Maes heeft als arts en patholoog het lichaam van Nieuwenhuizen onderzocht en daarvan een sectieverslag opgemaakt. Ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013 verklaart zij dat schoppen blauwe plekken kunnen veroorzaken. [slachtoffer] had - zo vervolgt zij - blauwe plekken op zijn hoofd en benen. In het gelaat en in de nek waren geen blauwe plekken te zien. Deskundige Milroy heeft hieraan - blijkens het van de zitting opgemaakte proces-verbaal - toegevoegd dat je blauwe plekken kunt krijgen zonder geweld. Het is ook mogelijk dat slaan of schoppen geen blauwe plekken opleveren. Er kunnen in dat geval - aldus deze deskundige - ook inwendige kneuzingen ontstaan die je niet kunt waarnemen. Met het vorenstaande wordt de vraag van de verdediging toereikend beantwoord. Gezien het inmiddels verrichte uitvoerige deskundigenonderzoek wordt nader forensisch pathologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Het verzoek wordt afgewezen.
Ook zijn verzoek om de benoeming van een statisticus heeft de raadsman herhaald, thans in voorwaardelijke vorm, namelijk slechts in het geval het hof van oordeel is dan niet kan worden uitgegaan van de juistheid van de door de raadsman aangedragen statistische cijfers. Een waardering van de door de raadsman verrichte statistische arbeid kan achterwege blijven nu geen rechtsregel voorschrijft dat bij een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet, meer in het bijzonder daar waar het gaat om de aanvaarding van een bepaalde kans, de rechter gebonden is aan een statistische kansberekening in de zin zoals is voorgestaan door de raadsman. De kennelijk door de HIV-jurisprudentie geïnspireerde benadering van de raadsman is niet voor algemene toepassing vatbaar en is in de onderhavige zaak niet relevant voor de beoordeling van het voorwaardelijk opzet op de wijze waarop dit naar geldend recht gebruikelijk plaatsvindt. Het verzochte onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het verzoek wordt afgewezen.”
6.5.
Ik begin met het tot tweemaal toe gedane verzoek om een forensisch patholoog tot deskundige te benoemen. Het eerste en het tweede verzoek hebben een verschillende strekking. Het eerste, onvoorwaardelijk gedane verzoek was gebaseerd op de stelling dat in de onderhavige zaak slechts sprake was geweest van “gering geweld”. De te benoemen patholoog diende daarbij – evenals de statisticus – te rapporteren over – kort gezegd – de mortaliteit bij dergelijk gering geweld. Het achterliggende doel van de verdediging was daarbij kennelijk om aannemelijk te maken dat er bij dergelijk geweld geen aanmerkelijke kans is op een dodelijke afloop, zodat van voorwaardelijk opzet geen sprake kan zijn. [6] Het tweede verzoek werd voorwaardelijk gedaan voor het geval het Hof niet van oordeel zou zijn dat slechts sprake was geweest van gering geweld. Het uitgangspunt van het tweede verzoek was daarmee een geheel andere, hetgeen ook leidde tot een andere vraagstelling. De patholoog diende te rapporteren over de aard en de gevolgen van het bij het slachtoffer geconstateerde letsel. Ook het doel van het verzoek lijkt daarbij te zijn verschoven. Als ik het goed zie, ging het mede om de vraag hoe aannemelijk het was dat sprake was geweest van een hevige geweldsinwerking. [7] Van een herhaling van een eerder gedaan verzoek kan dan ook eigenlijk niet gesproken worden. Het gaat om een nieuw verzoek dat met het eerste verzoek slechts gemeen had dat het ging om de benoeming van een forensisch patholoog.
6.6.
Uit het feit dat de verdediging slechts vasthield aan de benoeming van een patholoog als het Hof zou menen dat sprake was geweest van hevige geweldsinwerking op het hoofd en de nek van het slachtoffer, volgt dat de verdediging het eerdere verzoek om rapportage door een patholoog over de mortaliteit van gering geweld in het algemeen, niet langer handhaafde. Dat betekent dat de verdachte geen in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de afwijzing van dat eerdere verzoek. [8] Dat, zoals het middel betoogt, de afwijzing van het tweede verzoek desondanks moet worden beschouwd in het licht van de – naar wordt gesteld – ontoereikende motivering van de afwijzing van het eerste verzoek, vermag ik niet in te zien. De afwijzing van het tweede verzoek berust op andere gronden dan de afwijzing van het eerste verzoek. Weliswaar verwijst het Hof daarbij naar “de relevante overwegingen van het hof in zijn tussenarrest”, maar daarmee doelt het Hof kennelijk alleen op hetgeen in dat tussenarrest is overwogen met betrekking tot de invulling van het toepasselijke noodzaakcriterium. Een en ander betekent dat de klacht over de afwijzing van het eerste verzoek geen bespreking behoeft.
