Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel VIdat de rechtbank ten onrechte de EEX-Verordening heeft toegepast omdat het in deze zaak de tenuitvoerlegging van een vonnis van de Belgische strafrechter betreft waarmee de zaak buiten het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening valt. Anders gezegd, de tenuitvoerlegging betreft volgens het onderdeel geen burgerlijke en handelszaak in de zin van art. 1 lid 1 EEX Pro-Vo. Ook deze klacht faalt. Terecht neemt het middel tot uitgangspunt dat het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening, met inbegrip van hoofdstuk III ten aanzien van de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, betrekking heeft op burgerlijke en handelszaken (art. 1 EEX Pro-Vo). Het middel gaat echter eraan voorbij dat de aard van het gerecht en de aard van de procedure waarvoor een burgerlijke en handelszaak zich afspeelt niet van belang is voor de toepasselijkheid van de EEX-Verordening. [15] Volgens de rechtspraak van het HvJEU vallen civielrechtelijke beslissingen van een strafrechter binnen het materiële toepassingsgebied van de EEX-Verordening. [16] Dat geldt ook voor de onderhavige beslissing van de rechtbank Antwerpen, waarbij van belang is dat de uitvoerbaarverklaring door de voorzieningenrechter is beperkt tot ‘de civielrechtelijke veroordeling’ van [verzoeker] in het Belgische strafvonnis.
onderdeel VIIaan dat zowel de aard als het rechtskarakter van de onderhavige rechtsmiddelprocedure zich verzet tegen een proceskostenveroordeling zoals door de rechtbank is uitgesproken in haar eindbeschikking. [17] Deze opvatting van het middel vindt geen steun in het recht. De onderhavige procedure is een verzoekschriftprocedure waarin een kostenveroordeling kan plaatsvinden op de voet van art. 289 Rv Pro. De EEX-Verordening verzet zich daartegen niet. [18] De klacht faalt mitsdien.