ECLI:NL:PHR:2014:2569

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2014
Publicatiedatum
13 januari 2015
Zaaknummer
13/04607
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14d SrArt. 27 SrArt. 27a SrArt. 1 Wet op de identificatieplicht
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad herstelt misslag in arrest over reclasseringstoezicht bij voorwaardelijke gevangenisstraf

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde verdachte tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de motivering van de strafoplegging, omdat het hof verzuimd zou hebben om expliciet opdracht te geven aan Reclassering Nederland voor toezicht en begeleiding.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof kennelijk wel de bedoeling had om Reclassering Nederland deze opdracht te geven, maar deze opdracht niet expliciet in het dictum had opgenomen. De Hoge Raad herstelt deze misslag ambtshalve en verstaat dat het hof deze opdracht heeft gegeven.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep omdat er geen andere gronden voor cassatie waren. Hiermee blijft de strafoplegging van het hof in stand, inclusief de voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht. Dit arrest bevestigt het belang van expliciete vermelding van reclasseringsopdrachten in het dictum, maar biedt ruimte voor herstel bij verzuim.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt het arrest door ambtshalve opdracht aan Reclassering Nederland tot toezicht toe te voegen en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

Nr. 13/04607
Zitting: 11 november 2014
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 30 augustus 2013 de verdachte wegens primair “De voortgezette handeling van Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Namens verdachte heeft mr. I.P.J. Beerens, advocaat te De Meern beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof heeft verzuimd een reclasseringsinstelling opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.
4. Blijkens zijn arrest heeft het hof de strafoplegging, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt gemotiveerd:
“Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden noodzakelijk is. Een gedeelte van deze straf, te weten 6 maanden, zal voorwaardelijk opgelegd worden om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts zal daaraan als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht worden gekoppeld.”
5. Voorts houdt het dictum van het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer het volgende in:
“Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet Pro o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.”
6. In een arrest van 16 september 2014 [1] overwoog de Hoge Raad in een (vrijwel) identiek geval als volgt:
“2.3. Gelet op de aan de voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden heeft het Hof kennelijk Reclassering Nederland opdracht willen geven het in art. 14d, tweede lid, Sr bedoelde toezicht te houden en de daar bedoelde begeleiding te bieden, maar heeft het verzuimd deze opdracht in het dictum van de bestreden uitspraak op te nemen. De Hoge Raad herstelt deze misslag en zal verstaan dat het Hof Reclassering Nederland deze opdracht heeft gegeven. Het middel klaagt weliswaar terecht over dit verzuim, maar kan dus niet tot cassatie leiden.”
7. Nu ik ook ambtshalve geen gronden voor cassatie heb aangetroffen strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad verstaat dat het Hof Reclassering Nederland opdracht heeft gegeven toezicht te houden op de naleving van de in de bestreden uitspraak omschreven voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden en dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2014:2750. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse ECLI:NL:PHR:2014:1700.