Conclusie
[verdachte]
eerste middelkomt op tegen ’s Hofs bewezenverklaring van het tweede feit van zaak A met de klacht dat de bewezenverklaring niet kan worden gekwalificeerd als oplichting, althans niet als een ‘samenweefsel van verdichtsels’ zoals bedoeld in art. 326 Sr Pro.
eerste middelis terecht voorgesteld.
tweede middel,dat indien het eerste middel inderdaad slaagt geen bespreking behoeft, klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
bij de Hoge Raad der Nederlanden