6.7.
Dan nu de klacht over de verwerping van het tweede verzoek. In de toelichting op het middel wordt niet bestreden dat, zoals het Hof overwoog, de vragen die de verdediging aan de te benoemen forensisch patholoog wilde voorleggen, al door de reeds gehoorde deskundigen waren beantwoord. De afwijzing van het verzoek zou desondanks onbegrijpelijk zijn omdat het Hof heeft miskend dat de verdediging een andere deskundige – die hopelijk andere antwoorden zou geven – wilde horen. Door het verzoek om de benoeming van een dergelijke “contra-deskundige” af te wijzen, zou het Hof het recht van de verdachte op een tegenonderzoek hebben gefrustreerd of althans aan dat recht onvoldoende aandacht hebben geschonken. Ik meen dat deze klacht faalt omdat het Hof het verzoek van de verdediging niet als een verzoek om een contra-expertise heeft hoeven te verstaan. Lezing van de pleitnota leert dat de raadsman sprak van “aanvullende rapportage” en “nadere rapportage”. In de toelichting op het verzoek wordt weliswaar gewag gemaakt van een verklaring van een deskundige (dr. Kubat), maar de juistheid van die verklaring wordt niet betwist of in twijfel getrokken. Gesteld wordt slechts dat die verklaring (te) algemeen en (te) kort is. Het enkele feit dat de raadsman het woord “contra-deskundige” in de mond nam, dwingt dan ook niet tot een andere uitleg van het verzoek. Daarbij verdient aantekening dat prof. Milroy en prof. Jacobs, die op zijn beurt prof. Beuls inschakelde, al op verzoek van de verdediging als tegendeskundigen waren benoemd. Dat de verdediging daarmee nog niet tevreden was en nog een vierde tegendeskundige wenste, is bepaald niet wat het Hof had moeten bevroeden.
6.8.
Het voorgaande brengt mee dat het middel faalt voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om een forensisch patholoog als deskundige te benoemen. Met betrekking tot de verzoeken om een statisticus als getuige te benoemen, merk ik het volgende op. Het tweede verzoek was gedaan onder de voorwaarde dat het Hof de resultaten van de statistische arbeid die de verdediging – na afwijzing van het eerste verzoek – in arren moede zelf maar had verricht, niet als juist zou aanvaarden. Die statistische arbeid had betrekking op de vraag hoe groot de kans op een fatale afloop is ingeval van mishandeling (zie de punten 92 e.v. van de pleitnota). Dit weer met het oog op het bewijs van het voorwaardelijk opzet. Dat maakt dat het tweede verzoek in dit geval wel als een herhaling van het eerste verzoek kan worden aangemerkt. Dat maakt tegelijk dat de verdachte bij de klacht over de afwijzing van het verzoek onvoldoende belang heeft. Het Hof heeft immers geoordeeld dat sprake was van een hevige geweldsinwerking op het hoofd en de nek van het slachtoffer, welk oordeel in cassatie verder niet wordt bestreden. Dat betekent dat (zoals bij de bespreking van het tweede middel nog nader zal worden uiteengezet) de van de statisticus verlangde rapportage over de sterftekans bij gering geweld achteraf gezien niet relevant zou zijn geweest voor de beoordeling van de zaak, zodat de verdediging uiteindelijk niet is benadeeld doordat die rapportage achterwege is gebleven.
6.9.
Ik meen overigens dat de afwijzing van de beide verzoeken geenszins onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd, maar gezien de zojuist bereikte slotsom acht ik mij ontslagen van de plicht om dat toe te lichten.
6.10.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

7.Middel 2

7.1.
Het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring onder 1 van het opzet op de dood van het slachtoffer. De motivering zou op dit punt, mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, “ruimschoots onvoldoende” zijn.
7.2.
