Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof op onjuiste gronden, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist af te zien van het horen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 7] (slachtoffer poging tot doodslag), [betrokkene 6] (slachtoffer poging tot moord), [getuige 2], [getuige 9], [getuige 4], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8], terwijl het hof eerder ten aanzien van deze negen getuigen had beslist dat zij dienden te worden gehoord. [2] Daartoe wordt, kort samengevat, aangevoerd dat niet kan worden nagegaan of de oproeping van zes van deze getuigen tegen de terechtzitting van het hof deugdelijk was, omdat de oproepingsstukken in het dossier ontbreken. Daarnaast verzet art. 321 SvM Pro zich tegen het afzien van getuigen die op grond van art. 318 lid 4 SvM Pro door de rechter op de getuigenlijst zijn geplaatst, indien de verdediging hiermee niet instemt. Als ervan zou moeten worden uitgegaan dat het hof, ondanks het ontbreken van de instemming van de verdediging, toch bevoegd was van het horen van de getuigen af te zien, dan had het hof moeten afwegen wat hiervan de consequenties waren voor het recht dat de verdachte ingevolge art. 6 EVRM Pro heeft om getuigen te ondervragen. Dat laatste heeft het hof niet gedaan.
- in het geval van [betrokkene 7]: de omstandigheid dat zijn woon- of verblijfplaats onbekend is gebleven;
- in het geval van [betrokkene 5]: de omstandigheid dat hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet is verschenen bij de rechter-commissaris, noch is aangetroffen op bekende adressen, terwijl zijn woning bij bezoek van de politie voorafgaand aan de terechtzitting van 26 november 2013 niet meer bewoond was;
- in het geval van [betrokkene 6]: de omstandigheid dat het rechtshulpverzoek, ook na onderhoud tussen de rechter-commissaris en de autoriteiten van St. Kitts, gedurende meer dan acht maanden niet tot resultaat heeft geleid en dat medewerking van de getuige en diens raadsman ondanks herhaalde verzoeken is uitgebleven.
derde middelhoudt in dat de bewezenverklaring van het tweede onderdeel van feit 1, te weten het medeplegen van een poging tot doodslag op [betrokkene 7], in beslissende mate is gebaseerd op een verklaring van de niet door de verdediging gehoorde getuige [betrokkene 7].
Feit 1
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van de voorbedachte raad ten aanzien van het eerste onderdeel van feit 1, het medeplegen van een poging tot moord op [betrokkene 6], niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
vierde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van de voorbedachten raad ten aanzien van feit (II) 3, het medeplegen van moord op [betrokkene 9], niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Feit (II)3
vijfde middelklaagt dat het hof in zijn bewijsoverweging ten aanzien van feit (II)3 kennelijk redengevende feiten en omstandigheden heeft opgenomen, die niet door wettige bewijsmiddelen worden gestaafd.
zesde middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van de voorbedachten raad ten aanzien van feit (II) 2, het medeplegen van moord op [betrokkene 8], niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
“Feit (II)2
- dat een derde een afspraak met [betrokkene 8] heeft gemaakt, zodat verdachte [betrokkene 8] kon doden,
- dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 3] naar ‘die plek’ is gegaan,
- dat medeverdachte [medeverdachte 3] de huurmoordenaar is van verdachte,
- dat verdachte tegen medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij uit de auto moest stappen om [betrokkene 8] dood te schieten en dat medeverdachte [medeverdachte 3] dat ook daadwerkelijk heeft gedaan,
- dat in een gestolen auto nabij de plaats delict een DNA profiel is gevonden dat matcht met het DNA profiel van medeverdachte [medeverdachte 3], met een berekend frequentie van kleiner dan één op één miljard.