In deze zaak gaat het om de vraag of een beslagene, die niet de verschoningsgerechtigde is, in een beklagprocedure kan aanvoeren dat beslag op bescheiden onder hem in strijd is met het verschoningsrecht van een geheimhouder. Klager betoogde dat het verschoningsrecht van een derde was geschonden en diende gelijktijdig met die derde een klaagschrift in tot opheffing van het beslag.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift van klager ongegrond, stellende dat de stukken voorwerp uitmaken van een strafbaar feit of tot het begaan daarvan hebben gediend. Klager stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad overwoog dat klager ontvankelijk is in cassatie omdat hij belanghebbende is bij het beslag op zijn bescheiden, ook al is hij niet verschoningsgerechtigde.
De Hoge Raad besprak uitvoerig de wetswijzigingen per 1 maart 2015 die de beklagprocedure bij beslag op geheimhouderstukken versnelden en concludeerde dat deze regeling niet uitsluit dat een niet-verschoningsgerechtigde kan klagen over inbreuk op het verschoningsrecht. De Hoge Raad gaf de voorkeur aan de opvatting dat met kennisneming van stukken niet hoeft te worden gewacht totdat het beklag onherroepelijk is beslist, mits de verschoningsgerechtigde zelf geen bezwaar maakt.
Uiteindelijk stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende had gemotiveerd dat de stukken voorwerp van een strafbaar feit waren en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het verschoningsrecht konden doorbreken. Het cassatieberoep werd gegrond verklaard en de beschikking vernietigd.