Juist is dat door de verdediging uitvoerig verweer is gevoerd met betrekking tot het opzet. Of daarbij veel steekhoudends is aangevoerd, is een andere vraag. Als ik het allemaal goed begrijp, ligt aan het betoog de misvatting ten grondslag dat de verdachte opzet moet hebben gehad op het causale verloop. In punt 83 van de pleitnota wordt gesteld dat “niet kan worden uitgesloten” dat een of meer verdachten getracht hebben het slachtoffer tegen het hoofd of tegen het gezicht te trappen en dat het feit dat het slachtoffer volgens getuigenverklaringen zijn hoofd beschermde met zijn armen kan verklaren dat er geen letsel aan gezicht, hoofd en nek is vastgesteld. ”In geval van een tenlastegelegde poging tot doodslag”, zo vervolgt dan het pleidooi, “zou dit mogelijk weinig verschil maken, maar nu er sprake is van een voltooid delict maakt het natuurlijk wel degelijk (groot) verschil”. Ik lees daarin dat de aanwezigheid van opzet volgens de raadsman afhangt van het gevolg. Als het slachtoffer het had overleefd doordat de trappen tegen zijn hoofd niet aankwamen vanwege de gezichtsbescherming, was een veroordeling wegens poging tot doodslag mogelijk geen probleem geweest (en dus ook het bewijs van het opzet niet). Nu echter het slachtoffer wel overleed, vormt het bewijs van het opzet wel een (groot) probleem. De redenering lijkt daarbij te zijn dat het overlijden intrad ondanks het feit dat de gezichtsbescherming een directe inwerking van de trappen tegen het hoofd voorkwam, zodat die inwerking (waarop de verdachten opzet hadden) de dood niet kan hebben veroorzaakt. En op de daadwerkelijke oorzaak (de dubbele dissectie van de halsslagaders) hadden de verdachten geen opzet. Dat dit ongeveer de gedachtegang van de raadsman moet zijn geweest, vindt bevestiging in de punten 120 e.v. van de pleitnota. Daar keert de raadsman zich uitdrukkelijk tegen de – juiste – opvatting van de Rechtbank dat “geabstraheerd” moet worden van de doodsoorzaak. [9] Gesteld wordt dat die opvatting “geen recht [doet] aan de uiterst uitzonderlijke omstandigheden van de zaak, en het zeer zeldzame medisch beeld dat bij [slachtoffer] is opgetreden”. Dat leidt dan tot de stelling dat “de kans op het optreden van een dissectie als gevolg van de aard en de omvang van het geweld in deze zaak” vele malen kleiner is dan de kans op een HIV-besmetting en “die kans is door de Hoge Raad consequent onvoldoende aanmerkelijk geacht”.
7.3.
Voor het geval dat het Hof met de Rechtbank zou menen dat “geabstraheerd” diende te worden “van de feiten en omstandigheden van dit geval”, ontwikkelde de verdediging een alternatieve stelling. Betoogd werd (zie in het bijzonder de punten 115 e.v. van de pleitnota) dat de kans op een dodelijke afloop bij een “alledaagse vechtpartij” waarvan ook hier sprake was, uiterst klein is. Uit de eigen statistische berekeningen bleek immers dat er een “kans van (afgerond) 1 op 10.000 is dat een slachtoffer van een ongewapende vechtpartij komt te overlijden”. Ook dit alternatieve betoog berust mijns inziens op een misvatting. Dat opzet op het causale verloop niet is vereist, wil bepaald niet zeggen dat geabstraheerd mag worden van de gedraging zoals die in het concrete geval heeft plaatsgevonden. Het is vaste jurisprudentie dat bij de vraag naar de aanmerkelijke kans betekenis toekomt “aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht”. De vraag waarom het gaat is derhalve niet hoe groot de kans op een dodelijke afloop is bij alledaags geweld, maar hoe groot die kans is bij het met kracht met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd en de nek van het slachtoffer.
7.4.
