Op 18 oktober 2012 werd verdachte verdacht van poging tot zware mishandeling van zijn ex-partner door haar met een vuist tegen het gezicht te slaan, wat resulteerde in een gebroken oogkas. Het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte tot vier maanden gevangenisstraf en herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft gehandeld door de getuige, het slachtoffer, niet ter terechtzitting te horen terwijl haar eerdere belastende verklaringen waren ingetrokken en zij tijdens het verhoor door de rechter-commissaris weigerde vragen te beantwoorden. Volgens de Hoge Raad had het hof deze getuige moeten oproepen om te voldoen aan het recht op hoor en wederhoor.
De overige middelen van cassatie falen, waaronder het middel dat het hof onvoldoende bewijs zou hebben voor het opzet van verdachte. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande dossier, met inachtneming van de juiste procesregels.