Het komt mij voorts voor dat het grote gewicht dat door de raadsman werd gehecht aan statistische informatie, eveneens een miskenning vormt van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat geldt ook als die informatie wel is toegespitst op de aard van de tenlastegelegde gedraging en niet op discutabele aannames berust. Een eenvoudig voorbeeld kan dat verduidelijken. Het opzettelijk inrijden op een agent levert zoals bekend strijk en zet poging tot doodslag op. Zou aan een statisticus gevraagd worden uit te zoeken hoe vaak het voorkomt dat een agent als gevolg van dergelijk gedrag daadwerkelijk overlijdt en op grond daarvan uit te rekenen hoe groot de overlijdenskans nu eigenlijk is, dan zal daar vermoedelijk uitkomen dat die kans bijna nul is. Bijna alle agenten weten immers net op tijd opzij te springen. Die statistische berekening zal de Hoge Raad niet op andere gedachten brengen. De verklaring daarvoor is vermoedelijk dat hij van oordeel is dat geabstraheerd moet worden van de reactie van het slachtoffer op de gedraging van de dader. Het gaat anders gezegd om de kans op overlijden als de agent niet opzij was gesprongen. [10] Die benadering beperkt zich vermoedelijk niet tot gevallen van inrijden op een agent. Als het slachtoffer op wie wordt geschoten nog net op tijd dekking weet te zoeken, zal geoordeeld worden dat er een aanmerkelijke kans op de dood was (anders had het slachtoffer geen dekking hoeven zoeken). [11] Zo ook doet het feit dat het slachtoffer in de onderhavige zaak zijn hoofd met zijn armen beschermde, niet af aan de grootte van de kans op een dodelijke afloop. Wat hiermee gezegd wil zijn, is dat in het kansoordeel dat van de rechter wordt gevraagd, juridische gezichtspunten zijn verwerkt waarvoor in een zuiver statistische benadering als in deze zaak door de verdediging is bepleit, geen plaats is. Dat zal de reden zijn waarom de rechter zijn oordeel op “algemene ervaringsregelen” mag baseren en zich dus niet afhankelijk hoeft te maken van de becijferingen van statistici.
7.5.
Voor zover het middel op dezelfde misvattingen berust als het gevoerde verweer, is het tot mislukken genoemd. Voor het overige faalt het middel omdat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is en toereikend gemotiveerd. Veel meer valt daarover niet te zeggen. Met een verwijzing naar twee recente arresten waarin sprake is van vergelijkbare gevallen – HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3638 en HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1363 – meen ik daarom te kunnen volstaan.
7.6.
Het middel faalt.

8.Het middel van de benadeelde partij

8.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor zover die betrekking heeft op inkomstenderving ter zake van levensonderhoud.
8.2.
[benadeelde partij] is de ex-echtgenote van het slachtoffer met wie zij op het moment dat hij overleed onder een dak woonde. Zij heeft in dit strafproces de volgende bedragen gevorderd: een bedrag van € 12.874,85 voor uitvaartkosten; een bedrag van € 2.831,40 voor de overlijdensschadeberekening; een bedrag van € 211.467,- voor verlies van levensonderhoud en een bedrag van € 25.000,- voor immateriële schade.
8.3.
Ter zitting in hoger beroep van 22 november 2013 heeft de raadsman van de benadeelde partijen alle vorderingen toegelicht. Dat blijkt uit de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota van mr. Moszkowicz. [12] De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij] gevorderd dat haar vordering hoofdelijk moest worden toegewezen tot de bedragen van € 12.874,85 (uitvaartkosten) en € 2.831,40 (kosten schadeberekening). De advocaat-generaal vorderde ten aanzien van de overige posten dat [benadeelde partij] niet-ontvankelijk zou worden verklaard in haar vordering. De raadsman van de verdachte heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [benadeelde partij]. [13]
8.4.
Het Hof heeft de door [benadeelde partij] gevorderde bedragen voor uitvaartkosten (€ 12.874,85) en de overlijdensschadeberekening (€ 2.831,40) toegewezen. Voor het overige (dat zijn de posten: verlies van levensonderhoud en de vergoeding van immateriële schade) heeft het Hof [benadeelde partij] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Daartoe overwoog het Hof ten aanzien van de gevorderde post “verlies van levensonderhoud” het volgende in het bestreden arrest:
“Voor wat betreft de vordering terzake het verlies aan kosten van levensonderhoud van [benadeelde partij] ligt aan de vordering eveneens bovengenoemde overlijdensschadeberekening ten grondslag [gerefereerd wordt aan de overlijdensschadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade, met bijlagen; toevoeging A-G]. Dit gedeelte van de vordering leent zich echter niet voor afdoening binnen het kader van het strafgeding. Onder meer het gegeven dat een echtscheiding heeft plaatsgevonden terwijl partijen in dezelfde gezinssituatie zijn blijven wonen, dient met het oog op de omvang van het schadebedrag binnen het civielrechtelijk kader te worden beoordeeld. Zo is niet aanstonds duidelijk over welk aantal levensjaren de inkomstenderving zou moeten worden berekend. Behandeling van voornoemd gedeelte van de vordering van [benadeelde partij] zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.”
8.5.
Op grond van art. 361, derde lid, Sv (jo art. 415 Sv Pro) kan de rechter indien de behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar zijn oordeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat de vordering geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering of dat deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Het Hof heeft dus de juiste maatstaf aangelegd. Daarover klaagt het middel ook niet. Wel betoogt het middel dat ’s Hofs overweging – dat niet duidelijk is over welk aantal levensjaren de inkomstenderving zou moeten worden berekend – onbegrijpelijk is.
8.6.
Of een behandeling van een vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Daarbij toetst de Hoge Raad terughoudend. [14] In de onderhavige zaak heeft het Hof overwogen dat [benadeelde partij] gescheiden was van het slachtoffer maar dat zij wel onder hetzelfde dak woonden. Tegen deze achtergrond was het voor het Hof niet duidelijk over hoeveel jaren het de inkomstenderving van [benadeelde partij] moest berekenen. Daardoor zou de behandeling van dit gedeelte van de vordering een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dat oordeel is – mede in het licht van hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd – geenszins onbegrijpelijk.
9. De namens de verdachte aangevoerde middelen falen. Zij kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het namens de benadeelde partij ingediende middel faalt evenzeer en kan ook worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (14/00110), [medeverdachte 2] (14/00111), [medeverdachte 3] (14/00126), [medeverdachte 4] (14/00162), [medeverdachte 5] (14/00289) en [medeverdachte 6] (14/00408). In al die andere zaken zal ik ook vandaag concluderen.
2.Het betreft hier één cassatieschriftuur die in alle zeven samenhangende zaken (zie de vorige voetnoot) tegelijk is ingediend.
3.De voetnoten laat ik omwille van de leesbaarheid achterwege.
4.Het proces-verbaal noemt als dagen waarop de – telkens onderbroken – zitting is gehouden, onder meer 22 en 27 november 2013. Die laatste datum lijkt niet te kloppen. Op 22 november 2013 deelt de voorzitter mee dat de zitting op maandag zal worden hervat waarna de zitting wordt onderbroken tot 25 november 2013 (inderdaad een maandag). Het proces-verbaal vermeldt voorts dat de zitting op 25 november wordt onderbroken tot 29 november 2013. Gelet hierop moet ook de vermelding van 27 november 2013 in het arrest van het Hof als een misslag worden beschouwd.
5.Zie in het bijzonder de punten 85 e.v. en 109 e.v. van de ter terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnota.
6.Zie de punten 9 t/m 18 van de aan het proces-verbaal van de zitting van 13 augustus 2013 gehechte pleitnota.
7.Zie de punten 87 – 89 van de op 25 november 2013 overgelegde pleitnota.
8.De steller van het middel komt via een andere redenering tot een vergelijkbare slotsom. Een toereikend gemotiveerde afwijzing van het “herhaalde” verzoek zou maken dat een motiveringsgebrek in het tussenarrest niet meer van belang zou zijn.
9.De Rechtbank overwoog (p. 33 van het vonnis): “Bij de beantwoording van de vraag of een aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop heeft bestaan wordt vooropgesteld dat de vraag of [bedoeld zal zijn: naar; A-G] die kans op een dodelijke afloop niet ziet op de oorzaak van het overlijden, maar op de dood. Met andere woorden: het voorwaardelijke opzet ziet niet op de dissectie maar op de dood.”
10.De reactie van het slachtoffer behoort in deze benadering niet tot de “omstandigheden waaronder [de gedraging] is verricht”.
11.Vgl. HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5260.
12.Zie p. 3 t/m 7 van die pleitnota voor wat betreft de toelichting op de vordering van [benadeelde partij].
13.Zie p. 71-76 van zijn aan het proces-verbaal van de zitting van 20, 22, 27 en 29 november 2013 en 5 december 2013 gehechte pleitnota.
14.Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:HR:2014:3472 en HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751